Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/5.2.3.3:5.2.3.3 Hoe beslismedewerkers handelen in twijfelgevallen
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/5.2.3.3
5.2.3.3 Hoe beslismedewerkers handelen in twijfelgevallen
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180311:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vrijwel alle beslismedewerkers vertelden me dat ze met enige regelmaat worden geconfronteerd met twijfelgevallen. In het volgende hoofdstuk ga ik nader in op de moeilijkheden die beslismedewerkers kunnen hebben het vaststellen van verschillende type feiten. In deze paragraaf ga ik in op de vraag welke algemene redenen het beslissen voor individuele medewerkers moeilijk maken. Een eerste reden is een overvloed aan informatie. Ik vroeg de onderstaande beslismedewerkers naar zijn werkwijze:
I: Is het wel eens moeilijk om een beslissing te nemen?
R: Ja.
I: In welke gevallen?
R: Nou ja, wanneer is dat moeilijk? Dan is het meer de hoeveelheid aan dossiermateriaal wat het complex maakt. Met meerdere familieleden. Sommige zijn al langer in Nederland, andere pas kort. Allerlei dingen die je naast elkaar moet zetten om te kijken of wat er gebeurd is, ook bij iedereen in beeld is geweest. Dat kunnen wel lastige zaken zijn.
I: Dus vooral de hoeveelheid informatie maakt of het moeilijker is?
R: Ja.1
Eén situatie die het beslissen volgens beslismedewerkers moeilijk maakt is dus de beschikbaarheid van een grote hoeveelheid informatie. Een tweede situatie die beslismedewerkers noemen doet zich voor in zaken die in hun ogen schrijnend zijn, maar niet, of niet eenduidig binnen het beleid vallen:
R: Onze directeur, die binnenkort weggaat, heeft wel heel veel bereikt onder het mom van streng maar rechtvaardig. Met oog voor de menselijkheid. Die lijn zeg maar. […] We [hebben] allemaal wel een notie [van] waar de grens van onmenselijkheid wordt overschreden. Dat je ook een grens voelt van deze persoon kunnen we gewoon niet afwijzen, dat is zo ondraaglijk voor die mensen. We spreken elkaar er ook wel op aan hoor. Ik heb wel eens een zaak gedaan, dat deed ik voor een ander team. Toen kwam ik erachter dat een vrouw een gezin in [land aan de buitengrens van de EU] had zitten. Zij was als enige, hoogzwanger, doorgereisd naar Nederland, waarschijnlijk omdat ze hoogzwanger was. Toen kreeg ze te horen dat dat kindje dood was, dat in haar buik zat. Die heeft ze in haar eentje levenloos moeten baren en begraven. Want dat gezin zat nog in [het land aan de buitengrens]. En ondertussen werd er maar geen beslissing genomen. Deels hing dat samen met de advocaat. Maar op een bepaald punt had ik zoiets: wij sturen niemand terug naar [het betreffende land]. [Dat land] had op een bepaald moment zelfs zoiets van dat ze het schrijnend vonden. Maar Dublin [de Dublin-unit van de IND] zei: ‘Dat gaan we niet doen, [dat land] is verantwoordelijk’. Het ging met name om de vraag of we ze nu wel, of niet als gezin konden zien. Ze hebben [zich] niks aangetrokken wat ik ervan vond. Ze hebben het gewoon laten gebeuren, om een futiliteit. Of we wel of niet moeten geloven dat dit een gezin was. Want het document waaruit moest blijken dat het een gezin was, was in [in weer een ander EU-land] opgesteld en daar konden we niets over zeggen. Nou, dan denk ik echt van ‘hallo zeg’, wees dan een keer zo stoer om die mensen te laten komen en doe een DNA-test. Maar dit. Het greintje mogelijkheid dat het waar zou kunnen zijn, zou genoeg moeten zijn om het te willen. Dat was echt te zot voor woorden. […] Het ergste was dat dat gezin niet samen kon zijn. Ze kon sowieso niet terug naar [land aan de buitengrens van de EU] en als het geen gezin zou zijn, kon ze als alleenstaande vrouw ook niet terug naar Afghanistan. Dat zouden we binnen de organisatie toch beseffen, hoe onmenselijk dat beleid kan zijn. Wat wij doen mag nooit tot onmenselijkheid leiden.
I: Dus je zegt: soms zijn regels regels, maar soms moet je ze misschien ook zelf een beetje bijsturen? R: Dat denk ik wel ja.2
Beslismedewerkers zoeken in dit soort gevallen soms de ruimte van de regels op, om in schrijnende gevallen toch tot een beslissing te kunnen komen die in hun ogen rechtvaardig is. Dezelfde beslismedewerker die het bovenstaande voorbeeld geeft, zegt hierover:
I: Over wat voor zaken denk je nog wel eens na, of blijven je het meeste bij? R: Ja. Er zijn altijd wel een paar zaken waarvoor je extra gaat lopen, of extra je best doet. Zo heb ik er in de loop der jaren wel een aantal verzameld, zullen we maar zeggen. Maar een concreet voorbeeld…
I: Ziet dat er dan vooral op dat je de persoon aardig vond, of juist niet, of dat het verhaal je aangreep? Of zijn het de moeilijke beslissingen? Zaken waarin je niet zeker weet of het goed hebt gedaan?
R: Het zijn zaken die al heel lang spelen. Het zijn vaak jongeren, of ouderen. En ook vaak wel dat wij daar als IND ontzettend hebben lopen zwalken, dat ik dan eigenlijk iets zo heb van: nou. Dit kan gewoon niet. Dit is zo onrechtvaardig, of raar. Of deze mensen hebben zoveel ellende meegemaakt. Dat is dan misschien wel een optelsom. Ze behoren tot een kwetsbare groep en er is ontzettend veel misgegaan en ze hebben het gewoon aantoonbaar heel ellendig en ook vaak dat ik er… Soms moet je wachten op een BMA-rapport en dat gaat dan honderdduizend keer mis, of je krijgt geen antwoord op je vragen. Dat ik dan zoiets heb: ik word er flauw van, ik hak nu de knoop door en dan kan die beslissing zomaar positief uitvallen.3
De beslismedewerkers hebben verschillende handelingsperspectieven als ze moeite hebben om tot een beslissing te komen. Ten eerste kunnen ze meer informatie verzamelen door te besluiten om de zaak verder te laten behandelen in de Verlengde Asielprocedure, onderzoek in te stellen, aanvullend te (laten) horen of anderszins nadere informatie te verzamelen. De beslismedewerkers voelen zich vrij om hiertoe zelf te beslissen. De meeste medewerkers zeggen dat zij een dergelijk besluit pas nemen na overleg met een senior medewerker. Dit is echter niet verplicht en sommige, meer ervaren, medewerkers nemen deze beslissing dan ook zelfstandig:
I: Maar in principe komt die vraag tijdens het voornemen aan de orde, als je ermee aan het worstelen bent en denkt: ik heb nog een aantal vragen, dan kun je iemand VA zenden?
R: Ja, ik ga geen voornemen schrijven terwijl ik zelf nog teveel vragen heb.
Daar kan ik niet achterstaan.
I: Nee. Ben je helemaal vrij om dat zelf te beslissen?
R: Ja
I: Dus daar hoeft niet iemand nog naar te kijken?
R: Godzijdank hoef je hier niet iedere scheet voor te leggen aan een senior.
I: Nee? Maar je weet hoe duur asielprocedures zijn.
R: Ja, maar iemand inwilligen is ook niet goedkoop hoor.
I: Nee, maar een belasting betalende…
R: Ja, ja, ja.
I: Dat is waar. Maar het is dus een keuze die je helemaal zelf hebt? R: Ja.4
Een andere optie is het inwinnen van deskundigenonderzoek. Ook ten aanzien van deze optie zeggen de meeste beslismedewerkers dat ze zich vrij voelen om deze beslissing zelf te nemen, maar dat ze in principe overleggen met een senior medewerker. Ik vond het opvallend dat veel medewerkers weinig tot geen ervaring hebben met het opstarten van dergelijk onderzoek. Ik vroeg onderstaande medewerker wanneer hij voor het laatst deskundigenonderzoek had ingesteld en hij gaf een veel gegeven antwoord:
R: Nee, kan ik me niet herinneren. Ik start ook niet zo vaak onderzoek op moet ik zeggen. Ik probeer dat zoveel mogelijk te beperken. Het vertraagt gewoon heel veel. Als ik kan beslissen probeer ik het gewoon.
I: De gevallen waarin je het dan toch instelt, zijn ze dan in jouw ogen dan cruciaal voor de beoordeling?
R: Ja, absoluut.5
Veruit de meest gebruikte strategie die beslismedewerkers in twijfelgevallen hanteren, is het voeren van overleg met een collega. De meeste beslismedewerkers zeggen, wellicht niet verassend, het vaakst te overleggen met hun kamergenoot. Daarnaast zeggen veel beslismedewerkers collega’s op te zoeken die in hun ogen in het algemeen goed zijn in hun werk:
I: Werk je bij het komen tot beslissingen veel samen met collega’s?
R: Als mijn room mate er is, hebben we het er wel altijd even over.
I: En met andere medewerkers.
R: Ja zo in het rookhok. Dan gaat het er over.
I: Maar je zoekt niet specifiek naar mensen om dingen mee te bespreken.
R: Sommigen meer dan anderen, sommigen vind je ook gewoon niet zo leuk.
I: Denk je dat de mensen met wie je het wel bespreekt, dat die zichzelf hetzelfde zouden positioneren als jij?
R: Daar zitten er wel een aantal van de harde lijn bij en een aantal zoals ik.
Maar ook echte softies… Het zijn mensen die ik gewoon hoog heb zitten.
I: En dat maakt niet uit van welke lijn ze zijn?
R: Nee, gewoon mensen waarvan ik denk, die schrijven goede beslissingen en daar ga ik dan langs.6
Ook zoekt men beslismedewerkers op die worden gezien als specialist op een bepaald gebied:
R: Uiteraard bespreek je het meest met je kamergenoot. We hebben ook mensen die zijn gespecialiseerd in bepaalde zaken, of die veel ervaring hebben met bepaalde zaken. Er is bijvoorbeeld een collega die veel weet van MVV-procedures, of iemand die veel bekeringen heeft gedaan, of Sri Lankaanse zaken.
I: Dan weet je wie je moet hebben.
R: Ja, dan zeg je ik heb nu dit en dit en ik ben niet zo zeker van kan ik dat zo pareren, of moet ik het op een andere manier doen. Zij hebben dan vaak die info wel ja.7
Sommige beslismedewerkers zeggen dat beslismedewerkers vooral overleggen met collega’s van wie ze weten dat ze een vergelijkbare rolopvatting hebben:
I: Ben je iemand die veel twijfelt of iemand die snel de knoop doorhakt?
R: Nee, ik hak wel snel de knoop door, wel afhankelijk van het onderwerp ga ik wel meer input halen bij de collega-medewerkers. Er wordt ook veel onderling overleg gepleegd. Van hoe zie jij dat? Ik zie dat zo, jij ook?
I: Wat zoek je dan?
R: Bevestiging van mijn eigen oordeel, als iemand dan een heel ander oordeel heeft, vraag ik hoe dat komt. Maar ik twijfel niet over mijn insteek ofzo. Ik zie mezelf toch best wel als iemand die op een eigen eilandje zit. Ik kom hier en doe wat ik moet doen en dan ga ik weer naar huis. Ik ben wel heel collegiaal hoor, maar ik ga niet de hele dag bij iemand anders zitten, behalve als ik iemand al een hele lange tijd niet heb gesproken. En omdat er ook een tijdsdruk op het werk zit, is daar ook geen tijd voor.
I: Maar je overlegt wel met anderen?
R: Ja, er is wel een vaste groep met wie ik dat doe hoor en dat is toevallig ook de rij hier op de gang.
I: Je eigen eilandje?
R: Ja zoiets. Als ik een beslissing heb geschreven, laat ik dat voor de volledigheid lezen. Ik hoef dat niet te doen, ik ben tekenbevoegd, maar je kunt wat gemist hebben. Maar dat doen we zelf.
I: Denk je dat die eilandjes verschillen? Als je één zaak zou voorleggen aan verschillende eilandjes?
R: Ja, tuurlijk
I: Waar zit het dan vooral in?
R: Ik heb geen flauw idee. Mijn eilandje is echt gericht op de feiten, op wat de betrokkene verklaart. En je hebt andere mensen, die, ik weet niet hoe ik dat moet zeggen. Maar ik weet niet of ze altijd toetsen volgens het beleid.
I: Ja, maar jouw groepje is prettig, snappen waar je vandaan komt.
R: Ja, ik vind dat je analytisch moet zijn, je kunt niet zomaar een beslissing schrijven, omdat je denkt, ik moet hem vandaag schrijven. Ik moet hem vandaag afdoen. Je moet gewoon je werk helemaal doorgronden, maar niet iedereen heeft dezelfde mentaliteit. Dat probeer ik te zeggen. Dat verschilt wel echt tussen medewerkers.8
Veel beslismedewerkers zeggen dat ze liever onderling overleg voeren, dan dat ze een zaak bespreken met een beleidsmedewerker van de IND van de Afdeling Uitvoeringsadvies, onderdeel van de Stafdirectie Uitvoeringsstrategie en Advies (zie ook hoofdstuk 3.2). Deze medewerkers zijn beschikbaar voor de beantwoording van vragen van beslismedewerkers, maar geven volgens een aantal beslismedewerkers niet altijd bruikbare antwoorden:
I: Wat zou je daar anders doen, wat mis je daar?
R: Ik vraag ze minder en minder, want het eerste wat ze dan zeggen is: wat denk je er zelf van. Dan denk ik, dan had ik niet bij jou hoeven komen. Soms geven we ook heel veel signalen, van dit kan zo niet. Dan zeggen ze: nee, nee, je moet toch afwijzen. Hebben jullie dan argumenten/bouwstenen. Die zijn dan bijna af, maar duurt het nog maanden. Ik krijg het dan niet voor elkaar om dan af te wijzen, maar inwilligen lukt ook niet, dus ik moet dan maar weer VAsturen.9
Als de beslismedewerkers er onderling niet uitkomen, zeggen zij de zaak voor te leggen aan een senior medewerker. Deze senior medewerkers zien het als hun taak om alleen in het uiterste geval knopen door te hakken in twijfelgevallen, maar zeggen de beslissing in principe over te laten aan de beslismedewerker. Zij zeggen wel mee te denken met die individuele beslismedewerker om hem te helpen om zelf tot een beslissing te komen.
Uiteindelijk eindigt iedere asielaanvraag in een beschikking. De meeste beslismedewerkers vertellen dat ze niet vaak twijfelen over de beslissing die ze moeten nemen, maar wel of die beslissing ook de juiste is gelet op wat er werkelijk is gebeurd. De meeste beslismedewerkers vertellen dat ze zich erbij hebben neergelegd dat ze de waarheid in een asielprocedure nooit zullen kennen. Deze medewerkers richten zich daarom op het toepassen van de regels. Als er twijfel blijft bestaan, maar deze ‘niet kan worden hard gemaakt’, zeggen de beslismedewerkers het voordeel van de twijfel toe te passen:
I: Je zei net: dat je af en toe wel twijfelgevallen hebt. Het is moeilijk om deze vraag te beantwoorden, maar welke mate van twijfel is voor jou acceptabel?
R: Nou eigenlijk vind ik twijfel helemaal niet acceptabel. Dat doe ik dan soms ook echt tegen mijn gevoel in. Ik moet nu inwilligen, want ik weet het gewoon niet zeker.
I: Dus dan moet je toch twijfel accepteren?
R: Ja, maar ik kan niet precies uitleggen wat de ene twijfel de ene kant op doet vallen en de andere twijfel de andere kant. Dat is een gewetensvraag. Dat, ja. Soms. Weet je, dat heeft ook te maken met de regels. Dat je zegt: ik moet nu de regels nu toepassen terwijl je weet dat het flut is. Maar goed, dat moet ook zo. In, zeg maar dat het echt een afweging van geloofwaardigheid is, dan valt de beslissing altijd de goede kant uit voor de klant, als ik twijfel blijf houden. 10
Als het een schrijnend geval betreft kan de beslismedewerker de zaak altijd voorleggen aan de staatssecretaris:
R: Ja, er komt altijd een beslissing. We hebben ook zaken, en dat vind ik eigenlijk een hele goede regeling, zaken waarvan we zeggen deze moeten we volgens het beleid afwijzen, kunnen niet inwilligen, maar menselijk gezien kun je deze mensen niet afwijzen. Die kunnen we voorleggen aan de staatssecretaris en die hakt de knoop door, dat vind ik ook een hele goede regeling.11
Sommige beslismedewerkers kiezen er daarnaast voor om, als zij vermoeden dat een asielzoeker eigenlijk wel voor internationale bescherming zou kwalificeren maar hij zijn aanvraag onvoldoende heeft kunnen onderbouwen, contact op te nemen met de advocaat van de asielzoeker:
I: En waarom draag je zo’n geval in plaats daarvan niet voor als schrijnende zaak?
R: Ik weet eigenlijk niet meer om welke zaak het ging hoor, moet ik eerlijk zeggen. Ik ben wel ook wel eens naar een advocaat gestapt, toen had ik eerst in mijn hoofd dat ik ging afwijzen. Toen werd ik 1 of 2 dagen later in mijn hoofd wakker met de gedachte: dat ga ik niet doen. Maar toen had ik wel even een zet van de advocaat nodig om mij van standpunt te doen laten veranderen. Toen heb ik de advocaat wel even een tip gegeven wat hij misschien nog even moest laten weten, zodat ik van mening kon veranderen.12
Samengevat kan worden gesteld dat beslismedewerkers zeggen altijd in staat te zijn om ervoor te zorgen dat een asielprocedure eindigt met een beschikking en in veruit de meeste gevallen nemen zij het besluit zelf. Als het niet binnen de AA lukt, voelen beslismedewerkers zich vrij de zaak door te verwijzen naar de VA. Zij zeggen dit slechts sporadisch te doen. Om in moeilijke gevallen tot een beschikking te komen, wordt vaak overlegd met collega’s. Soms wordt een zaak naar de VA gestuurd om aanvullende informatie te kunnen verzamelen of een deskundigenadvies in te winnen en in uitzonderingsgevallen wordt de beslissing overgelaten aan de staatssecretaris.