Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.3
3.3 Hoofdlijnen van de jurisprudentie over onafhankelijkheid en onpartijdigheid
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494932:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Ringeisen, EHRM 16 juli 1971, Serie A, 13, § 95.
EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 78. Het Hof verwijst hierbij naar eerdere jurisprudentie, respectievelijk Le Compte, van Leuven en de Meijere, EHRM 23 juni 1983, Serie A, 43; Piersack, EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53 en Delcourt, EHRM 17 januari 1970, Serie A, 11, waarin deze elementen reeds afzonderlijk een rol speelden. Nadien heeft deze over weging een vaste plaats in de rechtspraak van het Hof gekregen. Zie recent bijv. Stechauner, EHRM 28 januari 2010, appl. no. 20087/06, § 53.
Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 80.
Dit blijkt impliciet uit de werkwijze van het Hof in veel zaken, maar bijv. ook vrij expliciet uit Findlay, EHRM 25 februari 1997, Reports 1997-I, 263, § 78: ‘The Court further agrees with the Commission that these fundamental flaws in the court-martial system were not remedied by the presence of safeguards, such as the involvement of the judge advocate, (...) or the oath taken by the members of the court-martial board.’ In casu waren deze waarborgen niet voldoende om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen, maar het bestaan van de mogelijkheid tot compensatie met andere onafhankelijkheidswaarborgen wordt hiermee wel aangegeven.
Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 80 (geen ‘irremovability in law’ vereist). Zie § 3.4.3.
EHRM 19 april 1994, Serie A, 288; NJ 1995, 462.
EHRM 19 april 1994, Serie A, 288, § 45. Zie verder § 3.5.4.
Zie A.W. Heringa, J.G.C. Schokkenbroek & J. van der Velde (red.), EVRM Rechtspraak & Commentaar, Den Haag: SDU Uitgevers 2004 (losbl.), Art. 6 Eerlijk proces, nr. 3.6.5 p. 5-6 (aspect 4).
Langborger, ECRM 8 oktober 1987 (annex bij EHRM 23 mei 1989, Serie A, 155), § 116. Zie ook Holm, ECRM 13 oktober 1992 (annex bij EHRM 25 november 1993, Serie A, 279-A), § 54.
Zie o.m. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2008, p. 364-365; P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters, oratie Nijmegen, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 14; M. Kuijer, ‘De EHRM-jurisprudentie over onafhankelijkheid en onpartijdigheid van nationale rechters en de gevolgen hiervan voor het nieuwe hof’, NJCM-Bulletin 1997, p. 851; K. Loontjes, ‘Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: stand van zaken’, TBP 1996, p. 9; M. de Werd, ‘Tobben met de rechtsstaat. Rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid na Procola’, NJB 1996, p. 234; Van Dijk/Van Hoof, De Europese conventie in theorie en praktijk, Nijmegen 1990, p. 370. Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 27 182, nr. 3, p. 9-10.
Piersack, EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53, § 30. Sindsdien is dit vaste jurisprudentie. Zie recent bijv. Stechauner, EHRM 28 januari 2010, appl. no. 20087/06, § 53. De exacte formulering verandert nog wel eens.
Eén van de weinige zaken waar het Hof wel subjectieve partijdigheid van – in dat geval – een jurylid aannam, is de zaak Remli, EHRM 23 april 1996, Reports 1996, p. 559.
De zinsnede independent – ‘notably of the executive and of the parties to the case’ – is vanaf het begin in de jurisprudentie van het Hof te vinden (zie Ringeisen, EHRM 16 juli 1971, Serie A, 13, § 95) en wordt sindsdien vaak (zie recent Savino e.a., EHRM 28 april 2009, appl. nos. 17214/05; 42113/04; 20329/05) maar niet altijd (zie recent Stechauner, EHRM 28 januari 2010, appl. no. 20087/06) door het Hof gebruikt.
Bijv. Snijders, Klaassen & Meijer, Kluwer 2007, nr. 71.
De Waard 1987, p. 331, Kuijer 2004, p. 261-262, Smits 2008, p. 304.
Langborger, EHRM 22 juni 1989, Serie A-155, § 32. Idem Holm, ECRM 13 oktober 1992, § 56 en EHRM 25 november 1993, Serie A, 279-A, § 30.
Debled, EHRM 22 september 1994, Serie A, 292-B, § 36.
Aldus worden vooral de onafhankelijkheid en de objectieve onpartijdigheid samen beoordeeld. In latere jurisprudentie van het Hof komt dat ook expliciet naar voren. Zie bijv. Findlay, EHRM 25 februari 1997, Reports 1997, 263, § 73: ‘The concepts of independence and objective impartiality are closely linked and the Court will consider them together.’ De laatste verfijning op dit punt is te vinden in Whitfield e.a., EHRM 12 april 2005, appl. 46387/99 e.a., § 44: ‘Since the concepts of structural independence and objective impartiality are closely linked, the Court will consider them together in this case’ (curs. PvdE).
Yakiş, EHRM 25 september 2001, appl. nr. 33368/96, EHRC 2001/83 (m.nt. Van den Eijnden), p. 762, § 38.
K. Wagner, ‘De onafhankelijkheid van de rechter naar Europees recht’, in: Van Orshoven, Verhey & Wagner (red.). De onafhankelijkheid van de rechter (preadviezen Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 6.
De eerste keer dat het Hof zinspeelde op algemene criteria voor de beoordeling van onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM, was in de zaak Ringeisen.1 Die criteria liggen besloten in de rechtsoverweging:
‘(…) Besides, the Court observes that the Regional Commission is a ‘tribunal’ within the meaning of Article 6, paragraph 1, of the Convention as it is independent of the executive and also of the parties, its members are appointed for a term of five years and the proceedings before it afford the necessary guarantees’.2
Of het hier gaat om criteria voor een rechterlijke instantie, dan wel om criteria voor de onafhankelijkheid daarvan, blijkt overigens niet duidelijk uit de tekst, maar gezien de hierop volgende ontwikkeling in de jurisprudentie valt aan te nemen dat het gaat om criteria voor de onafhankelijkheid. Ook gaat het Hof inhoudelijk niet verder in op de criteria: waaruit bestaan bijvoorbeeld die noodzakelijke processuele waarborgen? Wellicht hangt dit samen met het feit dat Ringeisen enkel de onpartijdigheid van de instantie ter discussie stelde, en het Hof daarnaast, min of meer ambtshalve, concludeerde dat de Regionale Commissie onafhankelijk was.
Sinds de zaak Campbell en Fell onderzoekt het Hof ten minste drie vaste elementen ter beoordeling van de onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie. Die elementen noemt het Hof expliciet in de tot standaardoverweging geworden formulering:
‘In determining whether a body can be considered to be ‘independent’ – notably of the executive and of the parties to the case –, the Court has had regard to (1) the manner of appointment of its members and the duration of their term of office, (2) the existence of guarantees against outside pressures and (3) the question whether the body presents an appearance of independence.’3
Het eerste element, de wijze en duur van de benoeming, wordt in een latere rechtsoverweging aangevuld met een daarmee samenhangend rechtspositioneel aspect, te weten de onafzetbaarheid tijdens de ambtstermijn: ‘(...) the irremovability of judges by the executive during their term of office must in general be considered a corollary of their independence (...)’.4 Hoewel het Hof de in de doctrine gebruikelijke termen rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid als zodanig niet bezigt, ziet het eerste element uit de hierboven geciteerde rechtsoverweging vooral op de rechtspositionele onafhankelijkheid van de rechter en het tweede element vooral op de functionele onafhankelijkheid van de rechter. Het derde element is eigen aan de Straatsburgse jurisprudentie en kan betrekking hebben op beide traditionele vormen van onafhankelijkheid. Het Hof beoordeelt de elementen zowel alternatief als cumulatief. Uiteindelijk is de optelsom van alle elementen bepalend voor de (on)afhankelijkheid van een gerecht, waarbij de afzonderlijke elementen overigens niet van gelijke waarde lijken te zijn voor het eindoordeel van het Hof. Het ene element kan het andere compenseren.5 Hieronder volgt eerst een korte uiteenzetting van de drie elementen, alvorens wordt overgegaan tot een meer gedetailleerde en systematische becommentariëring van de jurisprudentie in het licht van de doctrine.
1. De wijze van benoeming van de leden van de rechterlijke instantie (a) en de duur van hun zittingstermijn (b), alsmede de bescherming tegen onvrijwillige overplaatsing en ontslag (c).
Deze drie subelementen zijn volgens de doctrine elementen van de rechtspositionele onafhankelijkheid. De jurisprudentie verlangt niet dat de rechter voor het leven is benoemd. Voldoende is dat hij niet naar believen of op oneigenlijke gronden kan worden ontslagen. De subelementen b en c hangen in die zin met elkaar samen. Een gebrek aan formele (wettelijke) erkenning van het vereiste dat de rechter niet willekeurig mag worden ontslagen of overgeplaatst tijdens zijn ambtstermijn, leidt op zichzelf niet tot een gebrek aan onafhankelijkheid zolang de ‘irremovability’ wel feitelijk gegarandeerd wordt en de andere waarborgen voor onafhankelijkheid aanwezig zijn.6
2. Het bestaan van garanties tegen druk van buitenaf
Dit element is de kern van het leerstuk onafhankelijkheid. Hieronder kunnen vele deelaspecten worden gebracht. Wat dat betreft gebruikt het Hof hier een open, ruime norm, waarmee het alle kanten op kan. Hoewel men bij druk van buitenaf in de eerste plaats denkt aan druk op de rechterlijke instantie ten aanzien van de uitoefening van de functie, dus de functionele onafhankelijkheid, kunnen ook aspecten van rechtspositionele onafhankelijkheid hieronder worden geschaard. De juridische (on)mogelijkheid tot het geven van instructies ziet op de functionele onafhankelijkheid, alsook het feit dat de rechter geen verantwoording hoeft af te leggen over het rechterlijk oordeel aan een ander overheidsorgaan (zie § 3.5.4). Maar bij dreiging met ontslag of een andere rechtspositionele maatregel door een daartoe bevoegd orgaan van de uitvoerende macht, kan de rechter indirect onder druk worden gezet tot het geven van een bepaald oordeel door de dreiging die daarvan uitgaat en is de rechtspositionele onafhankelijkheid in het geding. Overigens kan hier naast inmenging door de uitvoerende macht eveneens aan ongewenste druk, uitgeoefend door de wetgever, worden gedacht (zie § 3.5.8). Het is dus essentieel dat de rechter over een statuut beschikt dat hem beschermt tegen dergelijke druk van buitenaf. Dit element ziet voorts niet alleen op de totstandkoming van een rechterlijke beslissing, maar zoals blijkt uit de zaak Van de Hurk7, ook op de uitvoering van een rechterlijke beslissing. De bevoegdheid om een bindende beslissing te geven die niet ongedaan kan worden gemaakt door een niet-rechterlijke instantie is volgens het Hof inherent aan het begrip ‘rechterlijke instantie’, en mede vervat in het begrip ‘onafhankelijkheid’.8 Als men dit laatste punt al wil beschouwen als een element van de onafhankelijkheid, zoals het Hof dat doet, dan is het onder te brengen bij de functionele onafhankelijkheid.
3. Schijn van afhankelijkheid
Een rechterlijke instantie moet niet alleen daadwerkelijk onafhankelijk zijn op grond van de eerste twee elementen, maar ook de indruk wekken dat te zijn (appearance of independence). Als motivering voor dit vereiste noemt het Hof het vertrouwen dat een gerecht moet genieten in een democratische samenleving. Het gaat in feite om ‘de indruk (van de rechterlijke instantie) naar buiten’.9 Kan de burger gerechtvaardigd twijfelen aan de onafhankelijkheid van een gerecht, dan levert dat op zich al schending van artikel 6 EVRM op. Hiermee bezigt het Hof een zeer streng criterium voor de onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie. Dit element is doorgaans het sluitstuk in het onderzoek naar de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM. Twijfel aan de onafhankelijkheid kan op allerlei gronden ontstaan, bijvoorbeeld bij ondergeschiktheid van (leden van) rechtscolleges aan de uitvoerende macht, of bij rechtscolleges die buiten hun rechtsprekende taak nog een andere, in het licht van de machtenscheiding daarmee onverenigbare taak hebben. Het is zeer lastig dit element een plaats te geven in het klassieke onderscheid tussen functionele en rechtspositionele onafhankelijkheid, juist omdat de totale indruk van alle aspecten van het rechterlijk proces bepalend is. De ‘schijn van afhankelijkheid’ is op grond van de jurisprudentie van het Hof als het ware een categorie op zich. Ten aanzien van de achterliggende gronden die leiden tot het oordeel dat het gerecht een schijn van afhankelijkheid opwekt, kunnen eventueel weer wel de functionele en rechtspositionele onafhankelijkheid worden onderscheiden. Daarbij kan in feite eenzelfde onderscheid worden aangehouden als wanneer het niet om de schijn, maar om de feitelijke situatie gaat. Als de rechter een schijn van afhankelijkheid oproept omdat bijvoorbeeld zijn benoemingstermijn zeer kort is (en de rechter weliswaar meerdere malen is herbenoemd, maar nooit de garantie heeft dat dit in de toekomst ook zal gebeuren), dan ligt de kern van het probleem op het rechtspositionele vlak, en zou men kunnen zeggen dat de rechtspositionele onafhankelijkheid niet voldoende is gewaarborgd. Als er volgens het Hof gerechtvaardigd kan worden getwijfeld aan de onafhankelijkheid als gevolg van het feit dat een minister bevelen aan de rechter kan geven (maar dat in feite nog nooit is voorgekomen, laat staan in de betreffende zaak), dan zou men kunnen zeggen dat de functionele onafhankelijkheid niet voldoende is gewaarborgd.
Het is van belang te benadrukken dat deze drie elementen niet de enige zijn, die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie. Het is geen limitatieve opsomming, noch een definitie van wat onder onafhankelijkheid moet worden verstaan. Het Hof gebruikt meestal de woorden inter alia bij de opsomming van deze elementen, waarmee het de deur open laat voor andere (onvoorziene) factoren die een nadelig effect kunnen hebben op de rechterlijke onafhankelijkheid. Dergelijke factoren kunnen onder meer worden afgeleid uit de overweging in de rapporten van de Commissie in de zaken Langborger en Holm, waarin de meest gedetailleerde opsomming van elementen uit de gehele jurisprudentie inzake onafhankelijkheid is te vinden:
‘In determining whether a body can be considered to be an independent tribunal, i.e. in particular independent of the executive and of the parties to the case, regard must be had to the manner of appointment of its members and the duration of their term of office, the existence of regulations governing their removal or guarantees for their irremovability, laws prohibiting their being given instructions by the executive in their adjudicatory role, the existence of legal guarantees against outside pressures, the question whether the body presents an appearance of independence and the attendance of members of the judiciary in the proceedings.’10
Als extra elementen vinden we hier het bestaan van regels of waarborgen omtrent ontslag en overplaatsing, het verbod op het geven van aanwijzingen door de uitvoerende macht aan rechters in de uitoefening van hun rechterlijke functie en de aanwezigheid van rechterlijke leden in de procedure. Hierbij verwijst de Commissie naar de uitspraak van het Hof in Campbell en Fell. Inderdaad speelden een aantal van deze ‘extra’ elementen ook in die zaak een rol, maar dat blijkt slechts impliciet uit de motivering van het oordeel dat de instantie onafhankelijk was en niet expliciet in de opsomming van relevante aspecten voor de beoordeling van onafhankelijkheid. De meerwaarde van de geciteerde overweging van de Commissie zit in de explicitering ervan in één rechtsoverweging. In nadien opgestelde rapporten is ook de Commissie evenwel de korte versie van de standaardoverweging van het Hof gaan gebruiken. Het element dat ziet op de aanwezigheid van rechterlijke leden in een college lijkt overigens specifiek te zijn toegesneden op bijzondere gerechten, waarin lekenrechters en juryleden een grote rol hebben. In die gevallen kan de aanwezigheid van beroepsrechters dus als een aanvullende waarborg van onafhankelijkheid worden aangemerkt.
In de Nederlandse literatuur wordt de jurisprudentie van het Hof over rechterlijke onafhankelijkheid veelal met de volgende zin samengevat:
‘Voor de onafhankelijkheid is vereist dat de rechter zijn beslissing kan baseren op zijn eigen, vrije oordeel omtrent feiten en rechtsgronden zonder enige binding ten opzichte van partijen en de overheid en zonder dat zijn beslissing door een andere dan in dezelfde zin onafhankelijke instantie kan worden gewijzigd.’11
Met name het eerste deel van deze samenvatting is mijns inziens een nogal vrije vertaling van de jurisprudentie van het Hof. Het spreekt zelf nergens letterlijk over een ‘eigen, vrij oordeel’, maar bovengenoemde elementen uit de jurisprudentie komen niettemin duidelijk in de definitie terug. De Werd heeft er op gewezen dat uit de standaardoverweging van het Hof blijkt dat onafhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM geen scherp staatsrechtelijk begrip is, al is het maar omdat (privaatrechtelijke) procespartijen in één adem worden genoemd met de publiekrechtelijke wetgevende en uitvoerende macht.12 Ik deel zijn standpunt dat de rechterlijke macht in institutionele zin wel onafhankelijk kan zijn van andere organen, maar niet van burgers. Volgens De Werd is de standaardoverweging nauwelijks een juridische conceptie. Waarborgen tegen druk van buitenaf en de schijn van afhankelijkheid zijn veeleer sociologische begrippen. Op grond van een inhoudelijke beoordeling van die criteria is dat inderdaad het geval, maar het Hof heeft deze aspecten van onafhankelijkheid, juist door ze standaard te noemen en beoordelen in zijn jurisprudentie, ook een juridische lading gegeven.
Voor de beoordeling van de onpartijdigheid van een rechterlijke instantie heeft het Hof eveneens een standaardmodel ontwikkeld, bestaande uit twee componenten: subjectieve onpartijdigheid en objectieve onpartijdigheid:
‘Whilst impartiality normally denotes absence of prejudice or bias, its existence or otherwise can (…) be tested in various ways. A distinction can be drawn in this context between a subjective approach, that is endeavouring to ascertain the personal conviction of a given judge in a given case, and an objective approach, that is determining whether he offered guarantees sufficient to exclude any legitimate doubt in this respect.’13
De subjectieve onpartijdigheid ziet op de persoonlijke overtuiging of attitude van een bepaalde rechter in een bepaalde zaak (in concreto), die moet blijken uit zijn gedrag of opmerkingen: is de rechter vooringenomen? De subjectieve onpartijdigheid van een rechter wordt verondersteld aanwezig te zijn totdat het tegendeel bewezen is. De bewijslast ligt derhalve bij de klager. Er zijn dan ook niet veel schendingen van artikel 6 EVRM aangenomen vanwege subjectieve partijdigheid.14 De objectieve onpartijdigheid ziet op de vraag of de structurele organisatie van het gerecht en zijn leden voldoende waarborgen biedt om elke gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid ervan uit te sluiten (in abstracto). De objectieve onpartijdigheid behelst een veel zwaardere toets dan de subjectieve onpartijdigheid. Elke gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van de rechterlijke instantie moet kunnen worden uitgesloten. Dit is een vergelijkbare toets als bij het derde element van de onafhankelijkheid: het gaat om de indruk die men heeft van de rechterlijke instantie, die mag geen schijn van partijdigheid opwekken.
Een opvallende zinsnede in de jurisprudentie van het Hof is dat de rechterlijke instantie ‘onafhankelijk van de executieve en van de partijen’ moet zijn.15 Dat is opvallend, omdat het bij de onafhankelijkheid van partijen volgens de heersende doctrine gaat om onpartijdigheid.16 Ik deel de conclusie van De Waard, Kuijer en Smits dat het Hof hiermee zelf echter niet doelt op de onpartijdigheid, maar op de relatie tussen de rechter en partijen in het algemeen.17 Op dit theoretische onderscheid zal ik verder ingaan in § 3.5.7 en § 3.8.3. Overigens vind ik het onderscheid tussen onafhankelijkheid van partijen en onpartijdigheid niet zo zinvol, omdat het in hoge mate verwarrend is.
Vermenging van de noties onafhankelijkheid en onpartijdigheid door het Hof gebeurt regelmatig doelbewust. Zo stelt het Hof in de zaak Langborger: ‘In this case it appears difficult to dissociate the question of impartiality from that of independence.’18 En in de zaak Debled zelfs: ‘The Court finds it unnecessary in this case to examine the issues of independence and impartiality separately.’19 Vermenging van onafhankelijkheid en onpartijdigheid doet zich met name voor in zaken waar het Hof meent dat de rechterlijke instantie een schijn van afhankelijkheid en partijdigheid heeft.20 Het is mogelijk dat het Hof van mening is dat in die gevallen inderdaad aan beide aspecten kan worden getwijfeld, maar dat blijkt niet altijd expliciet uit de overwegingen. Het aangevoerde argument voor de gezamenlijke beoordeling is doorgaans simpelweg – zoals uit de citaten hierboven blijkt – dat het ingewikkeld of onnodig is om de onafhankelijkheid en (objectieve) onpartijdigheid in een bepaalde zaak te onderscheiden. In de zaak Yakiş zegt het Hof dat de door de klager aangevoerde argumenten op grond waarvan zowel de onafhankelijkheid als de onpartijdigheid worden betwist, gebaseerd zijn op dezelfde feitelijke overwegingen en het Hof heeft de twee aspecten daarom samen beoordeeld.21 De werkwijze van het Hof komt er in deze gevallen in grote lijnen op neer, dat na een opsomming van alle relevante feiten het daarop berustende oordeel in de zaak volgt (‘gezien het voorgaande...’), zonder duidelijk te maken welk gewicht aan bepaalde feiten worden toegekend. Tot vaststelling van duidelijke criteria waaraan een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM moet voldoen, leidt deze aanpak niet. Het is vaak gissen naar de doorslaggevende grond (als die er is), voor de verdragsschending. Overwegingen dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid samen worden beoordeeld zijn uit het oogpunt van het Hof – dat namelijk moet vaststellen of artikel 6 EVRM is geschonden – niet eens zo vreemd. Maar uit dogmatisch oogpunt is het verwarrend. Bovendien worden ook andere elementen van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde eerlijk proces, zoals de redelijke termijn, apart beoordeeld door het Hof. Daar waar mogelijk, zal het Hof mijns inziens dus een onderscheid moeten maken. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid mogen dan nauw aan elkaar verwant zijn, zij betekenen niet hetzelfde. Als basisuitgangspunt kan daartoe de rechtsrelatie, waarin het probleem zich voordoet, gelden. Er is mijns inziens sprake van een probleem met de onafhankelijkheid, wanneer kan worden getwijfeld aan de structuur en positie van de rechterlijke instantie in relatie tot de andere overheidsmachten (bijvoorbeeld bij ondergeschiktheid van een of meer leden van een rechterlijk college aan een orgaan van de uitvoerende macht), terwijl de onpartijdigheid in het geding is wanneer getwijfeld kan worden aan de persoon van de rechter en diens optreden in relatie tot de partijen in het proces, of het onderwerp van de zaak. Hierbij valt te denken aan een rechter die tegelijkertijd een functie heeft in een organisatie die als partij bij het geschil betrokken is, of een dubbelrol vervult in het totale rechterlijke proces. In deze gevallen gaat het immers over de onbevangenheid van de individuele rechter ten aanzien van het oordeel in de zaak. Overigens is het wel denkbaar dat een of meer leden van een rechterlijke instantie niet onafhankelijk is of zijn ten opzichte van een overheidsorgaan dat tevens procespartij is (denk aan bestuursrechtspraak) en beide begrippen samenvallen. Er zijn (schijnen) dan niet genoeg waarborgen tegen druk van buitenaf op de rechterlijke instantie (onafhankelijkheid) en de rechterlijke instantie is (schijnt) niet onbevooroordeeld ten aanzien van een partij (onpartijdigheid).22