Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.6.3.3
3.6.3.3 Gegevensverstrekking aan de betrokkene
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285284:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
H.J.H. Cloudt, Het verschoningsrecht van de belastingambtenaar, WFR 1956/732.
ABRvS 31 juli 1984, ECLI:NL:RVS:1984:AP3404, BNB 1985/35. Vergelijk: aanschrijving Minister van Financiën van 21 januari 1896, nr. 6 opgenomen in P.W. nr. 8863 waarin uitdrukkelijk werd bepaald dat geen inlichtingen inzake de Wet VB 1892 mocht worden verstrekt aan notarissen in verband met aangiften voor de Successiebelasting. Dit mocht uitsluitend met toestemming van de aangeslagene of de erfgenamen. Zie ook: Van Walsum 1900, blz. 330, nr. 503.
HR (civiele kamer) 14 mei 1964, ECLI:NL:HR:1964:15, NJ 1964, 430 en HR (civiele kamer) 8 november 1991 (Verschueren/Kloosterboer), ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277. A-G J. van Soest was een andersluidende mening toegedaan. Hij gaf aan dat de zeer ruime uitleg van het begrip ‘anderen’ in de zin van art. 67, eerste lid, AWR niet zover zou moeten gaan dat de geheimhoudingsplicht de belastingambtenaar verbiedt de gegevens mede te delen aan degene van wie hij ze verkregen heeft.
Advies RvS en NR, Kamerstukken II 2005/06, nr. 5, blz. 8.
NAV, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 25 en par. 4.3.1, eerste gedachtestreepje, VIV 1993. Vergelijk: NOB-commentaar Wetsvoorstel versterking fiscale rechtshandhaving (NOB 2005), blz. 4.
MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 19. Vergelijk: G.J.M.E. de Bont, Recht op stukken, TFB 2005/6-2.
MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 19.
NAV, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 25.
P. Fortuin, Geheimhoudingsplicht Belastingdienst en verkorting beslistermijnen, NTFR-B 2008/4, par. 1.3.
Memo inzagerecht in het controledossier (2018), blz. 2 en het Handboek Controle (2020), blz. 38.
In 1956 schreef Cloudt dat de geheimhoudingsplicht niet tegenover de belastingplichtige zelf zou bestaan.1 Hierin werd hij gevolgd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat onder een ‘ander’ in de zin van art. 67, eerste lid, AWR ieder ander dan degene op wie de gegevens betrekking hebben verstond.2 De Hoge Raad heeft echter beslist dat onder een ‘ander’ ieder ander moet worden begrepen dan degene die tot geheimhouding is verplicht, dus ook de belastingplichtige zelf.3 Bij de herziening van de geheimhoudingsbepaling in 2008 adviseerde de Raad van State om het verstrekken van gegevens aan belastingplichtigen of belastingschuldigen, voor zover de verstrekking niet noodzakelijk is voor de heffing en invordering, in de wet zelf op te nemen in plaats van bij wege van een ontheffing door de minister.4 De regering nam het advies van de Raad van State gedeeltelijk over en codificeerde de ontheffing uit het VIV 1993.5 Op grond van art. 67, tweede lid, onderdeel c, AWR geldt de geheimhoudingsplicht in de derde plaats niet als bekendmaking van gegevens plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Dit is niet alleen de belastingplichtige zelf, maar kan bijvoorbeeld ook de inhoudingsplichtige of een informatieplichtige zijn. Deze afwijking werd gerechtvaardigd omdat het niet verstrekken niet zou aansluiten bij het algemene rechtsgevoel.6 De strekking van de geheimhoudingsbepaling bracht echter met zich dat het niet aan elke individuele persoon (om wiens gegevens het gaat) moest zijn om te bepalen of de gegevens waarop de geheimhoudingsplicht betrekking heeft, bekend mogen worden gemaakt.7 Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad werd beargumenteerd dat onder omstandigheden het ook de belastingplichtige zelf is die beschermd wordt door een ruime reikwijdte van de fiscale geheimhoudingsplicht.8 Fortuin vindt dit echter niet overtuigend en wijst erop dat dit het indienen van (onnodig) bezwaar en beroep zou uitlokken teneinde dossierinzage te verkrijgen.9 Het beleid van de Belastingdienst is dat inzage door de belastingplichtige in het fiscale controledossier, zonder dat er sprake is van inzage in het kader van een boete, bezwaar of beroep, op grond van de geheimhoudingsbepaling wordt afgewezen, tenzij de stukken van de belastingplichtige zelf afkomstig zijn.10