Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5.1.1.3
5.1.1.3 Hoofdregel
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85932:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 6 Brussel I-bis, aant. 1, aldaar verwijzend naar art. 6, eerste lid, EEX-Vo II.
Vide P. Vlas, Rechtspersonen, Praktijkreeks IPR, deel 9, Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2017, p. 137 (nr. 188); F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 1; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 6b. Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 58.
Men leze te dien aanzien art. 4, eerste lid, EEX-Vo II in samenhang met art. 6 EEX-Vo II.
Art. 4, eerste lid, EEX-Vo II wijst alleen de internationaal bevoegde gerechten van een bepaalde lidstaat aan; het is aan het nationale (proces)recht van deze overgelaten om te bepalen welke rechter relatief, en absoluut, bevoegd is. Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 2; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 1e; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 6b; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 60. Volgens Vlas, hiervoor aangehaald, heeft in de praktijk de hier bedoelde verwijzing ‘gewoonlijk (…) geen andere uitwerking dan dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, nu de lidstaten deze bevoegdheidsregel in hun nationale procesrecht kennen’.
F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 1.
Vide ook S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 4b; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 60-61. Vide tevens de considerans, onder 15, van de EEX-Vo II: ‘De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt.’ Vide bovendien HvJ EG 13 juli 2000, NJ 2003/597, m.nt. P. Vlas, punt 35 (UGIC): ‘Deze bevoegdheidsregel, die de uitdrukking vormt van het adagium actor sequitur forum rei, heeft het karakter van een algemeen beginsel, wat hierdoor is te verklaren dat op grond van deze regel de verweerder zich in beginsel gemakkelijker kan verdedigen (…).’ Vide hiernaast het rapport-Jenard, p. 75.
Krachtens art. 62, eerste lid, EEX-Vo II past de rechter zijn interne recht toe om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij het gerecht van welke een zaak aanhangig is gemaakt. De woonplaats van rechtspersonen en vennootschappen wordt daarentegen autonoom bepaald, en wel door art. 63, eerste lid, EEX-Vo II, waarin staat dat voor toepassing van de EEX-Verordening II zij woonplaats hebben op de plaats van (a) hun statutaire zetel, (b) hun hoofdbestuur of (c) hun hoofdvestiging. Vide hieromtrent Vlas 2017, op. cit., nr. 178 en 180 et seq.; P. Vlas, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 4. Vide tevens § 5.2.2, i.h.b. de Citadel-zaak.
Vide HvJ EG 13 juli 2000, NJ 2003/597, m.nt. P. Vlas, punt 33-61, i.h.b. punt 57 en 61 (UGIC).
Vide F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 1d.
Vide ook (aanvullend) Vlas 2017, op. cit., p. 138-139 (nr. 190); F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 6 Brussel I-bis, aant. 1e-g.
Vide ook de considerans, onder 14, van de EEX-Vo II: ‘Met het oog op de bescherming van consumenten en werknemers, en teneinde de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten in gevallen waarin deze exclusieve bevoegdheid hebben, zeker te stellen en de autonomie van de partijen te eerbiedigen, dienen bepaalde bevoegdheidsregels in deze verordening te gelden, ongeacht de woonplaats van de verweerder [curs. RPJ].’ In dergelijke gevallen geldt een afwijkend formeel toepassingsgebied; vide S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis- Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 4b.
Vide S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 7 Brussel I bis-Verordening, aant. 1; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 8 Brussel I-bis, aant.1. Volledigheidshalve wijs ik op art. 5, eerste lid, EEX-Vo II, waarin is bepaald dat degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, ‘slechts’ (limitatief dus) voor het gerecht van een andere lidstaat kunnen worden opgeroepen op grond van de in de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II gegeven regels. Ik heb hier louter afdeling 2, met uitzondering van art. 9 EEX-Vo II genoemd. De afdelingen 3 tot en met 5 laat ik rusten; zij zijn niet relevant voor dit onderzoek. Afdelingen 6 en 7 worden later in dit hoofdstuk nog (deels) behandeld.
Vide rapport-Jenard, p. 57. Vide ook rapport-Schlosser, p. 81.
Vide HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, punt 25 (Jackson); HvJ EU 14 november 2013, C-478/12, punt en 25-26 en 28 (lastminute.com). In HvJ EU 17 november 2011, C-327/10, punt 29 (Lindner) overwoog het Hof van Justitie dat ‘de toepassing van de bevoegdheidsregels van die [EEX-] verordening het bestaan van een element van vreemdelingschap [curs. RPJ] vereist’ en in HvJ EU 19 december 2013, C-9/12, punt 18 (La Maison du Whisky) overwoog het dat ‘de toepassing van die regels [inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken, toev. RPJ] vereist dat het geding een aanknopingspunt met het buitenland [curs. RPJ] heeft’. Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 56 spreken van een ‘internationaliteitsvereiste’. Vide over dit vereiste Ibili 2007, op. cit., p. 216-217; Kuypers, op. cit., p. 87 et seq. Cf. Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 6-7.
Vide ook Rapport-Jenard, p. 57. Cf. de conclusie, onder 3.14, van A-G Vlas bij HR 25 juni 2010,JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge, r.o. 6.2.2 (e-Traction): ‘Nu zowel de verzoekers als de gerekwestreerden hun woonplaats c.q. plaats van vestiging in Nederland hebben, is vanuit internationaal privaatrechtelijk oogpunt geen sprake van een grensoverschrijdend geschil.’ Vide ook Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 6.
Vide S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 4b; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 56.
Vide HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, punt 26 (Jackson); HvJ EU 14 november 2013, C-478/12, punt 26 (lastminute.com).
Vide HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, punt 26 (Jackson).
Vide HR 4 februari 2000, NJ 2005/335, r.o. 3.3 (Universal Ogden Services); HR 9 februari 2001,NJ 2001/290, m.nt. P. Vlas, r.o. 3.5 (Apotheek Schothorst); HR 6 februari 2004, NJ 2005/403, m.nt. P. Vlas, r.o. 3.2.2 (Hans Ulrich Petermann Beratungs- und Vertriebs). Vide ook Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 58.
Zowel in gevallen die worden bestreken door de bevoegdheidsregeling van een verdrag, waaronder het EEX-Verdrag, of van een EU-verordening, waaronder de EEX-Verordening (II), als in gevallen die worden bestreken door de commune bevoegdheidsregeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt dat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht van openbare orde zijn, hetgeen impliceert dat zowel de rechter in prima als de rechter in hoger beroep gehouden is ambtshalve te onderzoeken of de (aangezochte) Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, waarbij komt dat voor de appelrechter die verplichting ook geldt indien geen der partijen zich over de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter heeft uitgelaten, en tevens indien deze vraag buiten de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied van de rechtsstrijd in hoger beroep valt; vide HR 17 april 2015,NJ 2015/453, m.nt. L. Strikwerda, r.o. 3.3.2 (Kompas Overseas); HR 12 april 2019, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda, JIN 2019/90, m.nt. M. Teekens, r.o. 3.4.3. In de laatstgenoemde uitspraak overwoog de Hoge Raad ook nog (vide r.o. 3.4.4) dat de rechter die in het kader van de toepassing van (de voorloper van) de EEX-Verordening II, zowel als in het kader van de toepassing van de commune regels voor rechtsmacht, onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt, zich bij dat onderzoek niet dient te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomende gevallen, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt hierbij de beperking dat als de laatstbedoelde partij de stellingen van de eerstbedoelde partij betwist, de rechter in het kader van zijn bevoegdheidsbepaling geen gelegenheid tot bewijslevering behoeft te geven. Het bevoegdheidsonderzoek mag dus, aldus, nog steeds, de Hoge Raad, niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende/ verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering/verzoek. Dit oordeel is een herhaling van dat in HR 29 maart 2019, NJ 2019/259, r.o. 4.1.4-4.1.5. Vide ook HR 14 april 2017, NJ 2017/418, m.nt. L. Strikwerda, r.o. 4.2.3 (LAG Trailers). Vide over al het voorgaande tevens de noot, onder 8-12, van Strikwerda bij de uitspraak als afgedrukt in NJ 2019/260.
Vide HvJ EU 19 december 2013, C-9/12, punt 22 (La Maison du Whisky). Vide ook Strikwerda en Schaafsma, l.s.c. G. van Solinge en C.D.J. Bulten, ‘Rechtsmachtperikelen in Titel 8 Boek 2 BW’, in: G. van Solinge en M. Holtzer (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2001- 2002, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 68, Deventer: Kluwer 2002, p. 127 en Van Solinge in zijn noot, onder 6, bij HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge, r.o. 6.2.1- 6.2.2 (e-Traction) merkten op dat ‘[i]n een enquêteprocedure (…) de verordening, verdragen en ongeschreven rechtsmachtregels geen rol [spelen, toev. RPJ]’ respectievelijk ‘de EEX-Verordening niet van toepassing is op het Nederlandse enquêterecht’. Zonder toelichting, die ontbrak, is dit niet begrijpelijk. Noch met het materiële toepassingsgebied, noch met het formele toepassingsgebied, noch met jurisprudentie van het Hof van Justitie, noch met de toelichtende rapporten Jenard en Schlosser legden zij een verband teneinde die stelling te onderbouwen. Indien zij van mening zijn dat de EEX-Verordening niet van toepassing is omdat de bevoegdheid van de Ondernemingskamer om kennis te nemen van enquêteverzoeken waaraan een extraneïteitselement kleeft, moet wor- den gebaseerd op art. 995, eerste lid, Rv iunctoart. 2:345, eerste lid, eerste volzin, BW, dan is zulks reeds hierom onjuist dat de EEX-Verordening (II) van hogere orde is dan het commune Nederlandse bevoegdheidsrecht en zij derhalve voorrang heeft. Dit betekent dat als aan de in de hoofdtekst genoemde voorwaarden onder a-c is voldaan, de Ondernemingskamer ambtshalve de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening (II) dient toe te passen. Het commune Nederlandse bevoegdheidsrecht is alsdan uitgeschakeld; vide Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 58. Vide ook Ibili 2007, op. cit., p. 187; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis- Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 1i; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 37.
Vide HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, punt 46 (Jackson); P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 6; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 2.
Vide F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 4 Brussel I-bis, aant. 2.
Vide HvJ EG 27 april 2004, C-159/02, punt 31 (Grovit). Vide ook HvJ EG 10 februari 2009, C-185/ 07, punt 34 (West Tankers).
Hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009/127, m.nt. M.W. Josephus Jittam (e-Traction). Vide ook hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143, m.nt. A. Doorman, AA 2012/5, m.nt. S.M. Bartman, JIN 2012/99, m.nt. P. Haas (Chinese Workers), waarin Yeh-Chiu, de verzoekster tot enquête, haar woonplaats op het grondgebied van Nederland had en de gerekestreerde, Chinese Workers B.V., eveneens zijn woonplaats op het grondgebied van Nederland had. Volgens Laagland op. cit., p. 42 had de Ondernemingskamer in die zaak ambtshalve moeten nagaan of haar internationale bevoegdheid toekwam, aangezien Yeh-Chiu haar verzoek deed in haar hoedanigheid van houdster van aandelen in het geplaatste kapitaal van een naar vreemd recht opgerichte vennootschap, namelijk Chinnede Ltd., welke vennootschap, op haar beurt, alle aandelen in het geplaatste kapitaal van Chinese Workers B.V. hield. Dit maakte de kwestie in Laagland haar optiek tot een grensoverschrijdend geschil. Betoogd zou kunnen worden dat nu een (van de) belanghebbende(n) – ook een procespartij – woonachtig in het buitenland was, er sprake was van een geschil als evengenoemd. Maar dat zou nog steeds leiden tot bevoegdheid van de Ondernemingskamer, aangezien ingevolge de hoofdregel als bedoeld in art. 2, eerste lid, EEX-Vo, in samenhang gelezen met art. 4 EEX-Vo, de verweerder wordt opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat op wiens grondgebied hij zijn woonplaats heeft en die plaats in dit geval in Nederland lag. Waar de verzoeker of belanghebbende zijn woonplaats heeft, is voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening niet relevant.
HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge, r.o. 6.2.1-6.2.2 (e-Traction).
Vide ook de conclusie, onder 3.14, van A-G Vlas bij HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge, r.o. 6.2.1-6.2.2 (e-Traction), waarin hij opmerkte dat ‘vanuit internationaal privaatrechtelijk oogpunt geen sprake [is, toev. RPJ] van een grensoverschrijdend geschil [curs. RPJ]’.
In deze richting kennelijk ook HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge, r.o. 6.2.2 (e-Traction); conclusie, onder 3.16, van A-G Vlas bij deze beschikking. Volgens A-G Vlas rijst door het treffen van een voorziening met grensoverschrijdende gevolgen nog geen vraag van internationale bevoegdheid. Cf. zijn conclusie, onder 2.5, bij HR 29 maart 2013, NJ 2013/304, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/166, m.nt. A. Doorman, AA 2013, p. 466-476, m.nt. B.F. Assink (Chinese Workers), waarin hij opmerkte dat ‘[n]och uit de wet noch uit de rechtspraak volgt dat de uit de enquête voortvloeiende maatregelen beperkt moeten blijven tot de Nederlandse landsgrenzen’.
Videart. 2:345, eerste lid, eerste volzin, BW, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat de Ondernemingskamer op verzoek een of meer personen kan benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de ‘rechtspersoon’, en art. 2:349a, tweede lid, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat de Ondernemingskamer op verzoek een onmiddellijke voorziening kan treffen indien zulks vereist is in verband met de toestand van de ‘rechtspersoon’. Kortom, de enquêteprocedure is gericht op de rechtspersoon.
Kennelijk ook HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge, r.o. 6.2.2 (e-Traction); conclusie, onder 3.16, van A-G Vlas bij deze beschikking. Anders: D.A.M.H.W. Strik, ‘Internationale aspecten van de Ondernemingskamer’, WPNR 2014/7037, p. 1019 (voetnoot 10). Zij ziet niet in waarom het oproepen van belanghebbenden als bedoeld in (mede), als ik het goed zie, art. 2, eerste lid, EEX-Vo en art. 6 EEX-Vo niet binnen de reikwijdte van de EEX-Verordening zou vallen. Strik ziet kennelijk voorbij aan art. 4, eerste lid, EEX-Vo, waaruit, in samenhang gelezen met art. 2, eerste lid, EEX-Vo, volgt dat voor de toepassing van de hoofdregel als bedoeld in laatstgenoemd artikel slechts van belang is het grondgebied waarop de verweerder zijn woonplaats heeft. Voor de bevoegdheid van de Ondernemingskamer is de woonplaats van eventuele belanghebbenden dan ook van geen belang.
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 6 Brussel I-bis, aant. 1; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 6 Brussel I-bis, aant. 1.
Naast een materieel toepassingsgebied heeft de EEX-Verordening II een (beperkt)1 formeel toepassingsgebied. De (algemene) hoofdregel staat in art. 4, eerste lid, EEX- Vo II.2 Daarin is bepaald dat, wil die regel toepassing vinden, de verweerder3 (a) zijn woonplaats op het grondgebied van een lidstaat moet hebben en (b) hij, ongeacht zijn nationaliteit, voor de gerechten4 van die lidstaat wordt opgeroepen (het forum rei5).6 Hierbij is niet van belang waar (binnen of buiten de EU) de eiser of verzoeker zijn woonplaats7 heeft. 8 Ten tijde van, vanuit Nederland bezien, de betekening van de dagvaarding of van de indiening van het verzoekschrift moet de verweerder woonplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat van de aangezochte rechter.9 Als hij op dat moment níét daarop woonachtig is, dient de rechter ingevolge art. 6, eerste lid, eerste zinsnede, EEX-Vo II zijn bevoegdheid vast te stellen aan de hand van de nationale bevoegdheidsregels van de desbetreffende lidstaat, tenzij sprake is van een – als uitzondering op het genoemde onder (a) supra vormend – geval als bedoeld in art. 18 eerste lid, EEX-Vo II, art. 21, tweede lid, EEX-Vo II, art. 24 EEX-Vo II of art. 25 EEX-Vo II (vide art. 6, eerste lid, laatste zinsnede, EEX-Vo II10).11 Indien de verweerder12 wél aldaar woonachtig is, kán, dat staat ter discretie van de eiser/ verzoeker, hij – bij wijze van uitzondering op het genoemde onder (b) supra – in de in art. 7-8 EEX-Vo II aangeduide gevallen (de bijzondere of alternatieve bevoegdheidsgronden) worden opgeroepen voor een ander gerecht dan dat is aangewezen conform de hoofdregel.13
Willen de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening II, waaronder art. 4 EEX-Vo II, van toepassing zijn, dan dient de rechtsbetrekking tussen partijen een internationaal karakter te hebben.14 Het Hof van Justitie drukt dit aldus uit dat voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening II een ‘extraneïteitselement’ vereist is.15 Zuiver interne gevallen, men denke aan de situatie waarin (onder andere) zowel de eiser (verzoeker) als de gedaagde (verweerder) zijn woonplaats in een en dezelfde lidstaat heeft,16 vallen (dus) buiten de formele reikwijdte van deze regeling.17 Naar het oordeel van het Hof van Justitie behoeft het internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding evenwel niet voort te vloeien uit de omstandigheid dat, wegens (i) de grond van de zaak of (ii) de respectieve woonplaats van partijen bij het geding, meerdere lidstaten bij de zaak betrokken zijn;18 de betrokkenheid van een lidstaat en een niet-lidstaat kan de betrokken rechtsverhouding immers – eveneens – een internationaal karakter geven, bijvoorbeeld omdat de verzoeker (eiser) en de verweerder (gedaagde) hun woonplaats op het grondgebied van een lidstaat hebben en de litigieuze feiten in een niet-lidstaat hebben plaatsgevonden.19
Binnen de grenzen van het materiële EEX-Vo II-toepassingsgebied en het formele EEX-Vo II-toepassingsgebied is de in de EEX-Verordening II vervatte bevoegdheidsregeling dwingend en uitputtend.20 Dit impliceert dat als (a) een extraneïteitselement aanwezig is, (b) een vordering/verzoek kan worden gekwalificeerd als een burgerlijke of handelszaak, een en ander in de zin van art. 1, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II, en (c) de verweerder zijn woonplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft, een en ander in de zin van art. 4, eerste lid, EEX-Vo II iunctoart. 62 EEX-Vo II of art. 63 EEX-Vo II, de rechter (in beginsel) ambtshalve de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening II dient toe te passen, ongeacht of door (een der) partijen een beroep op deze regeling is gedaan,21 en zij prevaleren boven de nationale bevoegdheidsregels.22 Zulks leidt er, onder andere, toe dat een rechter (i) zich niet onbevoegd mag verklaren op de grond dat hij een gerecht van een andere (lid)staat een geschikter forum acht om van het geschil kennis te nemen (de forum non conveniens-exceptie),23 (ii) wanneer hij geen bevoegdheid aan de EEX-Verordening II kan ontlenen, hij zich desondanks niet bevoegd kan verklaren op de grond dat hij zijn eigen gerecht een geschikt(er) forum acht om van het geschil kennis te nemen (forum conveniens)24 en (iii) een partij in een voor hem aanhangige procedure niet mag verbieden een zaak aanhangig te maken of voort te zetten bij een andere rechter van een lidstaat, zelfs niet indien deze partij te kwader trouw handelt om de reeds aanhangige procedure te belemmeren.25
Wat dit een en ander, in het kader van hoofdregel, voor het Nederlandse enquêterecht betekent, in het bijzonder in geval van een bij de Ondernemingskamer inge- diend verzoek om een concerngenotenenquête, zal ik illustreren aan de hand van drie voorbeelden. Voorbeeld één. Zowel de verzoeker als de verwerende moedermaatschappij en haar verwerende dochtermaatschappij hebben hun woonplaats op het grondgebied van Nederland. Nu de rechtsbetrekking tussen deze partijen geen internationaal karakter heeft, mist de EEX-Verordening II toepassing.
In een enquêteprocedure kunnen ook belanghebbenden worden toegelaten, waaronder in het buitenland woonachtige. Zulk een situatie deed zich voor in de e-Traction- zaak.26 In die zaak waren de verzoekers zowel als de verweersters (kennelijk) in Nederland woonachtig. Een aantal belanghebbenden was daarentegen in het buitenland woonachtig. De Ondernemingskamer beval bij wijze van voorziening op de voet van art. 2:355, eerste lid, BWiunctoart. 2:356, aanhef en onderdeel e, BW de overdracht ten titel van beheer van de door e-Traction Worldwide S.C.A., een belanghebbende gevestigd te Luxemburg, in het geplaatste kapitaal van e-Traction Europe B.V. gehouden aandelen aan Cornelissen te Amsterdam.
In cassatie27 werd, onder andere, geklaagd dat de Ondernemingskamer ten onrechte had beslist dat zij te dier zake rechtsmacht had. Volgens de verzoekers tot cassatie had, nu de vorenbedoelde voorziening was gericht op e-Traction Worldwide S.C.A. en deze woonplaats had op het grondgebied van Luxemburg, de vraag of de Ondernemingskamer in dezen rechtsmacht toekwam, moeten worden beantwoord op grond van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening.
De Hoge Raad overwoog dat deze opvatting onjuist is. Volgens hem vond immers voor de bevoegdheid van de Ondernemingskamer om van de verzoeken kennis te nemen en de onderhavige voorziening te treffen de EEX-Verordening geen toepassing (maar art. 2:345 BW (iunctoart. 995, eerste lid, BW)), nu zowel de verzoekers van die voorziening als de vennootschappen ten aanzien van wie die is getroffen (dat was er maar één) woonplaats hadden in Nederland (vide r.o, 6.2.2, eerste al.).28
Teneinde uit te maken of het voor de toepassing van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening (II) vereiste extraneïteitselement aanwezig is in geval van een tot de enquêteprocedure toegelaten belanghebbende die in het buitenland woonachtig is, zijn er in mijn optiek drie benaderingen mogelijk: (1) een enge, i.e. dat alleen wordt gekeken naar de woonplaatsen van de verweerder en verzoeker, (2) een ruime, i.e. dat naar de woonplaatsen van álle procespartijen (verzoeker, verweerder en belanghebbende) wordt gekeken, en (3) een genuanceerde, i.e. dat alleen mede naar de woonplaats van de belanghebbende wordt gekeken als hij een zelfstandig verzoek (in de vorm van e.g. een enquête- of wanbeleidverzoek dan wel een verzoek om (onmiddellijke) voorzieningen) in zijn verweerschrift heeft opgenomen (videart. 282, vierde lid, Rv). De Hoge Raad koos in de onderhavige zaak – in navolging van A-G Vlas – (kennelijk) voor de enge benadering. Zonder toelichting, die ontbreekt, is mij niet duidelijk waarom hij niet mede keek naar (de) belanghebbenden; in verzoekschriftprocedures wordt eveneens deze volgens de wet als procespartij aangemerkt (vide HR 18 januari 2013, NJ 2013/60, r.o. 3.5), een aantal belanghebbenden was in dezen in het buitenland woonachtig en zij hadden (mede) verzoeken gedaan die gericht waren op de vennootschap bij wie de Ondernemingskamer had ingegrepen door middel van het bevelen van de aandelenoverdracht ten titel van beheer (e-Traction Europe B.V.) aan de kant van de in Luxemburg woonachtige aandeelhouder (e-Traction Worldwide S.C.A.).
Verdere beschouwingen hierover kunnen achterwege blijven; de vraag of in de voorliggende zaak sprake was van een internationaal geval of van een zuiver intern geval, kan namelijk in het midden worden gelaten, omdat in beide gevallen de Ondernemingskamer de bevoegde rechter was, niet die in Luxemburg. Dat de Ondernemingskamer desverzocht een (onmiddellijke) voorziening kan treffen, zoals in casu de aandelenoverdracht ten titel van beheer, die gevolgen heeft voor een in het buitenland woonplaats hebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon als lid van een orgaan van een in Nederland woonplaats hebbende gerekestreerde vennootschap, zoals in casu e-Traction Worldwide S.C.A., maakt(e) dit niet anders,29 nu niet uit het oog moet worden verloren dat het bij de toepassing van de hoofdregel als bedoeld in art. 2, eerste lid, EEX-Vo (thans: art. 4, eerste lid, EEX-Vo II), in samenhang gelezen met art. 4 EEX-Vo (thans: art. 6 EEX-Vo II), louter van belang is waar de ‘verweerder’ zijn woonplaats heeft en in het enquêterecht slechts de te enquêteren rechtspersoon als zodanig kan worden beschouwd (desverzocht wordt er naar zijn beleid en gang van zaken eventueel een onderzoek bevolen en desverzocht worden er bij hem eventueel (onmiddellijke) voorzieningen getroffen),30 niet de leden van zijn organen. Laatstgenoemden kunnen in een enquêteprocedure, wanneer zij verweer willen voeren, hooguit als ‘belanghebbenden’ verschijnen, maar dat is voor het bepalen van de bevoegdheid van de Ondernemingskamer niet ter zake dienend.31
Voorbeeld twee. De verzoeker heeft zijn woonplaats op het grondgebied van China, de verwerende moedermaatschappij heeft haar woonplaats op het grondgebied van Nederland en de verwerende dochtermaatschappij heeft haar woonplaats op het grondgebied van Duitsland. De rechtsbetrekking tussen deze partijen heeft een internationaal karakter en beide enquêtesubjecten hebben hun woonplaats op het grondgebied van een lidstaat. Mitsdien is de EEX-Verordening II van toepassing. Uit de hoofdregel als bedoeld in art. 4, eerste lid, EEX-Vo II volgt dan dat de Onder- nemingskamer wél bevoegd is kennis te nemen van het enquêteverzoek ten aanzien van de, kort gezegd, Nederlandse vennootschap, maar niet ten aanzien van de, kort gezegd, Duitse vennootschap.
Voorbeeld drie. De verzoeker heeft zijn woonplaats op het grondgebied van Frankrijk, de verwerende moedermaatschappij heeft haar woonplaats op het grondgebied van Australië en de verwerende dochtermaatschappij heeft haar woonplaats op het grondgebied van Nederland. De rechtsbetrekking tussen deze partijen heeft een internationaal karakter en het laatstgenoemde enquêtesubject heeft zijn woonplaats op het grondgebied van een lidstaat. Mitsdien is in zoverre de EEX-Verordening II van toepassing en is de Ondernemingskamer ingevolge de eerdergenoemde hoofdregel bevoegd om van het enquêteverzoek kennis te nemen. Met betrekking tot het enquêtesubject met woonplaats op het grondgebied van een niet-lidstaat, te weten Australië, mist de EEX-Verordening II evenwel, in beginsel, toepassing. Krachtens art. 6, eerste lid, EEX-Vo II dient de Ondernemingskamer alsdan, in beginsel, haar (internationale) bevoegdheid vast te stellen aan de hand van de nationale bevoegdheidsregels als bedoeld in art. 1-14 Rv,32 waarover hierna (vide § 5.1.2).