Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.5.2
9.5.2 De SER over de enquêtebevoegdheid van vakbonden in concernverhoudingen
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373444:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 16 april 1987, NJ 1988/183 (Stolk). Zie GS Rechtspersonen/P.G.F.A. Geerts, art. 347 Boek 2 BW, aant. 3 (online bijgewerkt tot 1 augustus 2004).
SER-advies 1989/21, p. 12.
SER-advies 1989/21, p. 13.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 10.
Aldus de SER onder verwijzing naar de hiervoor besproken Stolk-beschikking, waarin de OK de mogelijkheid erkent dat een onderneming door twee of meer concerngenoten gezamenlijk in stand wordt gehouden. Zie SER-advies 1989/21, p. 14.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 10.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 14.
Het is de Stolk-beschikking uit 1987 waarin de concerndimensie van het enquêterecht van vakbonden voor het eerst aan de orde komt.1 In deze zaak verklaart de OK vakbond Vervoersbond FNV ontvankelijk voor zover het enquêteverzoek betrekking heeft op de Personeels BV. Zij verklaart het verzoek niet ontvankelijk voor zover het ziet op de werkmaatschappijen, omdat bij deze vennootschappen geen leden van de vakbond in dienst zijn. De OK oordeelt dat de concernvennootschappen in dit geval niet te beschouwen zijn als één onderneming, zodat de enquête zich niet kan uitstrekken tot alle vennootschappen.
De SER is in zijn advies 1989/21 van mening dat de uitkomst van de Stolk-beschikking onbevredigend is. De SER verdedigt dat voor enquêtebevoegdheid voldoende is dat een vakbond leden heeft onder de personen die werkzaam zijn in de onderneming van de rechtspersoon. De SER meent dat een persoon in ieder geval geacht moet worden werkzaam te zijn in de onderneming van zijn formele werkgever.2 In Stolk waren de betrokken vakbondsleden volgens de SER derhalve ‘werkzaam’ zowel in de onderneming van de betrokken werkmaatschappijen als in die van de personeels BV. Dit maakt de vakbond bij beide rechtspersonen enquêtebevoegd.3
De staatssecretaris sluit zich in de memorie van toelichting op de Aanvullingswet van 1994 aan bij deze zienswijze van de SER. Hij meent dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de enquêtebevoegdheid van vakbonden in een dergelijk geval te beperken tot personeels BV’s.4 De Stolk-situatie heeft zich tot op heden overigens niet opnieuw voorgedaan in jurisprudentie.
Een vakbond kan ook zonder dat sprake is van een personeels BV, enquêtebevoegd zijn bij de moedervennootschap van de vennootschap in wier onderneming de vakbondsleden werkzaam zijn. De SER besteedt in zijn advies 1989/21 tevens aandacht deze situatie. De SER merkt op dat het beleid van de moedervennootschap in hoedanigheid van aandeelhouder reeds valt onder het beleid van de dochtervennootschap en daarmee onder het bereik van een enquête bij de dochtervennootschap. Het gaat hier derhalve niet om de situatie waarin de moedervennootschap zich uitsluitend gedraagt als een meerderheidsaandeelhouder (belegger) in de aandeelhoudersvergadering van de dochtervennootschap. De SER doelt op de situatie waarin de moedervennootschap een dusdanig dominerende invloed uitoefent op de dochtervennootschap dat deze financieel en economisch feitelijk (nagenoeg) volledig afhankelijk is van de moedervennootschap. In een dergelijk geval acht de SER het aannemelijk dat de moedervennootschap de onderneming van de dochtervennootschap mede in stand houdt. De vakbond die leden heeft onder het in die onderneming werkzame personeel, is derhalve bevoegd een enquête te verzoeken naar het (financiële) beleid van de moedervennootschap ten aanzien van de dochtervennootschap.5
De staatssecretaris sluit wederom aan bij de SER. Uit de memorie van toelichting op bovengenoemde Aanvullingswet blijkt dat hij ruimte ziet voor enquêtebevoegdheid bij de moedervennootschap indien de zij het beleid en de gang van zaken van de dochtervennootschap geheel of in sterke mate bepaalt. De moedervennootschap en dochtervennootschap zijn in dat geval zo nauw met elkaar verbonden dat moet worden aangenomen dat de moedervennootschap en dochtervennootschap de onderneming gezamenlijk in stand houden. Onder deze omstandigheden acht de staatssecretaris enquêtebevoegdheid van de vakbond bij de moedervennootschap wenselijk en ook mogelijk gezien de huidige wettekst.6
Van belang is nog dat de twee door de SER behandelde concernsituaties volgens de staatssecretaris niet uitputtend zijn. Het is volgens hem goed denkbaar dat de rechtspraak van de OK zich verder ontwikkelt naar andere concernsituaties. In welke situaties en onder welke omstandigheden dat mogelijk zal zijn is een vraag die de OK moet beantwoorden. “De wetgever kan daarop niet vooruitlopen”, aldus de staatssecretaris.7
De OK volgt de zienswijze van de SER en de staatssecretaris nadien in grote lijnen. In een aantal beschikkingen past zij de enquêtebevoegdheid van vakbonden in concernrechtelijke zin toe. Daarbij benut zij de door de staatssecretaris geboden ruimte door ook onder andere omstandigheden een concernonderzoek te gelasten.