Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/1.9
1.9 Het gebruik van rechtseconomische en empirische inzichten
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS598447:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Over deze problematiek zie Uitgebalanceerd 2006, p. 21-2, Tzankova 2005, p. 54-5, 97 en Een nieuwe balans 2003, p. 18, 30.
In deze studie zullen vooral inzichten uit de neoklassieke rechtseconomie worden gebruikt. Voor uitleg over andere stromingen die voor deze studie echter niet relevant zijn, zie Visscher 2005, p. 4, Cseres 2004, p. 17-20, Bouckaert & De Geest 2000, nr. 500-580, allemaal met vele verdere verwijzingen. Uitgebreid over de rationele keuze theorie zie Ulen 2000.
Sunstein 2000, Korobkin & Ulen 2000, p. 1051-144, Issacharoff 2002, p. 1-33.
Mensen schatten bijvoorbeeld structureel kansen verkeerd in (Uien 2000, p. 806-9, klis, Sunstein & Thaler 2000, p. 47), hebben afkeer van verandering (Uien 1999, p. 804-6, Korobkin 1998) en houden meer rekening met wat in het voordeel van een ander is, dan op basis van de rationele keuzetheorie wordt verondersteld (Uien 1999, p. 801-6). Zie ook Van Bijnen 2005, p. 66, Giesen 2005, p. 69-72 en Van Boom 2003, p. 11-20.
McAdams 2000, p. 539-41 behandelt de methodologie van laboratoriumonderzoek bij de test van rechtseconomische modellen.
Onder andere Schffer & Ott 2005, p. 70 e.v., Arlen 1998, p. 1776-7, Visscher 2005, p. 6.
Schffer & Ott 2005, p. 70 e.v., Visscher 2005, p. 6, Van Bijnen 2005, p. 66, Ulen 2000, p. 793-4, Garvin 2004, p. 34, 37 e.v. en 46 e.v.
Arlen 1998, p. 1776-7, Visscher 2005, p. 6.
Posner 1998, p. 1559-60, Arlen 1998, p. 1776-7, Visscher 2005, p. 6. Zie ook de stevige kritiek van Engel 2005, waarin de meeste van de hier besproken elementen uitgewerkt en aangevuld zijn.
Smith 1982, McKenzie, Wixtel & Noelle 2004, p. 947, Visscher 2005, 7. Voor kritiek op de methode in het kader van een bespreking van empirische en experimentele studies naar wat rechtzoekenden belangrijk vinden in een procedure zie Bruinsma 2003, p. 2292-5, Minekus 2002, p. 18-20, 26. Een dergelijk kritiek ten opzichte van experimentele studies wordt weer gerelativeerd door Barendrecht & Klein 2004, p. 13-6.
Wilde 1981, p. 142, McAdams 2000, p. 540.
Smit 1989, 162-7, Smit 1991, p. 878-87, McAdams 2000, p. 540-1. Overigens worden de resultaten van een economisch laboratoriumonderzoek een enkele keer empirisch overgedaan, met soortgelijke resultaten als uitkomst, aldus E. Posner op een mini-symposium dat op 12 september 2005 door het WODC te Utrecht werd georganiseerd, refererend aan een onderzoek van C. Sunstein.
Kaplow & Shavell 2002, p. 462, Ulen 2000, p. 816, Van Bijnen 2005, p. 67, Visscher 2005, p. 7.
Ulen 2000, p. 797 e.v., Visscher 2005, p. 7, Van Bijnen 2005, p. 67. Mensen lijken veel vaker rationeel dan irrationeel te reageren. Zelfs auteurs die kritisch staan tegenover de theorie van de rationele keuze geven dit toe: Korobkin & Ulen 2000, p. 1144.
Bij de bespreking van de onderzoeksvragen en de methode van onderzoek in 1.5 is opgemerkt dat, waar dat nuttig en mogelijk is, ook gebruik zal worden gemaakt van bestaande empirische en rechtseconomische inzichten. Vooropgesteld moet echter worden dat dit geen rechtseconomisch, noch een rechtssociologisch of empirisch onderzoek wordt. Mijn bedoeling is wel om zo veel mogelijk te proberen vast te stellen hoe bepaalde maatregelen uit de onderzochte rechtsstelsels in de praktijk van massa-schadeafwikkeling functioneren en tot welke problemen zij kunnen leiden. De law in action' is hier even belangrijk, zo niet belangrijker dan de law in the books'. Voor een verantwoorde vastlegging van die law in action' zijn empirische studies nuttig, ook al is het bereik en toepassingsmogelijkheden van dergelijke studies altijd beperkt. Empirische studies leiden bovendien zelden tot de in het recht broodnodige normatieve uitspraken. Wel kunnen ze het doen van dergelijke uitspraken vergemakkelijken of verdiepen. Empirische studies kunnen grote meerwaarde hebben als men zich bewust is van hun beperkingen. Dergelijke studies, zeker op het terrein van het civiele procesrecht, zijn echter lang niet altijd beschikbaar of bruikbaar.1 In veel gevallen kunnen rechtseconomische inzichten dan een aanvullend of alternatief systematisch analysekader bieden. Wat rechtseconomie namelijk probeert te doen, is om het bestaande recht ofwel 'the law in the books' vanuit een aantal veronderstellingen te verklaren en te voorspellen welke gedragseffecten een bepaalde rechtsregel zal hebben, ofwel hoe de werkelijkheid en 'the law in action' naar verwachting zullen zijn.
De hoofdstroom binnen de rechtseconomie, ook wel neoklassieke rechtseconomie genoemd, gaat uit van de theorie van de rationele keuze.2 Daarin wordt verondersteld dat individuen rationeel, ofwel overeenkomstig hun eigen voorkeuren, handelen om hun welzijn te maximaliseren. Mensen handelen echter niet altijd rationeel. Dit blijkt ook één van de belangrijkste bezwaren te zijn die tegen de theorie kan worden aangevoerd. Dat komt voor rekening van een relatief nieuwe stroming: behavioral law and economics.3 Deze stelt voorop dat mensen zich onder invloed van afwijkingen soms structureel anders kunnen gedragen, gesproken wordt van `biases' ,4 dan een rationeel mens zou doen. De vertegenwoordigers van deze stroming onderbouwen hun kritiek met resultaten van experimenteel onderzoek, ook wel laboratoriumonderzoek genoemd.5 Dergelijke irrationaliteit ondergraaft de voorspellende waarde van de theorie van de rationele keuze aanzienlijk.
In de rechtseconomie is een discussie gaande over de rol en het belang van deze nieuwe stroming. Het 'verweer' van de neoklassieke economen bestaat uit meerdere argumenten. Zo menen sommigen dat de geconstateerde afwijkingen op grote schaal minder belangrijk zijn dan bij het gedrag van één individu, onder meer omdat de effecten van verschillende afwijkingen die zich tegelijk voordoen elkaar kunnen versterken, maar ook opheffen.6 Ook door leereffecten neemt het belang van afwijkingen af.7 Verder doen sommige afwijkingen zich niet steeds, maar slechts onder bepaalde omstandigheden voor en zelfs als ze zich systematisch zouden voordoen, is het niet duidelijk welke beleidsaanbevelingen hieruit zouden moeten volgen.8 Andere elementen uit het verweer zijn meer fundamenteel. Gesteld wordt dat de nieuwe stroming geen alternatief kan zijn voor de neoklassieke rechtseconomie, omdat ze geen coherent model voor menselijk gedrag kan bieden waarmee toetsbare hypothesen kunnen worden opgesteld en dat ze tevens `undertheorized' is, vanwege haar puur empirische karakter.9 De nieuwe stroming komt met andere woorden met 'niets beters'. Ook worden methodologische bezwaren gesignaleerd tegen de experimentele aanpak van behavioral law and economics. Tegen laboratoriumexperimenten, waar door 'proefpersonen' een 'echte' situatie wordt nagebootst, wordt aangevoerd dat zij tot een vertekend beeld van de werkelijkheid kunnen leiden. Daarom zouden de resultaten daarvan niet betrouwbaar zijn.10
Deze kritiek is ook bekend ten aanzien van laboratoriumonderzoeken in de cognitieve en sociale psychologie. Of ze één op één geldt voor economische experimenten, is echter niet helemaal duidelijk. Rechtseconomische experimentele onderzoekers gaan immers op een andere manier te werk. Een belangrijk verschil is dat rechtseconomen voorwaarden toepassen die verschillende gedragsincentives genereren en vervolgens observeren hoe de deelnemers daarop reageren. Doorgaans wordt een marktsituatie nagebootst c.q. gecreëerd via een gedifferentieerde beloning van de deelnemers. Ze worden tevoren op de hoogte gebracht van het feit dat hun beloning afhankelijk zal zijn van de uitkomst van de beslissingen die ze in het experiment nemen. Zodoende wordt voor de deelnemers een reëel persoonlijk belang bij het experiment gecreëerd ofwel 'a small scale microeconomic environment in which real economic agents make real economic decisions',11 hetgeen doorgaans niet het geval is bij psychologische laboratoriumonderzoeken.12
Geconcludeerd kan worden dat het nuttig is om inzichten uit de cognitieve en sociale psychologie en uit behavioral law and economics te gebruiken waar ze een toegevoegde waarde hebben voor de rationele keuzetheorie. Om de hiervoor aangeduide redenen kan de stroming van behavioral law and economics echter niet als een vervanging, maar 'slechts' als een aanvulling van die theorie worden gezien.13 In de meeste gevallen biedt de theorie van de rationele keuze een nuttig en bruikbaar analysekader,14 zeker als dat kader, zoals in dat onderzoek, niet het enige is en zeker voor een onderwerp als het onderhavige, waar de adequate afwikkeling van massale claims door de schaalvergroting concentratie van aanspraken veronderstelt. Dit laatste roept een aanzienlijke financiële incentive in het leven die een eigen dynamiek heeft en in belangrijke mate bepalend is voor de manier waarop verschillende betrokkenen zich in het afwikkelingsproces opstellen. De theorie van de rationele keuze is een hulpmiddel om deze incentives op een verantwoorde manier in kaart te brengen.