Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.6.4
IV.3.6.4 Rechtsgelijkheid
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460440:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook kritisch over de ongelijke positie van bestuurders ten opzichte van andere (leidinggevende) werknemers, Strik 2020, p. 107.
In deze zin Van Schilfgaarde 2017, p. 491; Bartman 2014, p. 723; Westenbroek 2017, p. 417-418.
Naar aanleiding van het beroepsaansprakelijkheid-arrest wijst Maeijer erop dat ook bij de advocaat in kwestie de fout kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, en dat er ook een maatschappelijk belang is dat advocaten hun beroep kunnen uitoefenen zonder dat ze geleid worden door angst. Meijer 2016, p. 441 e.v. In deze zin ook Tjittes 2017, p. 379. Cf. Hammerstein 2017, p. 381 e.v.
Instemmend, Westenbroek 2016b, par. 4.6.
Hiervoor heb ik betoogd dat de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad niet te verenigen is met het systeem der wet. Maar ook al zou de wet wél de ruimte bieden voor de brede toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf, dan zou dit mijns inziens niet de toets van rechtsgelijkheid kunnen doorstaan. Veel argumenten die – voor zover al valide – worden gebruikt om de uitzonderingspositie van bestuurders te rechtvaardigen, gaan immers ook op voor andere groepen en personen.
Bijvoorbeeld, volgens sommige auteurs is de toepassing van de ernstig verwijtmaatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid gerechtvaardigd, omdat de gedragingen van de bestuurder kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Echter, zoals toegelicht in paragraaf IV.3.3.2 kunnen ook de gedragingen van niet-bestuurders (zoals die van uitvoerende werknemers) worden toegerekend aan de rechtspersoon. Toch kan deze groep geen beroep doen op de ernstig verwijt-toets; zij blijven jegens derden hoofdelijk aansprakelijk voor hun eigen onrechtmatige gedragingen.1 Als voor bestuurders wél maar voor andere werknemers niét de mogelijkheid om een gedraging toe te rekenen aan de rechtspersoon doorslaggevend is voor de toepassing van een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime, dan is er sprake van rechtsongelijkheid. Net zo kan de vraag worden gesteld waarom de ernstig verwijt-maatstaf wel wordt toegepast bij vennootschappen, en niet bij commerciële ondernemingsvormen die géén rechtspersoon zijn, zoals de eenmanszaak en de vof.2 Het onderscheid lijkt arbitrair.
Een ander voorbeeld: in paragraaf IV.3.4 heb ik het bange bestuurdersargument bestudeerd. De gedachte achter dit argument is dat een restrictief aansprakelijkheidsregime voor bestuurders nodig is om onwenselijk defensief gedrag te voorkomen. Ik heb vraagtekens gezet bij de aannames waarop dit argument gebaseerd is, maar zelfs als het zou kloppen, zou het argument nog steeds geen goede onderscheidingsgrond zijn voor de toepassing van de ernstig verwijttoets. Er zijn immers ook andere beroepsbeoefenaren waarvan risicomijdend gedrag onwenselijk zou zijn. We willen bijvoorbeeld ook geen ‘bange advocaten’3 of ‘defensieve dokters’, dus in dat opzicht zijn bestuurders niet uniek. Toch wordt voor de aansprakelijkheid van deze beroepsbeoefenaren niet afgeweken van de onrechtmatige daad.
Verder is in paragraaf IV.3.5 gebleken dat bestuurders niet de enigen zijn aan wie beleidsvrijheid toekomt, en dat het risico op hindsight bias geen uniek probleem is voor bestuurdersaansprakelijkheid. Er zijn ook andere beroepsbeoefenaren – zoals curatoren en officiers van justitie – die lastige beslissingen moeten nemen op basis van incomplete informatie aan wie bij het nemen van die beslissingen de nodige beleidsvrijheid toekomt. De persoonlijke aansprakelijkheid jegens derden van deze groepen verloopt via de gewone vereisten van de onrechtmatige daad.
Bestuurders van rechtspersonen en daaraan gelijk gestelde functionarissen zijn voor zover ik kon nagaan de enigen voor wie (zonder een daarvoor bedoelde wettelijke uitzondering) wordt afgeweken van de gewone vereisten van 6:162 BW. Ik heb geen steekhoudende argumenten kunnen vinden voor deze status aparte van bestuurders.4 Bestuurders zijn minder uniek dan de ernstig verwijt-doctrine doet vermoeden, de uitzonderingspositie lijkt arbitrair. De ‘rechtspolitieke keuze’ om bij externe bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad de ernstig verwijt-maatstaf toe te passen, is daarom mijns inziens niet alleen in strijd met het systeem der wet, maar ook met het beginsel van rechtsgelijkheid.