Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/1.4
1.4 Probleemstelling in drie onderzoeksvragen
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977109:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commissie-De Rooy, Verleden, heden en toekomst, SLO 2001 en Onderwijsraad 2003.
De term longitudinaal duikt op in Nieuwe onderwijsvormen voor 5- tot 13- á 14-jarigen, Groningen: Wolters 1968, p. 74; zie: De Corte e.a. 1976, p. 141-142 (curriculumdevelopment).
Zoontjens 2019, p. 37-39; vgl. M. Vermeulen (vz) e.a., 2019, p. 22, 67.
Vgl. E. Geboers e.a., ‘Effecten van educatie op burgerschap van leerlingen in internationaal perspectief’, in: Peschar e.a. (red.) 2010, p. 279-280.
Zoontjens 2019.
Vgl. S. van Hoof, ’Wat betekent Curriculum.nu voor de toekomst van het economieonderwijs?’, TEO 2019, 2, p. 18-20.
VKLO, Kennisbasis godsdienst/levensbeschouwing RK, VKLO 2014, p. 11.
Curs.W. Onderwijsraad 2012, p. 18; H. Stoorvogel, ‘Alles is burgerschap’, M & P 2019, 01, p. 15.
Curs.W. Peschar e.a. 2010, p. 311-328.
C. Gelinck & H. Noordink, ´Dit is het moment! Waarom nu maatschappijwetenschappen invoeren?´, M & P 2016, 03, p. 22-25 en K. Vossen, ‘HUH, een syllabusherziening voor maatschappijkunde?’, M & P 2019, 02, p. 12-13. Zie voor filosofie: VFVO: Visie op filosofie & onderwijs, VFVO, z.p.
R.D. Putnam, ´Bowling alone. America's declining social capital´, Journal of Democracy, 1995, 6, (1) en Bowling alone: The Collapse and Revival of American Community, New York: Simon & Schuster 2000; vgl. Onderwijsraad 2014, Commentaar, ’Aanpak radicalisering is net zo’n taak als strijd tegen pesten’, Trouw, 24 januari 2015, SLO hanteert de BUG-analyse, zie P. de Jong, ‘Leraren willen meer inhoudelijke sturing’, Didactief 2014, 3, p. 9-10, K. Maas & M. Vermeulen, ‘De impact van onderwijsprogramma's: via kennis en attitude, naar praktijk’, TEO 2016, 6, p. 36-37, K. Bouma, ’Lessen over normen en waarden onder de maat’, De Volkskrant, 8 februari 2017 en C. Gelinck & L. Meijs, ’Binding, toegepast op de context natievorming en rol van de staat’, M & P 2016, 7, p. 20-21 (vwo-maatschappijwetenschappen).
H. Nieuwelink, ’Ontwikkelen van jonge democraten. Denkbeelden over democratie-deel 1’, M & P 2016, 03, p. 10-11 en ‘Opleidingsniveau en burgerschap. Denkbeelden over democratie-deel 2’, M & P 2016, 04, p. 12-13; vgl. L. Meijs, ’Cognitief model is waardevol. Onderzoek naar denkvaardigheden werpt eerste vruchten af’, M & P 2017, p. 18-19 en SLO, Startnotitie Burgerschap: meewerken aan het onderwijs van morgen, SLO 2018.
Zie voor sociaal: Van Peype 1965, p. 21-22.
G. ten Dam, F. Geijsel & G. Ledoux, ’Burgerschapscompetenties: de ontwikkeling van een meetinstrument’, PS 2011, p. 313 e.v.; vgl. F. Benkaddour, ’Maak mensen, geen schapen en wolven’, M & P 2014, 03, p. 23 en H. Nieuwelink, ’Politiek ingroeien. Ontwikkeling van burgerschapscompetenties van leerlingen’, M & P 2020, 05, p. 16-17.
Een kennisbasis vormt een beschrijving van te verwerven kennis, vaardigheden, houdingen en gedragingen in een vak- of vormingsgebied.
Peschar e.a. 2010, p. 51; vgl. spiritualiteitsvorming: F. Maas, ’Spiritualiteit in het leerproces’, in: Te Velde & Goris (red.) 2009, p. 36 en R. van den Boorn, ’Persoonsvorming – een taak voor maatschappijleer?’, Vijftig jaar maatschappijleer, NVLM, 2020, p. 70-71.
De eerste onderzoeksvraag brengt de geschiedenis en huidige stand van zaken wat betreft (curriculum)posities en curricula van de burgerschapsvormende kennisgebieden en vakken in beeld (ius constitutum).1 De wording van het kennisgebied staatsinrichting (Wpo, Wec) en de vakken geschiedenis en staatsinrichting, en maatschappijleer (Wvo) kan licht werpen op de (curriculum) posities en de grondstof vormen voor een herkenbare inbedding in de curricula van democratisch (actief) burgerschap in een doorlopende leerlijn met een kennisbasis2, in de vorm van een: (a) beginsel (doelbepaling), (b) thema3 en (c) kennisgebied en vak burgerschap.4 Staatsinrichting, recht (tot 2005) en maatschappijleer vormen materieel complementaire vakken als bestanddelen van de generieke of algemene burgerschapsvorming.
De tweede onderzoeksvraag brengt de factoren in kaart die burgerschapsvorming op school legitimeren en de ruimte omschrijven die de wetgever toekomt binnen de grenzen en reikwijdte van artikel 23 Gw en de democratisch-rechtsstatelijke vereisten.5 De vraag is in welke mate en omvang de normatieve democratietheorieën, de pedagogische opdracht van het onderwijs en de (inter)nationale rechtsbeginselen en -normen legitimatie aan de codificatie van burgerschapsvorming kunnen verschaffen.
De derde onderzoeksvraag levert een proeve van codificatie van een - mede op basis van de ontwikkeling van kennisgebieden (Wpo, Wec) en vakken (Wvo) - doelgerichte en samenhangende burgerschapsvorming met een kennisbasis in doorlopende leerlijn. Deze bestaat uit 1. een wijziging van de algemene doelbepaling van de burgerschapsopdracht, 2. de invoering van thema's in vakken, waaronder het in te voeren keuzevak rechtswetenschap, en uit 3. de invoering van een kennisgebied en vak burgerschap (ius constituendum).
Kennisgebied in doorlopende leerlijn burgerschap
Burgerschapsvorming vraagt als grondslag een kennisbasis als een hiërarchisch gelaagd systeem van concepten6 en contexten.7 De Onderwijsraad bepleit in Verder met burgerschap in het onderwijs (2012) de vastlegging van een leerlijn burgerschap8, zoals Peschar e.a. in 2010 een kennisbasis in Scholen voor burgerschap voorstelt.9 Een kennisbasis in doorlopende leerlijn zou de lappendeken van de kennisgebieden en vakken voor burgerschap ‘van jong kind tot puber’ moeten vervangen. De invoering van de thema’s in andere vakken, en niet exclusief in maatschappelijke vakken10, zou moeten worden gevolgd door de codificatie van een kennisgebied of vak burgerschap en een keuzvak rechtswetenschap op vwo/havo.
Om verbindend democratisch burgerschap11 te kunnen bereiken is toerusting van leerlingen nodig met enerzijds: (a) kennis van de beginselen en kernwaarden van de democratische rechtsstaat en de mensen- en kinderrechten12 en (b) sociale vaardigheden in de wettelijke opdracht13 en tenslotte (c) attitudes als burgerzin en politieke betrokkenheid in de schooleigen invulling.14
Probleemstelling
Op welke wijze heeft burgerschapsvorming zich in het funderend onderwijs ontwikkeld en gelegitimeerd, en hoe kan burgerschapsvorming binnen de constitutionele grenzen doelgericht en samenhangend gecodificeerd worden?
Onderzoeksvragen:
Hoe heeft burgerschapsvorming zich in de sectorwetten ontwikkeld (ius constitutum)?
Welke factoren legitimeren burgerschapsvorming binnen de grenzen van artikel 23 Gw en de democratisch-rechtsstatelijke vereisten? c) Kan vorming tot democratisch burgerschap doelgericht en samenhangend vastgelegd worden in de sectorwetten als (1) beginsel, (2) thema en (3) kennisgebied en vak burgerschap (ius constituendum)?
De eerste onderzoeksvraag ziet dus op de wijze, waarop de posities, curricula en examenprogramma's staatsinrichting, recht en maatschappijleer in de loop der jaren zijn vastgelegd (wat). De tweede vraag ziet op de legitimerende factoren voor burgerschapsvorming binnen de vrijheid van onderwijs (artikel 23 Gw) en de grenzen van de democratische rechtsstaat (waarom en tot hoever). De derde vraag richt zich op de wijze, waarop burgerschapsvorming met kennisbasis15 in een doorlopende leerlijn als beginsel, thema en kennisgebied en vak is in te richten voor een optimale sociale leeropbrengst (hoe).16