Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/6.2.2
6.2.2 Geen absoluut verbod
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS380144:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1959, 301, art. 67 lid 1 ‘Het is een ieder verboden (…) verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet (…).’ Zie ook Rb. Haarlem 26 januari 1988, LJN:AD0162, NJ 1989/660.
Wet van 27 juli 1918, Stb. 504, werd in art. 47 lid 1, slot, Wet VB 1892 ’, voor de invordering van eenige (…) belasting, of voor de toepassing van eenig wetsvoorschrift.’.
Kamerstukken II 1915/16, 205, nr. 3, par. 28, p. 12.
Artikel 67 lid 2 AWR (oud) luidde ‘Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.’
De instructie informatieverstrekking (IIV), vastgesteld op 16 december 1982, nr. 582-26319 en de instructie informatieverstrekking Douane (IIVD), vastgesteld op 3 april 1989, nr. AFZ89-993.
Voorschrift informatieverstrekking 1993 (VIV 1993), 14 december 1992/nr. AFZ 92/9318, Stcrt. 1992, 251, zoals dit is gewijzigd bij besluit van 1 december 1998, nr. AFZ98/3534N, Stcrt. 1998, 243. De ontheffingsbepaling was als volgt geformuleerd: ‘Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod’, art. 67 lid 2 AWR (oud).
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 20 maart 2001, nr. BOB 2000/01536, Kamerstukken II 2000/01, 27 400 IXB, nr. 27, p. 1, V-N 2001/18.9.
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, december 1999, p. 40.
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, december 1999, p. 35.
D. Liem, De fiscus: geheimhouder of poortwachter?, WFR 6806/41, 2009.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 20 maart 2001, nr. BOB 2000/01536, Kamerstukken II 2000/01, 27 400 IXB, nr. 27, p. 1, V-N 2001/18.9.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 20 maart 2001, nr. BOB 2000/01536, Kamerstukken II 2000/01, 27 400 IXB, nr. 27, p. 1, V-N 2001/18.9.
HR 8 november 1991, LJN:ZC0409 r.o. 3.4, NJ 1992/277.
Wettelijk betekent: ‘gegrond op, vereist door of geregeld bij de wet’: bepaald door de wet. Dit in onderscheid met wettig hetgeen betekent ‘overeenkomstig de bepalingen van de wet’: in overeenstemming met de wet. Van Dale, geraadpleegd: 10 mei 2017. Vgl. Wetbboek van Strafvordering art. 338 WvSv en 339 WvSv; wettige bewijsmiddelen zijn de door de wet genoemde (art. 339) en genormeerde (artt. 340- 344) onderzoeksresultaten. Tezamen vormen zij de wettelijke bewijzen. Zie o.a. P.A. M. Mevis, Capita Strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2006, p. 228 en p. 237-241.
Daarnaast is er nog de wettelijke ontheffing tot bekendmaking aan degenen op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt (art. 67 lid 2 letter c AWR). In het kader van de studie en het beantwoorden van de probleemstelling is deze ontheffing evenwel niet relevant.
Stcrt. 2008, 21, Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven en beleidsbesluiten, 18 januari 2008, nr. CPP2007/3066M.
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, december 1999, p. 39-40.
E.J.M. Rosier en M.H.W.N Lammers, De ontwikkeling in het formele belastingrecht 2006: transparantie tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst. WFR 2007/332, p. 325.
Hof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593.
Hertoghs Beschouwt, Over geheimhouding, en ‘keukentafelgesprekken’ tussen OM en fiscus, 25 juni 2018.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 20 maart 2001, nr. BOB 2000/01536, Kamerstukken II 2000/01, 27 400 IXB, nr. 27, p. 1, V-N 2001/18.9.
Het fiscale verbod op bekendmaking houdt echter niet een absolute geheimhouding voor de Belastingdienst in. Het verbod strekt zich niet uit binnen de Belastingdienst zelf, indien en voorzover het bekendmaken van gegevens plaatsvindt in het kader van de taakuitoefening van heffen en innen van belastingen.1
Voor andere (niet-fiscale) toepassing kan ontheffing plaatsvinden.2 Ook dan kan het ‘noodig zijn, dat de belastingambtenaar (…) eene verklaring aflegt (…)’, aldus de minister begin vorige eeuw.3 Dit biedt de mogelijkheid van ontsluiting – of overeenkomstig de Napoleontische terminologie: een bres in – van het fiscale bastion met gegevens. Deze mogelijkheid was oorspronkelijk wettelijk belegd bij Onze Minister: de minister van Financiën. Een poortwachtersfunctie.4 Met de Instructie Informatieverstrekking (IIV) geeft de staatssecretaris van Financiën daar in 1982 inhoud aan.5 In het (opvolgende) Voorschrift informatieverstrekking 1993 (VIV 1993) wordt het beleid inzake informatieverstrekking nauwkeurig omschreven en geclausuleerd.6 Dit beleid komt – in hoofdlijnen – er op neer dat ‘het verstrekken van informatie over individuele belastingplichtigen alleen mogelijk is indien [MS: als eerste] een wettelijk voorschrift hiertoe verplicht dan wel [MS: ten tweede] de informatieverstrekking bij kan dragen aan het handhaven van overheidsregelingen of aan de bestrijding of aan de voorkoming van misbruik of oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen.’7 Het VIV 1993 bood echter voor die tweede situatie geen wettelijke ontheffingsmogelijkheid van de geheimhoudingsplicht.8 Ook gaf de formulering ‘kan bijdragen aan’ een te ruime omschrijving.9 De geheimhoudingsplicht werd met toepassing van het VIV 1993 als onvoldoende transparant geoordeeld: het bevatte ontoereikende wettelijke waarborgen tegen ongewenste inbreuken op de (persoonlijke) levenssfeer.10
Mede naar aanleiding van aanbevelingen van de Registratiekamer heeft de staatssecretaris van Financiën de ontheffingsregeling ‘willen aanpassen’.11 De bewindsman oordeelt ‘In een dergelijk stelsel [MS: met wettelijk bepaalde en transparante ontheffingsmogelijkheden] is er geen plaats meer voor een algemeen geformuleerde mogelijkheid tot ontheffing van de geheimhoudingsplicht (…)’ Maar, zo vervolgt de bewindsman, ‘incidenteel onvoorziene situaties kunnen [MS: zich] voordoen waarbij sprake is van een groot maatschappelijk belang (om in de termen van de privacyregelgeving te spreken, sprake is van een ‘pressing social need’) en waarin behoefte zal zijn aan de gegevens van de Belastingdienst. Daarom zal het nodig zijn in de nieuwe regeling op te nemen dat in dergelijke situaties, na afweging van alle belangen, de bevoegdheid bestaat te kunnen besluiten tot gegevensverstrekking.’ 12De bewindsman bevestigt overigens dat de Belastingdienst zelf verantwoordelijk blijft voor het bekendmaken van al hetgeen in beginsel onder de geheimhoudingsplicht valt. Daarvan heeft de Hoge Raad eerder geoordeeld dat voor het bekendmaken sprake moet zijn van een belang dat zwaarder weegt dan de geheimhoudingsplicht als algemeen publiekelijk belang, waaronder in de eerste plaats dat van de belastingplichtige.13 Over de wijze waarop de belangen afgewogen moeten worden, geeft de staatssecretaris van Financiën echter geen informatie.14
Met de wetswijziging zijn de uitzonderingen op het verbod wettelijk verankerd. Het wettelijke verbod geldt niet indien ‘enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht’ (art. 67 lid 2 letter a AWR).15 Het betreft te alle tijd een noodzakelijke gegevensverstrekking. Daarnaast kan de minister van Financiën bij regeling bepalen ‘dat bekendmaking noodzakelijk is voor een goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan’ (art. 67 lid 2 letter b AWR). Deze gevallen zijn opgenomen in art. 43c van de Uitv. reg. AWR. Tenslotte kan de minister van Financiën in individuele gevallen een ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht (art. 67 lid 3 AWR).16 Naar aanleiding van deze wetswijziging is het VIV 1993 ingetrokken.17 De gewijzigde ontheffing zou meer recht moeten doen aan de strikte geheimhouding van de Belastingdienst.18 Deze wijziging is daarentegen volgens Rosier en Lammers – naast verplichtingen vanuit bilaterale en multilaterale verdragen – juist een exponent van de ontwikkelingen uit de achterliggende periode waarin de geheimhoudingsplicht minder strikt is geworden.19 Maar ook in de praktijk lijkt de geheimhouding minder streng te zijn dan de wetgever beoogt. De inspecteur wisselt mondeling gegevens uit met derden in zogenaamde ‘keukentafelgespreken’ zonder vast te leggen wÁt hij aan gegevens deelt.20 Het is mijns inziens een terechte vraag in hoeverre de inspecteur zijn geheimhoudingplicht nog op het netvlies heeft.21
Het juridische kader voor het bekendmaken van fiscale gegevens is vereenvoudigd – zonder daarbij de omvang te kwantificeren – als volgt weer te geven:
Figuur 19: Grenzen verbod op bekendmaking van fiscale gegevens
Op deze wijze is er een balans gezocht tussen hetgeen op niveau van wet moet worden geregeld en de nadere voorschriften in lagere regelgeving en een ontheffing op het niveau van een concreet geval. Dat was ook de uitdrukkelijke wens van de staatssecretaris van Financiën.22 Het verstrekken van gegevens volgens de Uitv. reg. AWR (ex art. 67 lid 2 letter b AWR) dan wel ontheffingsregeling (art. 67 lid 3 AWR) vindt dan wel plaats op grond van een wettelijke ontheffing van het verbod op openbaarmaking, maar nog niet ‘bij wettelijke verplichting’ (art. 67 lid 2 letter a AWR).