Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.5.1
5.2.5.1 De verzekerde sommen volgens de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400697:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De ECU is als rekeneenheid met de invoering van de Euro door deze valuta vervangen, waarbij een ECU gelijk is gesteld met een Euro.
Zie document COM(2002) 244 definitief, 2002/0124 (COD), p. 6 e.v.
Dat zou voor Nederland, dat deze laatste optie kent, een verhoging hebben betekend van € 907.560 naar dit laatste bedrag.
Het gaat om België, Finland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg (dit land niet alleen voor personenschade maar ook voor materiële schade), Malta en het Verenigd Koninkrijk. Van de EER-landen (geen lid van de EU maar de Richtlijn geldt daar wel) kent Noorwegen een onbeperkte dekking voor personenschade.
Zonder herverzekering - met name voor topschaden - is het een verzekeraar niet mogelijk om aan de - ook door de EU voorgeschreven - solvabiliteitseisen te voldoen.
Zie art. 5 lid 3 van de 2e Richtlijn. Wel was voorzien in geleidelijke optrekking van de minimum bedragen: op 31 december 1988 (de datum waarop de andere lidstaten de nieuwe verzekerde sommen moesten hanteren) zou Griekenland op minimaal 16% daarvan moeten zitten en op 31 december 1992 op 32%.
Document A5-0346/2003, d.d. 10 oktober 2003.
Document A5-0346/2003, definitieve tekst d.d. 22 oktober 2003.
COM(2004)0351 d.d. 30 april 2004.
Zie voor deze index Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake de geharmoniseerde indexcijfers van de consumentenprijzen, Pb. 1995, L 257/1, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad, Pb. 2003, L 284/1.
Zie voor deze interpretatie ook doc. Markt/2531/06-EN.
Arrest, rechtsoverweging 41. Zie par. 5.223. Portugal kende ten tijde van het ongeval in gevallen van risicoaansprakelijkheid een beperking van de minimale verzekerde som tot een bedrag dat onder de minimum bedragen in de 2e Richtlijn lag.
Arrest, rechtsoverweging 21. Zie par. 52.23.
De Bosch Kemper & Gruben, nr. 9.1, zeggen het precies omgekeerd, al komt dat wel op hetzelfde neer.
De Bureaus hebben hiervoor een regeling getroffen, die het hen mogelijk maakt toch tot die hogere wettelijk voorgeschreven of eventueel vrijwillig contractueel overeengekomen - dekking te regelen. Zie par. 62.4.2 onder b).
Advies over het voorstel voor een derde richtlijn van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven; advies van het Economisch en Sociaal Comité van 26 april 1989, Pb. 1989, C/159/7.
Zie ook Muyldermans, 2000, p. 260 e.v.
Deze vraag komt voort uit de formulering van de Richtlijn die (slechts) voorschrijft dat de polis dekking moet geven, maar niet expliciet stelt dat ook de waarborgfondsen en de Bureaus in hun met die van het waarborgfonds vergelijkbare functie van garant voor niet verzekerde voertuigen aan deze regeling gebonden zijn.
In 1972 houdt de EG zich nog niet bezig met de vraag of de door de nationale wetgever voorgeschreven minimum dekking wel adequaat is. Dat gebeurt eerst met de 2e Richtlijn in 1984, maar daarna blijft het ook lange tijd stil. De 2e Richtlijn introduceert minimumverzekerde sommen.
De wetgevers van de lidstaten hebben de keuze uit twee mogelijkheden. Zij kunnen opteren voor aparte 'fondsen' voor lichamelijk letsel en voor materiële schade. In dat geval dient de dekking voor lichamelijk letsel 350.000 ECU te bedragen in geval van een enkel slachtoffer en 500.000 ECU indien bij het ongeval meer slachtoffers betrokken zijn. Voor materiële schade bedraagt de verzekerde som 100.000 ECU. De andere optie is één enkel bedrag voor lichamelijk letsel en materiële schade tezamen. In dat geval dient de verzekerde som minimaal 600.000 ECU te bedragen.
Deze minimum bedragen zijn pas met de 5e Richtlijn aan de ontwikkelingen aangepast.1 Daartoe was ook wel aanleiding: niet alleen holt de normale inflatie zoals die wordt uitgedrukt in een algemeen prijsindexcijfer de nominale bedragen uit, het bedrag van de gemiddelde aansprakelijkheidsschade in het verkeer groeit zelfs sneller dan de inflatie.
Uit de cijfers die de Commissie in haar toelichting op het voorstel voor de 5e Richtlijn verschaft, valt af te leiden dat de normale inflatie in de Gemeenschap in de periode van 1984 tot 2002 ongeveer 173% heeft bedragen.2 De bedragen per schadegeval uit 1984 zouden daarmee in 2002 voor wat betreft personenschade minimaal moeten worden verhoogd tot € 605.500 (in geval van een enkel slachtoffer), respectievelijk € 865.000 (bij meer slachtoffers), en tot € 173.000 voor materiële schade. Landen die voor één enkel bedrag voor letsel en materieel tezamen opteerden zouden de minimum som op € 1.038.000 hebben moeten brengen.3
De nationale wetgevers hebben in die periode overigens niet stil gezeten. Blijkens hetzelfde Commissiedocument hebben acht lidstaten voor lichamelijk letsel een onbeperkte dekking ingevoerd. De Commissie noemt deze lidstaten niet bij naam.4
Het onderwerp van de verzekerde som in het kader van verplichte verzekeringen is een complex vraagstuk. Met verschillende, uiteenlopende belangen moet rekening worden gehouden. Benadeelden hebben op het eerste gezicht belang bij een zo hoog mogelijke som, bij voorkeur een onbeperkte dekking. Verzekeringnemers zouden het liefst een zo hoog mogelijk beschermingsniveau (dus een zo hoog mogelijke verzekerde som) zien, maar wel tegen een acceptabele premie. Verzekeraars hebben vooral belang bij calculeerbaarheid van het risico en bij zodanige sommen dat herverzekeringsdekking - ook op lange termijn - verkrijgbaar is.5
Daarbij komt het verschil in ontwikkeling van de nationale economieën van de lidstaten, een verschil dat met de uitbreiding van de EU met voormalige Oostbloklanden nog groter is geworden dan met de uitbreiding van de EU met Zuid-Europese landen in de jaren 70 en SO van de vorige eeuw al het geval was. Kreeg Griekenland in 1984 tot 1995 de tijd om haar verzekerde sommen tot het uiteindelijk voorgeschreven niveau op te trekken, bij de aanzienlijke aanpassing van de minimaal te verzekeren sommen met de invoering van de 5e Richtlijn is slechts in een overgangsperiode van 5 jaar voorzien.6 Ter vergelijking: de verzekerde sommen lagen in Litouwen tot 11 december 2009 nog op - omgerekend - € 0,5 miljoen per gebeurtenis voor personenschade en op € 100.000 voor schade aan zaken. Op die datum zijn deze bedragen aangepast tot de helft van de door de 5e Richtlijn voorgeschreven bedragen: per gebeurtenis € 2,5 miljoen voor schade aan personen, respectievelijk € 0,5 miljoen voor schade aan zaken; op 11 juni 2012 zullen deze bedragen weer worden verdubbeld en op het minimumniveau van de Richtlijn worden gebracht. Dat zijn andere verhogingen en kortere termijnen dan Griekenland in de jaren SO van de vorige eeuw werden gegund.
Vele verschillende minimumbedragen zijn bij de totstandkoming van de 5e Richtlijn de revue gepasseerd. Hetzelfde geldt voor de opbouw van de verzekerde som per ongeval.
Het oorspronkelijke richtlijnvoorstel van de Commissie noemde € 1 miljoen voor lichamelijk letsel per slachtoffer en voor materiële schade € 500.000 per ongeval, ongeacht het aantal benadeelden. Geen limiet derhalve per ongeval voor lichamelijk letsel en evenmin nog langer een mogelijkheid van een gecombineerd bedrag zoals Nederland dat kende.
In het Europees Parlement lag op het moment dat de Commissie haar voorstel publiceerde reeds een ontwerpresolutie voor, die voorzag in een bedrag van € 2 miljoen voor letselschade en materiële schade tezamen.
In de parlementaire behandeling in eerste lezing werd vervolgens een bedrag van twee maal € 10 miljoen voorgesteld: één maal voor personenschade en een tweede maal voor zaakschade. Amendement 3 betrekking hebbende op overweging 8 bis van de ontwerp-richtlijn luidt als volgt:
18 bis) Herziening van artikel 1, lid 2 van Richtlijn 84/5/EEG is na bijna 20 jaar dringend noodzakelijk. Onbeperkte dekking wordt door sommigen in de verzekeringsbranche van de hand gewezen met als argument dat een dergelijke onbeperkte dekking aanzienlijke balansrisico's met zich zou brengen. De hoogte van de minimumdekking bij lichamelijk letsel moet zodanig worden vastgesteld dat slachtoffers met zeer zware verwondingen voldoende bescherming genieten. Het zal buitengewoon zelden voorkomen dat bij een ongeval twee of meer personen zulk zeer zwaar letsel oplopen. Een minimumdekking van 10 miljoen EUR per ongeval lijkt daarom voldoende. Bij het bepalen van de minimumdekking voor materiële schade moet rekening worden gehouden met gevallen waarin massale schade kan ontstaan. Een minimumdekking van eveneens 10 miljoen EUR lijkt voldoende.'7
De uiteindelijk door het Parlement aangenomen tekst in eerste lezing laat echter een bedrag van € 5 miljoen per ongeval voor letselschade zien en daar bovenop een bedrag van € 2 miljoen voor materiële schade, zulks in verband met de mogelijkheid van massaschade.8
In het Gemeenschappelijk Standpunt (van de Raad), dat op de lezing in eerste aanleg van het Europees Parlement volgt als het Parlement het Commissievoorstel amendeert, wordt vervolgens het bedrag van ten minste € 5 miljoen voor personenschade per ongeval overgenomen.9 Als alternatief wordt de mogelijkheid geboden om een bedrag van minimaal € 1 miljoen per personenschadeslachtoffer voor te schrijven, ongeacht het aantal slachtoffers dat bij het ongeval betrokken is. Tenslotte wordt het minimum bedrag voor materiële schade gesteld op € 1 miljoen per ongeval.
Deze bedragen komen uiteindelijk ook in de Richtlijn terecht, zodat de lidstaten ten aanzien van personenschade de mogelijkheid hebben te opteren voor een bedrag van € 1 miljoen per slachtoffer (zonder limiet aan het aantal slachtoffers) of € 5 miljoen per ongeval (ongeacht het aantal slachtoffers); voor materiële schade dienen zij minimaal € 1 miljoen voor te schrijven.
De in het hierboven geciteerde amendement (8bis) voorkomende passage over de onwenselijkheid van onbeperkte dekking komt in de definitieve tekst van de Prembule bij de Richtlijn niet meer voor. Dat zou ook merkwaardig zijn: de mogelijkheid voor de lidstaten om een bedrag van € 1 miljoen per personenschadeslachtoffer voor te schrijven, zonder enige limiet per ongeval, impliceert immers - althans in theorie - een onbeperkte polisdekking.
De Europese wetgever heeft zich de sterk uiteenlopende economische ontwikkeling van de 25 toenmalige lidstaten van de EU gerealiseerd. Daarom biedt hij de lidstaten de mogelijkheid van een overgangsperiode. Vanaf de datum van omzetting van de Richtlijn in nationale wetgeving, uiterlijk 11 juni 2007, hebben de lidstaten een periode van maximaal 5 jaar, dus tot uiterlijk 11 juni 2012, om hun verzekerde sommen op het Europese minimum te brengen. Wel dienen zij de bedragen 30 maanden na de omzetting van de Richtlijn in nationale wetgeving op minimaal de helft van de uiteindelijke bedragen te brengen.
De Europese wetgever wil voorkomen dat de verzekerde sommen wederom door inflatie worden uitgehold. Daarom voorziet de Richtlijn in een inflatiecorrectie van rechtswege. Elke 5 jaar worden de verzekerde sommen aangepast aan de ontwikkeling van een Europees inflatiecijfer, bepaald volgens de ontwikkeling van de Europese index van de consumentenprijzen (EICP).10 De berekende bedragen worden afgerond op een veelvoud van € 10.000.
De eerste keer dat de bedragen aldus moeten worden geïndexeerd is, bij nauwkeurige lezing van de Richtlijn, 5 jaar na de datum waarop de laatste lidstaat die gebruik maakt van een overgangsperiode haar verzekerde sommen op het Europese minimum heeft gebracht. Zie de art. 9 lid 2 van de Richtlijn: "na 11 juni 2005 of na afloop van een eventuele overgangsperiode als bedoeld in lid 1, tweede alinea ..." (curs. FJB).11 Maakt geen enkele lidstaat van de mogelijkheid van een overgangsperiode gebruik, dan worden de bedragen voor het eerst in juni 2010 geïndexeerd, omdat de Richtlijn in werking is getreden op 11 juni 2005. Maakt enige lidstaat echter gebruik van de maximale overgangsperiode van 5 jaar na 11 juni 2007, dan wordt voor alle lidstaten de eerste indexatie uitgesteld tot juni 2017. Een aantal lidstaten heeft van de overgangsperiode gebruik gemaakt.
De noodzaak van toekomstige aanpassing van de in de Richtlijn opgenomen bedragen is hiermee niet weggenomen. De ontwikkeling van de gemiddelde schadebedragen in verband met verkeersongevallen kan afwijken van de normale inflatie en met deze ontwikkeling moet ook in de toekomst rekening worden gehouden. Maar de druk is wel wat minder geworden.
Uit het arrest-Mendes Ferreira12 van het Hof van Justitie volgt dat het de lidstaten niet vrij staat te bepalen dat de verzekerde som onder bepaalde omstandigheden lager is dan de in de Richtlijn voorgeschreven minima. Er zij daarnaast aan herinnerd, dat uit het arrest-Messejana Viegas13 volgt dat de lidstaten evenmin mogen bepalen, dat de bescherming die door de Richtlijn wordt geboden, wordt beperkt tot bepaalde vormen van aansprakelijkheid.
Naar omvang gezien bevat de Richtlijn een bepaling die het noodzakelijk maakt niet alleen naar de minimum verzekerde som in het land van het ongeval te kijken, maar ook naar die in de lidstaat waar het schadeveroorzakende voertuig gewoonlijk is gestald.
Art. 14 onder b) van de Richtlijn, voor zover hier relevant, luidt:
"De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle polissen in het kader van de verplichte wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot de deelneming aan het verkeer:
(...)
b) tegen betaling van diezelfde premie, in elke lidstaat de bij diens wet voorgeschreven dekking verschaffen, dan wel de dekking die wettelijk is voorgeschreven in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, indien laatstgenoemde dekking hoger is."14
In concreto: benadeelden bij een ongeval in Nederland, veroorzaakt door een gewoonlijk in Nederland gestald motorrijtuig staat een verzekerde som van € 5 miljoen terzake van letsel of dood ter beschikking en € 1 miljoen voor zaakschade, beide per gebeurtenis. Is echter een gewoonlijk in Finland gestald motorrijtuig voor de schade aansprakelijk te houden, dan is de dekking waarop het Nederlandse slachtoffer een beroep kan doen voor letsel onbeperkt en voor zaakschade € 3300.000. Het Nederlands Bureau zal dan - aangenomen dat de schade de Nederlandse verzekerde sommen overschrijdt - moeten regelen tot (maximaal) de hogere Finse sommen en voor die bedragen ook regres hebben op de Finse verzekeraar, c.q. het Finse Bureau.
Let wel: dit regime geldt alleen als het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat. Bij een schade veroorzaakt door een Andorraanse auto (een land dat geen lid is van de EU, maar waar de dekking voor letsel wel onbeperkt is) kan een Nederlands slachtoffer zich niet uit hoofde van de wet of de Richtlijn beroepen op die onbeperkte dekking en staat hem 'slechts' het bedrag van € 5 miljoen ter beschikking.15
Intussen is de formulering van art. 14 onder b) van de Richtlijn niet bijzonder helder. Zo wordt gesproken over 'de dekking' die is voorgeschreven (hetgeen ook op inhoudelijke aspecten van die dekking zou kunnen zien en niet slechts op de hoogte ervan), terwijl anderzijds de slotwoorden weer verwijzen naar de verzekerde sommen. Uit de wordingsgeschiedenis van de bepaling meen ik echter te mogen afleiden dat het slechts de bedoeling is geweest de verplichte verzekerde sommen te vergelijken en andere aspecten van de dekking buiten beschouwing te laten. De oorspronkelijke tekst van art. 2 van de 3e Richtlijn luidde:
"De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen opdat alle polissen in het kader van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot het gebruik van voertuigen:
(...)
tegen betaling van diezelfde ene premie, behalve de dekking die wettelijk voorgeschreven is in de lid-Staat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, op zijn minst ook de in elk van de andere Lid-Staten bij de wet voorgeschreven dekking verleent."
In zijn advies merkt het Economisch en Sociaal Comité (ECOSOC) op dat de Commissie er niet voor heeft gekozen voor te schrijven dat polissen, afgegeven in een lidstaat waar hogere bedragen zijn voorgeschreven, diezelfde hoge bedragen ook in de andere lidstaten dienen te bieden (curs. FJB).16 ECOSOC gaat er dus kennelijk van uit dat alleen de verzekerde som in de vergelijking moet worden betrokken en niet eventuele andere dekkingsaspecten (zoals bijvoorbeeld andere schadesoorten). De Commissie heeft de bepaling daarna aangepast en in deze aangepaste vorm, waarbij aan het slot de woorden "indien laatstgenoemde dekking hoger is" (curs. FJB) worden gebruikt, is de bepaling uiteindelijk in de 3e Richtlijn (en thans als art. 14 onderdeel b) van de Richtlijn) terecht gekomen.17 Het woord 'hoger' duidt erop dat het alleen om de verzekerde som gaat.
Niet alleen worden andere aspecten van de dekking dan de verplicht te verzekeren sommen niet in aanmerking genomen, a fortiori geldt dit voor eventuele ruimere aansprakelijkheden.
Dat lijkt de Nederlandse wetgever niet zuiver te hebben gezien bij het redigeren van art. 3a Wam: de dekking van de aansprakelijkheid in verband met gevaarlijke stoffen. Zie hierna, paragraaf 52.53.
De vraag of ook de Bureaus, de waarborgfondsen en de schadevergoedingsorganen aan dit stelsel zijn gebonden als zij garant staan voor schade veroorzaakt door niet verzekerde voertuigen komt aan de orde in de paragrafen 5.4.33, 5.5.6 en 5.6.2.2 en 5.63.2.18