Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/9.4.0:9.4.0 Introductie
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/9.4.0
9.4.0 Introductie
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416306:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. het in par. 8.3 besproken geschiktheidscriterium.
Popelier 1997, p. 602.
Zie bijv. par. 3.8.2.2 waarin is genoemd dat de wetgever m.b.t. hfdst. 2 art. I onderdeel AK t/m AKaa Inv.w. Wet IB 2001 ervan uitging dat financiële instellingen een berekening van de gerijpte rente zouden kunnen verstrekken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het beginsel dat overgangsrecht realiseerbaar moet zijn, vereist dat de wetgever ervoor zorgt dat belastingplichtigen redelijkerwijs een beroep op de werkingsregel of overgangsmaatregelen kunnen doen.1 Popelier vermeldt in het kader van regelgeving in het algemeen dat dit kan betekenen dat vereenvoudigingen of bijkomende regelgeving gewenst zijn.2 In het kader van overgangsrecht kan hieraan naar mijn mening worden toegevoegd dat de wetgever dient te voorkomen dat de overgangsmaatregel te weinig inhoud heeft waardoor noodgedwongen een beroep moet worden gedaan op de toelichting bij de wettekst.
Vereenvoudiging van een maatregel kan betekenen dat het aantal beslis-momenten en de administratieve lasten tot een minimum worden beperkt. Bijkomende regelgeving kan vereist zijn indien de medewerking van andere instanties of personen moet worden ingeroepen of hun tegenwerking juist moet worden verhinderd.3
De eis dat de overgangsmaatregel voldoende inhoud moet hebben, dient te voorkomen dat een overgangsmaatregel eerst kan worden toegepast nadat de rechter heeft geoordeeld over de uitleg van een bepaling (par. 9.4.1), dan wel de rechter de overgangsmaatregel buiten toepassing laat, dankzij de inperkende werking van de bedoeling van de wetgever (par. 9.4.2).