Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.3.2
4.3.2 De onmogelijkheid om voor vervulling van de voorwaarde te presteren
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396149:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
T.M., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 152.
Zie paragraaf 4.3.1.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 188. Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2016, nr. 188. Elders (Hartkamp 2005, p. 111) lijkt Hartkamp de levering ter uitvoering van een opschortend voorwaardelijke verbintenis daarentegen wel degelijk voor mogelijk te houden.
Stolz 2015, p. 269 en p. 273.
Zie paragraaf 4.3.1.
Zie uitgebreid Stolz 2015, p. 254-283.
Rummel/Rummel 2000, § 1434 ABGB, Rn. 1 en R. Welser & B. Zöchling-Jud, Grundriss des bürgerlichen Rechts. Band II, Wien: MANZ’sche 2015, p. 469. Daarbij dient wel bedacht te worden dat het Oostenrijkse recht, anders dan het Nederlandse recht, dwaling over de verschuldigdheid sowieso als eis stelt voor een aanspraak uit onverschuldigde betaling. Aangezien in de Toelichting-Meijers desalniettemin verwezen wordt naar § 1434 ABGB, lijkt daaruit niets anders te kunnen worden afgeleid dan dat deze (additionele) eis wel geldt voor artikel 6:25 BW. Dat strookt met de uitvoerige bevindingen van Stolz 2015, p. 254-283.
De opgeschorte werking van de verbintenis tot overdracht staat dus niet in de weg aan het terstond realiseren van de overdracht, waarvoor de voorwaardelijke verbintenis als titel fungeert. Uit artikel 6:25 BW kan niets anders worden afgeleid. Ook hier dient – zo blijkt uit de toelichting – een onderscheid te worden gemaakt tussen het geval waarin vanwege de opgeschorte werking van de verbintenis de wederpartij nog nergens toe verplicht is en het geval dat ‘partijen zich bij het geven van het goed bewust zijn van het nog niet vervuld zijn van de voorwaarde en naar hun bedoeling ook het geven onder dezelfde opschortende voorwaarde geschiedt.’1 In het laatstgenoemde geval is volgens de toelichting sprake van een afwijking van de regel van artikel 6:25 BW, waarbij wordt verwezen naar artikel 3:84 lid 4 BW. Ook hier komt het derhalve aan op de reikwijdte van de voorwaardelijkheid, die afhankelijk is van hetgeen partijen zijn overeengekomen.
De tekst van artikel 6:25 BW ondersteunt bovendien de hier verdedigde opvatting dat de opgeschorte werking van de verbintenis op zichzelf niet in de weg staat aan het terstond realiseren van de overdracht. Op grond van artikel 6:25 BW kan hetgeen verricht is ter uitvoering van een verbintenis onder opschortende voorwaarde namelijk overeenkomstig de regels van onverschuldigde betaling worden teruggevorderd vóór vervulling van de voorwaarde. De noodzaak om hier een aparte regel te geven is ingegeven door het feit dat de regels van onverschuldigde betaling niet direct van toepassing zijn. Daaruit kan worden afgeleid dat de voorwaardelijke titel, bij gebreke van artikel 6:25 BW, ook in de visie van de wetgever wel degelijk een afdoende rechtsgrond zou vormen die de voorwaardelijke overdracht rechtvaardigt. Indien dat anders zou zijn, zou artikel 6:25 BW namelijk overbodig zijn en zou artikel 6:203 BW rechtstreeks toepasselijk zijn.
Uit de tekst en toelichting van artikel 6:25 BW blijkt derhalve ook dat de voorwaardelijkheid van een verbintenis niet aan het terstond verrichten van die prestatie in de weg staat, indien partijen beogen dat de prestatie onder dezelfde voorwaarde wordt verricht. Er is dan sprake van de tweede variant van de voorwaardelijke verbintenis tot overdracht, zoals hiervoor getypeerd.2 In een dergelijk geval wijken partijen af van de regel van artikel 6:25 BW, omdat partijen juist willen bewerkstelligen dat de aan de verbintenis verbonden voorwaarde doorwerkt in de te verrichten prestatie. De omstandigheid dat de verbintenis onder opschortende voorwaarde nog geen werking heeft, staat derhalve niet aan een voortijdig presteren in de weg, wanneer de prestatie onder dezelfde voorwaarde geschiedt. Hartkamp en Sieburgh achten een zodanige systematiek echter weinig verhelderend:
‘Men kan zich onder opschortende voorwaarde verbinden, maar men kan niet onder opschortende voorwaarde de toegezegde prestatie verrichten. Men verricht haar of men verricht haar niet.’3
Voor feitelijke prestaties is deze benadering volstrekt juist: een wasmachine kan niet onder opschortende voorwaarde worden gerepareerd. Voor prestaties die onder dezelfde voorwaarde kunnen worden verricht, geldt dat echter niet.4 Een overdracht kan zonder moeilijkheden geschieden onder dezelfde voorwaarde als die aan de verbintenis is verbonden.
Hieruit blijkt dat artikel 6:25 BW voor een nogal bijzonder geval is geschreven, waarin partijen met de opgeschorte werking van de verbintenis voor ogen hadden dat de prestatie pas nÁ vervulling van de voorwaarde zou worden verricht (de eerste variant van de verbintenis onder opschortende voorwaarde),5 maar de prestatie desondanks reeds voor vervulling van de voorwaarde is verricht. Met andere woorden: artikel 6:25 BW heeft betrekking op de situatie waarin de schuldenaar abusievelijk presteert voor het intreden van de voorwaarde, bijvoorbeeld omdat hij in de veronderstelling verkeert dat de voorwaarde reeds is ingetreden.6 Dat het bij artikel 6:25 BW gaat om een abusievelijk presteren, blijkt uit de omstandigheid dat in een bewust presteren vóór vervulling van de voorwaarde een afwijking van artikel 6:25 BW besloten zou liggen. Steun voor deze beperkte strekking van artikel 6:25 BW biedt ook § 1434 ABGB, waarnaar in de Toelichting-Meijers bij artikel 6:25 BW wordt verwezen. Op grond van § 1434 ABGB is bij een onzekere schuld namelijk slechts terugvordering van het onverschuldigd betaalde mogelijk, indien de schuldenaar heeft gedwaald ten aanzien van het onzekere karakter van de schuld.7