Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.3
2.3 De functie van het eigendomsvoorbehoud in de literatuur
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396121:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Schoordijk 1959, passim, Schoordijk 1963, p. 401, Schoordijk 1971, p. 458, Brahn 1974, p. 12, voetnoot 3, Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 171 en p. 359, F.H.J. Mijnssen, ‘Bezitloos en stil pandrecht in het NBW’, Advocatenblad 1981, p. 385, Brahn 1983, p. 117, Brahn 1984, p. 9, Van Mierlo 1984, p. 275, voetnoot 10, Vriesendorp 1985a, p. XV, Mezas 1985, p. IX, p. 101, p. 130, Schoordijk 1986, p. 314, Bruijn & Maas 1990, p. 688, Verstijlen & Vriesendorp 1994, p. 519-520, Faber & Van Hees 1994, p. 194, Zwalve 1995, p. 393, Van Hees 1997, p. 58-59, Van den Heuvel 2004, p. 188, Zwalve 2006, p. 201-202, Bartels 2007, p. 18, voetnoot 52, Faber 2007, p. 36, voetnoot 8, Struycken 2007, p. 568, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 498, Steneker 2012, nr. 2, Reehuis 2013, nr. 23 en nr. 37, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 568, Verstijlen 2013, nr. 1, Kortmann 2014, p. 239, Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 2, Wibier 2016, p. 212-214, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 533 en Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 8.
Schoordijk 1963, p. 401, Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 359 en p. 364, Molenaar 1985, p. 24 en Van den Heuvel 2004, p. 188.
Vgl. V.V. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 727.
Zie bijv. T.M., Parl. Gesch Boek 3 BW, p. 317: ‘Wie een goed tot zekerheid van een schuld wil overdragen, moet een pandrecht vestigen’ en M.v.A. II., Parl. Gesch Boek 3 BW, p. 388: ‘Deze [ratio van het fiduciaverbod; toevoeging EFV] ligt in de gedachte dat de in die bepaling bedoelde overdrachten tot zekerheid voor een schuld aan de verkrijger in beginsel meer recht zouden verschaffen dan zijn belang rechtvaardigt.’ Zie uitgebreid over de ratio van het fiduciaverbod in hoofdstuk 9, paragraaf 9.5.
Brahn 1974, p. 12, voetnoot 3, Zwalve 1995, p. 393 en Wibier 2016, p. 214. Zie ook Schoordijk 1959, p. 75- 76 die spreekt van een ‘merkwaardige divergentie’ als een rechtsstelsel geen eigendomsoverdracht tot zekerheid toestaat, maar het eigendomsvoorbehoud wel toelaatbaar acht.
Molenaar 1985, p. 24, Struycken 2007, p. 568-569 en Wibier 2016, p. 209-215. In die richting ook Van den Heuvel 2004, p. 193-198. Zie voor vergelijkbare pleidooien in Duitsland Wieacker 1938, p. 590-594, Blomeyer 1939, p. 186 e.v. en Hübner 1980, p. 729-735.
Molenaar 1985, p. 24, Struycken 2007, p. 568-569 en Wibier 2016, p. 212-213.
Gschnitzer 1963, p. 26, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 27, Riedler 2012, p. 246-247, Koziol & Welser/Kleteoka 2014, p. 457 en Iro 2016, p. 164. Vgl. ook Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 19.
Hübner 1980, p. 733-734, Bürgermeister 1996, p. 98-101, Häsemeyer 2003, p. 259 en Uhlenbruck/ Brinkmann 2015, § 47 InsO, Rn. 25.
In de Nederlandse literatuur wordt het eigendomsvoorbehoud dikwijls omschreven als een zekerheidsrecht of als een door de wet toegelaten vorm van zekerheidseigendom.1 Deze kwalificatie volgt uit het feit dat het eigendomsvoorbehoud door veel auteurs, veelal zelfs impliciet, wordt gezien als een middel waardoor de verkoper zekerheid kan verkrijgen voor de betaling van de verschuldigde koopprijs door de koper. De gedachte is dat de verkoper krediet verschaft door genoegen te nemen met de latere voldoening van de koopprijs en tot zekerheid van de betaling van de koopprijs zijn eigendomsrecht voorbehoudt. De voorbehouden eigendom is in deze benadering een met een pandrecht vergelijkbaar zekerheidsrecht voor de voldoening van de koopprijs. Het eigendomsrecht secureert de vordering tot betaling van de verschuldigde prestatie, waarvan de overdracht door middel van een opschortende voorwaarde afhankelijk is gemaakt. Zodra de verschuldigde prestatie is voldaan, verliest de verkoper door het intreden van de voorwaarde zijn eigendomsrecht en wordt de koper (onvoorwaardelijk) eigenaar. Daarmee vertoont het eigendomsvoorbehoud volgens sommigen een functionele gelijkheid met het pandrecht of de onder het oude recht gebruikelijke zekerheidsoverdracht, welke beide figuren ook dienen tot zekerheid voor een vordering.2
Deze visie op het eigendomsvoorbehoud roept een aantal vragen op. Het pandrecht kent een uitgebreide wettelijke regeling, die er onder meer toe strekt de schuldenaar en diens schuldeisers te beschermen, bijvoorbeeld door het toeeigeningsverbod en de verplichting tot afdracht van overwaarde.3 De zekerheidsoverdracht heeft de wetgever met het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW) willen uitbannen, omdat het eigendomsrecht volgens de wetgever niet als zekerheidsrecht behoort te fungeren.4 Als het eigendomsvoorbehoud inderdaad een met het pandrecht of de onder het oude recht gebruikelijke zekerheidsoverdracht vergelijkbare functie vervult, is het de vraag hoe het eigendomsvoorbehoud zich verhoudt tot de ratio van het fiduciaverbod en de achtergrond van de voor pandrecht geschreven regels. In dat geval laat zich de vraag stellen of de koper onder eigendomsvoorbehoud en diens schuldeisers bij het eigendomsvoorbehoud niet op een vergelijkbare wijze zouden moeten worden beschermd. Door sommige auteurs is dan ook – onder meer onder verwijzing naar de hiervoor beschreven functionele benadering – bepleit dat de bepalingen die gelden voor pandrecht overeenkomstig moeten worden toegepast op het eigendomsvoorbehoud.Schoordijk 1959, p. 1, Schoordijk 1971, p. 460, Zwalve 1995, p. 393, (voorzichtig) Van den Heuvel 2004, p. 192, Struycken 2016, p. 184 en Loof 2016, p. 822.
Ook zou men de vraag kunnen stellen of het eigendomsvoorbehoud niet afgeschaft zou kunnen of moeten worden, omdat het eigendomsvoorbehoud in deze benadering minst genomen op gespannen voet staat met het fiduciaverbod, dat immers het gebruik van het eigendomsrecht als zekerheidsinstrument beoogt te voorkomen. In de literatuur is door meerdere auteurs gesignaleerd dat het eigendomsvoorbehoud een zekere spanning vertoont met het fiduciaverbod.5 Sommigen hebben daaraan de conclusie verbonden dat het eigendomsvoorbehoud afgeschaft zou moeten worden.6 In die visie is het eigendomsvoorbehoud niets meer dan een vuistloos zekerheidsrecht, waarmee de dwingendrechtelijke bepalingen met betrekking tot het pandrecht buitenspel worden gezet. Hoewel de uitwerking van het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW geen betrekking heeft op het eigendomsvoorbehoud – eigendom wordt immers niet overgedragen ten titel van zekerheid, maar hoogstens voorbehouden ten titel van zekerheid – zodat er geen titel in aanmerking komt die men als ongeldig zou kunnen beschouwen, staat de figuur volgens deze auteurs wel op gespannen voet met de ratio van het fiduciaverbod, namelijk dat het eigendomsrecht niet als zekerheidsrecht dient te worden ingezet. De verkoper zou om die reden genoegen moeten nemen met het voorbehouden van een pandrecht (art. 3:81 lid 1 BW).7
Een soortgelijk geluid komt naar voren in de Duitse en de Oostenrijkse literatuur. In de Oostenrijkse literatuur wordt het door sommigen als inconsequent beschouwd dat voor de verkrijging van zekerheidseigendom of een pandrecht bijzondere publiciteitseisen gelden, terwijl het eigendomsvoorbehoud toegestaan is, zonder dat daarvoor een publiciteitseis geldt.8 In de Duitse literatuur wordt door sommigen bepleit dat de bijzondere regels die (in faillissement) voor zekerheidseigendom gelden, ook van toepassing zouden moeten zijn op het eigendomsvoorbehoud, omdat sprake is van een vorm van zekerheidseigendom.9
In het vervolg van dit hoofdstuk – en in het verlengde daarvan in dit proefschrift – wordt de juistheid van deze visie op het eigendomsvoorbehoud onderzocht. Daartoe wordt allereerst ingegaan op de redenen van de wetgever om het eigendomsvoorbehoud wettelijk te verankeren. In de hier beschreven visie had de wetgever namelijk tot de conclusie moeten komen dat voor het eigendomsvoorbehoud geen plaats is binnen het systeem van het vermogensrecht.