Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.3.1.1
10.3.1.1 Verhouding tot de belastingverdragen
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389903:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
Commentaar op art. 23A OESO-modelverdrag (2017), paragraaf 55-56. In het OESO-commentaar op art. 23A en 23B (paragraaf 8, slot) is meer in algemene zin bevestigd dat deze bepalingen geen beperkingen opleggen aan de bronstaat (i.e. alleen voorschrijven hoe de woonstaat dubbele belastingheffing dient te voorkomen).
Dit geldt ook buiten het kader van de bilaterale belastingverdragen. Meer in algemene zin vormt het toepassen van een progressievoorbehoud ten aanzien van de buitenlandse inkomsten van een niet-inwoner geen inbreuk op de fiscale soevereiniteit die de staten wederzijds moeten erkennen gelet op het volkenrecht. Zie in dit verband ook paragraaf 2.2.
HR 31 januari 2014, 12/02201, ECLI:NL:HR:2014:167, BNB 2014/77 en HR 31 januari 2014, 12/05227, ECLI:NL:HR:2014:168, BNB 2014/78.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2012, 12/00019, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9925. Zie in dit kader tevens Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2012, 11/00482, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1115 waarin het overigens geen OESO-conform belastingverdrag betrof. Deze uitspraken werden nadien gecasseerd door de Hoge Raad (zie vorige voetnoot). Hoewel dit Nederlandse rechtspraak betreft, vormt dit een indicator voor eventuele (uiteenlopende) oordelen van rechters van andere lidstaten ten aanzien van gelijkluidende (OESO-conforme) belastingverdragen.
Het toepassen van een progressievoorbehoud ten aanzien van het buitenlandse inkomen van niet-inwoners is verenigbaar met de (OESO-conforme) belastingverdragen. In dit kader is van belang dat hoewel deze inkomsten exclusief ter heffing zijn toegewezen aan de woonstaat (‘slechts belastbaar’ zijn in die staat), dit voor de bronstaat geen beletsel vormt om de inkomsten in aanmerking te nemen voor de vaststelling van het toepasselijke belastingtarief. Dit is tevens expliciet opgemerkt in het OESO-commentaar op art. 23A (vrijstellingsmethode ter voorkoming van dubbele belasting):
“55. The 1963 Draft Convention reserved expressly the application of the progressive scale of tax rates by the State of residence (…). According to paragraph 3 of Article 23 A, the State of residence retains the right to take the amount of exempted income or capital into consideration when determining the tax to be imposed on the rest of the income or capital. (…) This principle of progression applies to income or capital exempted by virtue of paragraph 1 of Article 23 A as well as to income or capital which under any other provision of the Convention ‘shall be taxable only’ in the other Contracting State (…). This is the reason why, in the 1977 Model Convention, the principle of progression was transferred from paragraph 1 of Article 23 A to a new paragraph 3 of the said Article, and reference was made to exemption ‘in accordance with any provision of the Convention’.
56. Paragraph 3 of Article 23 A relates only to the State of residence. The form of the Article does not prejudice the application by the State of source of the provisions of its domestic laws concerning the progression.”1
Vanuit het internationale belastingrecht bestaan mijns inziens geen principiële juridische bezwaren tegen het hanteren van een progressievoorbehoud ten aanzien van het buitenlandse inkomen van niet-inwoners; dit vormt geen inbreuk op de verdeling van de belastingjurisdictie tussen de staten.2 Ook de Hoge Raad heeft bevestigd dat de Nederlandse belastingverdragen zich niet verzetten tegen het aldus bepalen van het toepasselijke tarief voor belastingplichtigen die inwoner zijn van een andere verdragsstaat.3 Het is echter niet ondenkbaar dat in bepaalde lidstaten de belastingverdragen in andere zin zouden worden uitgelegd, waarbij voor de tariefstoepassing in beginsel toch geen rekening mag worden gehouden met het inkomen dat exclusief ter heffing is toegewezen aan een andere staat. Dit mede gezien eerdere uitspraken van lagere rechters in Nederland die een OESO-conform belastingverdrag in deze zin hadden uitgelegd.4 Indien hiervan sprake mocht zijn, dan verdient het aanbeveling dat de desbetreffende lidstaten hun belastingverdragen zouden wijzigen, zodat het progressievoorbehoud alsnog kan worden geëffectueerd ten aanzien van niet-inwoners. Hierbij zou het multilateraal instrument een rol kunnen vervullen om dit op korte termijn te bereiken.