Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief
Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.4:3.4 Rechtspositionele onafhankelijkheid
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.4
3.4 Rechtspositionele onafhankelijkheid
Documentgegevens:
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS498061:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat een benoeming voor het leven niet noodzakelijk is, volgt reeds indirect uit de zaak Neumeister (EHRM 27 juni 1968, Serie A, 8) bij de interpretatie van het begrip rechterlijke instantie. Zie verder § 3.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel over de jurisprudentie inzake artikel 6 EVRM in het algemeen gezegd kan worden dat deze een strenge toets inzake onafhankelijkheid behelst, geldt dat niet specifiek voor het onderdeel rechtspositionele onafhankelijkheid. Ten aanzien daarvan heeft het Hof duidelijk een minder strikte benadering. Zo behoeven de leden van een rechterlijke instantie volgens vaste jurisprudentie niet voor het leven benoemd te zijn.1 Ook een benoeming door een orgaan van de uitvoerende macht is op zich niet uit den boze. Het Hof geeft als argument hiervoor herhaaldelijk het feit dat dit de traditionele situatie is in vele lidstaten van de Raad van Europa. In het navolgende wordt dieper ingegaan op deze rechtspositionele elementen van onafhankelijkheid, zoals uitgelegd door de Commissie en het Hof. Bij de wijze van bespreking hiervan is teruggegrepen op de in de doctrine en jurisprudentie onderscheiden aspecten.
3.4.1 Wijze van benoeming3.4.2 Benoemingsduur3.4.3 Herbenoeming3.4.4 Ontslag3.4.5 Overige rechtspositionele waarborgen