De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.6.4.1:5.6.4.1 Hoofdregel
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.6.4.1
5.6.4.1 Hoofdregel
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS383739:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 5 november 2002, nr. C-208/00, NJ 2003/58, JOR 2003/4 (Überseering).
HvJ EG 30 december 2003, nr. C-167/01, NJ 2004/394 m.nt. Vlas, JOR 2003/249 m.nt. Vossestein (Inspire Art Ltd.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nationale Arbeidsraad heeft de hoofdregel van art. 16 lid 1 Tiende Richtlijn niet geïmplementeerd. Dat is opmerkelijk, nu het Belgische recht voor de nationaliteit van de vennootschap aanknoopt bij de werkelijke zetel en art. 16 lid 1 de statutaire zetel als uitgangspunt neemt. Onduidelijkheid kan rijzen over de vraag op basis van welk recht de hoofdregel uitwerking krijgt. Illustratief is de volgende casus:
Een Nederlandse NV fuseert met een Belgische NV. Na de fusie komt de statutaire zetel van de uit de fusie ontstane vennootschap in België te liggen. De bestuursactiviteiten worden vanuit Nederland uitgevoerd, zodat de werkelijke zetel in Nederland ligt. Vanuit Belgisch oogpunt is het Belgisch recht niet van toepassing op de uit de fusie ontstane vennootschap en vindt de hoofdregel geen toepassing. Ook de hoofdregel zoals die in Nederland is geïmplementeerd mist toepassing, nu de statutaire zetel in België ligt en het Nederlandse medezeggenschapsrecht aansluit bij de statutaire zetel van de vennootschap. Dit zou betekenen dat aan art. 16 Tiende Richtlijn geen betekenis toekomt en de medezeggenschap niet wordt beschermd.
Voor deze situatie biedt de Belgische regeling inzake renvoi uitkomst. Nu de werkelijke zetel als gevolg van de fusie wordt verplaatst naar een lidstaat die de incorporatieleer aanhangt (Nederland), verwijst het internationaal privaatrecht van Nederland voor het toepasselijke recht naar het Belgische recht terug. Op grond van art. 112 van het Belgische Wetboek van Internationaal Privaatrecht (WIPR) zal België deze renvoi naar het eigen land aanvaarden. Dit heeft tot gevolg dat een in België opgerichte vennootschap aan het Belgische recht is onderworpen ondanks het feit dat de werkelijke zetel in het buitenland en dus niet in het oprichtingsland gelegen is. De hoofdregel wordt daarom alsnog door het Belgische recht ingevuld.
Dan de omgekeerde situatie. Deze situatie laat zich als volgt illustreren.
Een Nederlandse NV fuseert met een Belgische NV. Na de fusie komt de statutaire zetel van de uit de fusie ontstane vennootschap in Nederland te liggen. De bestuursactiviteiten worden ditmaal vanuit de Belgische vestiging uitgevoerd, zodat de werkelijke zetel in België ligt. Vanuit Belgisch oogpunt is het Belgische recht van toepassing op de uit de fusie ontstane vennootschap, hetgeen betekent dat ingevolge de (niet geïmplementeerde) hoofdregel de werknemers geen recht hebben op medezeggenschap. Ook de hoofdregel zoals die in Nederland is geïmplementeerd is van toepassing, nu de statutaire zetel in Nederland ligt. Dit zou betekenen dat aan art. 16 Tiende Richtlijn tweemaal betekenis toekomt.
Ook deze opvatting behoeft nuancering. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest Überseering geoordeeld dat een lidstaat die de werkelijke zetelleer aanhangt een naar het recht van een andere lidstaat rechtsgeldig opgerichte vennootschap moet erkennen.1 In het arrest Inspire Art Ltd. voegde het Hof hieraan toe dat het lidstaten in beginsel niet is toegestaan het eigen (vennootschaps)recht toe te passen op vennootschappen die rechtsgeldig zijn opgericht naar het recht van een andere lidstaat.2 Dit principe leidt er in het bovengenoemde voorbeeld toe dat België de Nederlandse NV moet erkennen en daarop niet het Belgische recht mag toepassen louter omdat de Nederlandse NV haar werkelijke zetel in België heeft. De Nederlandse NV blijft ingevolge het Unierecht aan Nederlands recht onderworpen, zodat de hoofdregel inzake de medezeggenschap vorm krijgt op basis van het Nederlandse recht.
De twee voorbeelden tonen aan dat het feit dat België de hoofdregel niet heeft geïmplementeerd doorgaans niet tot onoverkomelijke problemen leidt. Dat neemt niet weg dat het thans een juridisch gepuzzel is om te bepalen welk nationaal recht de hoofdregel inzake medezeggenschap inkleurt. Het was de duidelijkheid ten goede gekomen indien de Nationale Arbeidsraad de hoofdregel in cao nr. 94 had vermeld.