Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.10
3.10 Rechterlijke autoriteiten in de zin van artikel 5 evrm
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS492557:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Neumeister, EHRM 27 juni 1968, Serie A, 8, § 22-23.
Zie L.F.M. Verhey, ‘De organisatie van het openbaar ministerie: enkele beschouwingen mede in het licht van het EVRM’, NJCM-Bulletin 2001, p. 178-179. In de zaak Piersack en latere jurisprudentie stelt het Hof in dit verband de eis van objectieve onpartijdigheid (gerechtvaardigde schijn van partijdigheid moet zijn uitgesloten).
Verhey 2001b, p. 177.
Schiesser, EHRM 4 december 1979, Serie A, 34; bevestigd in o.a. Assenov, EHRM 28 oktober 1998, Reports 1998, p. 3264, § 146.
Idem R. de Bruijn, ‘De Officier van Justitie als rechterlijke autoriteit?, AA 1989, p. 973-979.
Winterwerp, EHRM 24 oktober 1979, Serie A, 33, § 37.
Artikel 5, eerste lid, EVRM geeft een ieder het recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in een aantal limitatief genoemde gevallen. De vrijheid kan onder meer rechtmatig worden ontnomen na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter (onder a). Het rechtmatig ontnemen van de vrijheid strekt zich ook uit tot de verdachte van een strafbaar feit (onder c), maar die moet ingevolge artikel 5, derde lid, EVRM wel onverwijld voor een rechter of andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen (‘judge or other officer authorised by law to exercise judicial power’), worden geleid. Artikel 5, vierde lid, EVRM geeft ten slotte nog het recht op een voorziening tegen onrechtmatige arrestatie of detentie bij een gerecht (‘court’). Men kan zich afvragen of de procedures die onder artikel 5, derde en vierde lid, EVRM, vallen, tegelijkertijd onder het toepassingsgebied van artikel 6, eerste lid, EVRM kunnen vallen. Strafrechtspraak enerzijds en vervolging van strafbare feiten anderzijds zijn op zich duidelijk van elkaar te onderscheiden functies. In het algemeen zijn (rechterlijke) voorprocedures, bijvoorbeeld inzake voorlopige hechtenis, uitgesloten van de volle werking van artikel 6 EVRM.1 Maar uit de jurisprudentie van het Hof blijkt duidelijk dat juist op het punt van het vereiste van onafhankelijkheid de artikelen 5 en 6 EVRM elkaar overlappen. Jurisprudentie inzake de artikelen 5, derde lid, en 6 EVRM laat overigens ook zien dat een combinatie van een vervolgende en rechterlijke functie in concrete situaties onverenigbaar kan zijn met de onpartijdigheid van de rechter.2
De lijn van de jurisprudentie inzake een ‘gerecht’ (art. 5 lid 4) en een ‘rechterlijke instantie’ (art. 6 lid 1) is doorgetrokken naar een ‘judge or other officer authorised by law to exercise judicial power’ in de zin van artikel 5, derde lid, EVRM. De in het derde lid genoemde rechters en ‘officers’ zijn niet geheel op één lijn te stellen,3 maar moeten wel enkele dezelfde essentiële eigenschappen bezitten, waaronder onafhankelijkheid:
§ 27 ‘In providing that an arrested person shall be brought promptly before a ‘judge’ or ‘other officer’, article 5-3 leaves the Contracting States a choice between two categories of authorities. It is implicit in such choice that these categories are not identical. However, the Convention mentions them in the same phrase and presupposes that these authorities fulfil similar functions; it thus clearly recognises the existence of a certain analogy between ‘judge’ and ‘officer’.’
§ 31 ‘To sum up, the ‘officer’ is not identical with the ‘judge’ but must nevertheless have some of the latter’s attributes, that is to say he must satisfy certain conditions each of which constitutes a guarantee for the person arrested. The first of such conditions is independence of the executive and of the parties (see Neumeister). This does not mean that the ‘officer’ may not be to some extent subordinate to other judges or officers provided that they themselves enjoy similar independence.’4
Net als voor rechters geldt dus voor andere magistraten in de zin van artikel 5, derde lid, EVRM, het vereiste van onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht en partijen. Uit rechtsoverweging 31 valt af te leiden dat artikel 5 EVRM geen onafhankelijkheid vereist van elke individuele functionaris die bij de opsporing is betrokken, zolang de hiërarchisch hoogste functionaris maar onafhankelijk is ten opzichte van de uitvoerende macht. Toegepast op de Nederlandse situatie betekent dit dat leden van het openbaar ministerie niet kunnen functioneren als een ‘officer’ in de zin van artikel 5, derde lid, EVRM, omdat zij de noodzakelijke onafhankelijkheid ontberen.5 Zij kunnen ter zake van de vervolging immers aanwijzingen krijgen van de Minister van Justitie (art. 127 Wet RO). Opsporing – verricht door politie en OM – hoeft niet onafhankelijk van de uitvoerende macht te zijn. Zolang een verdachte van wie zijn vrijheid wordt ontnomen (bijvoorbeeld door voorlopige hechtenis) maar wordt voorgeleid aan een rechtercommissaris die wel onafhankelijk is in de zin van het verdrag.
De ratio achter de analoog toegepaste procedurele en onafhankelijkheidswaarborgen is dat artikel 5 EVRM in zijn geheel moet garanderen dat niemand willekeurig van zijn vrijheid wordt beroofd.6 Om willekeur te voorkomen dient de oordelende instantie, of dit nu een ‘judge’, ‘other officer’ of ‘court’ is, in ieder geval onafhankelijk te zijn. Dat betekent in deze context volgens de jurisprudentie met name onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht en partijen. De onafhankelijkheid ten opzichte van partijen is in feite onpartijdigheid volgens de doctrine. Dit is exact dezelfde betekenis als het Hof aan rechterlijke onafhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM heeft toegekend.