Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.1.2:10.4.1.2 Betrouwbaarheid
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.1.2
10.4.1.2 Betrouwbaarheid
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip betrouwbaar komen we slechts op enkele plaatsen in de wet tegen (in art. 142, 216, 226e, 226h en 226q Sv).
HR 14 december 1992, NJ 1993/54, zie ook HR 23 september 2008, NJ 2008/425.
Zie ook § 2.5.1.
HR 17 maart 1998, NJ 1998, 798, m.nt. Reijntjes.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechter die heeft vastgesteld dat een getuigenverklaring voldoet aan de vereisten van artikel 342 eerste lid, dient te kijken of de getuigenverklaring betrouwbaar is. Het begrip betrouwbaar wordt door de wet niet uitdrukkelijk als toetsingsmaatstaf genoemd.1 De Hoge Raad heeft echter bepaald dat een getuigenverklaring ‘door de rechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd’.2 De Hoge Raad geeft niet aan wat hij onder het begrip betrouwbaar verstaat. De zinsnede ‘betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid’ lijkt in dit verband dubbelop. Dat de getuigenverklaring naar het oordeel van de rechter overeenkomstig de waarheid is afgelegd zou vanuit een perspectief van waarheidsvinding voldoende moeten zijn. Mogelijk heeft de Hoge Raad bedoeld dat de verklaring naast overeenkomstig de waarheid, ook consistent moet zijn.3 Daarbij lijkt de Hoge Raad niet te doelen op de verklaring als geheel, maar op de concrete beweringen waarop de bewijsbeslissing wordt gestoeld. Hoewel niet duidelijk is wat de Hoge Raad precies met betrouwbaarheid bedoelt, is wel duidelijk dat het begrip als toetsingsmaatstaf fungeert, daar dit begrip in de jurisprudentie van de Hoge Raad telkens terugkomt als het gaat om de waardering van (getuigen)verklaringen.
De vraag naar de ‘betrouwbaarheid’ van getuigenverklaringen komt – analytisch gezien – op twee momenten in de beoordeling van de rechter aan de orde, meer abstract bij de vraag of een bewering te gelden heeft als een getuigenverklaring in de zin van de wet en meer concreet bij de daaropvolgende inhoudelijke waardering van de afgelegde verklaring. Voor de inhoudelijke waardering van de verklaring biedt de wet zelf geen aanknopingspunten. Noch in de wet, noch in de jurisprudentie zijn uitdrukkelijk criteria geformuleerd aan de hand waarvan de betrouwbaarheid nader moet worden getoetst. De rechter wordt geheel vrijgelaten in de waardering van de betrouwbaarheid en de bewijswaarde die aan een individuele verklaring wordt toegekend.
In de jurisprudentie is slechts één absoluut ‘bewijsverbod’ geformuleerd en dat betreft verklaringen afgelegd onder hypnose. Als reden dat onder hypnose afgelegde verklaringen niet voor het bewijs worden gebruikt, noemt de Hoge Raad onder meer:
‘dat naar huidige wetenschappelijke inzichten geen zekerheid bestaat omtrent de objectieve betrouwbaarheid van onder hypnose afgelegde verklaringen, maar tevens dat in het algemeen aan de betrouwbaarheid van dergelijke verklaringen moet worden getwijfeld en dat de mogelijkheid om in een concreet geval tot een verantwoord oordeel te komen omtrent het waarheidsgehalte van een onder hypnose afgelegde verklaring ontbreekt. Bij die stand van zaken moet aan een dergelijke verklaring bewijskracht worden ontzegd.’4
De Hoge Raad koppelt in deze overweging de betrouwbaarheid van de verklaring uitdrukkelijk aan de bewijskracht (in de zin van bewijswaarde). De Hoge Raad acht verklaringen afgelegd onder hypnose kennelijk zo onbetrouwbaar dat hen geen bewijskracht mag worden toegekend, ook niet wanneer de inhoud van de verklaring wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit type verklaringen wordt categorisch uitgesloten van het bewijsgebruik op grond van de omstandigheden waaronder de verklaring tot stand is gekomen.