Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.3.4
8.3.4 Rangwisseling
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS390668:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/781, Abendroth, WPNR 2014/7029 en Krzeminski, WPNR 2016/7092.
Zie onder meer Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/131a, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/781, Faber & Vermunt 2010, p. 168, Kleijn, JBN 1998/61, Steneker 2012/25, Krzeminski, WPNR 2016/7092 en Beekhoven van den Boezem, WPNR 2015/7072.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/781, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/131a en Beekhoven van den Boezem, WPNR 2015/7072.
Zie Faber & Vermunt 2010, p. 168 en Beekhoven van den Boezem, WPNR 2015/7072.
Zie Faber & Vermunt 2010, p. 168 en Beekhoven van den Boezem, WPNR 2015/7072.
Zie PG Boek 3 BW, p. 811.
Zie Krzeminski, WPNR 2016/7092 die in het publiciteitsgebrek twee praktische hindernissen ziet voor het effectief realiseren van een afwijkende rangorde. Zie ook Asser/ Van Mierlo 3-VI 2016/131a.
Deze praktische belemmering speelt bij hypotheek in vergelijkbare zin indien de hypotheekstelling is geschied ter verzekering van toekomstige schulden. Overigens zal ook in dat geval in de akte een maximumbedrag moeten worden opgenomen. Een voorbeeld is de zogenaamde bankhypotheek. Zie hierover Huijgen 2016/7 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/293.
Zie Krzeminski, WPNR 2016/7092 die deze onzekerheid als een belangrijke drempel beschouwt om tot analoge toepassing van art. 3:262 BW te komen.
Vgl. de hierboven in par. 8.2.3.3 beschreven praktijk van het ‘lichten’ van hypotheken die onder het regime van het oude BW bestond.
Zie Krzeminski, diss. 2013, p. 176 en Faber & Vermunt 2010, p. 175 en Van Hees 2001, p. 231 die de praktische toepassing van herverpanding in de context van rangwisseling plaatsen.
Die bevoegdheid moet ondubbelzinnig worden toegekend omdat hij als niet-eigenaar in beginsel de bevoegdheid mist om tot verpanding over te gaan.
In dit geval wordt het herpandrecht dus gevestigd tot zekerheid van een schuld van een derde. Oorspronkelijk strekt de figuur van de herverpanding ertoe dat de pandhouder opnieuw krediet kan aantrekken door de aan hem verpande zaak op zijn beurt te her-verpanden tot zekerheid van een eigen schuld. Zie over de ontwikkeling Krzeminski, diss. 2013, p. 24 e.v.
Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid – opgemerkt wordt dat de pandhouder jegens de herpandnemer geacht wordt afstand te hebben gedaan van zijn rang – dat herverpanding rangwisseling tot gevolg heeft. Zie PG Boek 3 BW, p. 767. Algemeen wordt aangenomen dat de rangwisseling ligt besloten in het karakter van herverpanding. Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/133, Krzeminski, diss. 2013, p. 143, Faber & Vermunt 2010, p. 175.
Zie Krzeminski, diss. 2013, p. 145, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/133, Steneker 2012/14 en Faber & Vermunt 2010, p. 176. Het belang van goederenrechtelijke werking manifesteert zich in het bijzonder bij het faillissement van de herpandgever. De curator zal het recht van de herpandnemer die zich als separatist met voorrang op het (her)pandobject kan verhalen moeten eerbiedigen.
Anders Van Hees 2001, p. 230 die de bevoegdheid tot herverpanding beschouwt als een onderdeel van het complex van rechten en verplichtingen dat de inhoud van het pandrecht bepaalt en niet als een zelfstandig toe te kennen bevoegdheid. Vanuit die gedachte acht hij het verklaarbaar dat bijvoorbeeld een tweede pandhouder het herpandrecht evenzeer tegen zich heeft te laten gelden.
Zie Faber & Vermunt 2010, p. 178 die naar mijn mening terecht onderscheid maken tussen het verkrijgen en het uitoefenen van de bevoegdheid tot herverpanding. Rechten van derden die zijn gevestigd na de verkrijging doch voor de uitoefening van de herverpandingsbevoegdheid, worden niet bij het herpandrecht achtergesteld. Zie in deze zin ook Krzeminski, diss. 2013, p. 150, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/133 en Steneker 2012/14.
Zie hierboven par. 6.2.3.3.
Zie ook Krzeminski, diss. 2013, p. 145.
In gelijke zin Faber & Vermunt 2010, p. 178 en Krzeminski, diss. 2013, p. 153.
Het beoogde rechtsgevolg van deze rechtsverhouding is eveneens faillissementsbestendig omdat in een eventueel faillissement van de herpandgever de herpandnemer zich als separatist met voorrang op het herpandobject kan verhalen.
Gaat een pandhouder met een eerder dan de herpandhouder gevestigd pandrecht tot executie over, dan ondervindt de herpandhouder daarvan geen hinder omdat het hoger gerangschikte pandrecht van de herpandgever – bij wie de herpandhouder voorgaat – op het goed blijft rusten. Indien de herpandgever de executie overneemt, is hij gehouden zijn deel van de executieopbrengst voor zover nodig voor de voldoening van de vordering van de herpandnemer aan hem af te staan.
Ik stel vast dat de mogelijkheid om aan een derde (pandnemer/herpandgever) de bevoegdheid te verlenen om in eigen naam een beschikkingshandeling (vestigen herpandrecht) te verrichten op een uitdrukkelijke keuze van de wetgever berust. Zie evenwel de goederenrechtelijke bezwaren die aan de figuur van herverpanding kleven Krzeminski, diss. 2013, p. 289 e.v. Zie ook de kritiek vanuit rechtshistorisch en vergelijkend perspectief van Zwalve 1994, p. 450.
Zie respectievelijk Abendroth, WPNR 2014/7029 en Krzeminski, WPNR 2016/7092.
Zie Beekhoven van den Boezem, WPNR 2015/7072 die in zijn reactie op de opvatting van Abendroth terecht wijst op het onderscheid tussen de rangwisseling van het pandrecht en de rangverlaging van de vordering. Zie ook Krzeminski, WPNR 2016/7092.
Zie par. 8.2.3.3.
In de praktijk bestaat de behoefte om bijvoorbeeld in het kader van een herfinanciering een pandrecht te kunnen verkrijgen dat een hogere rang inneemt dan de rang die het recht door toepassing van de prioriteitsregel toekomt.1 Waar art. 3:262 BW ten aanzien van hypotheekrechten voorziet in de mogelijkheid om een van de prioriteitsregel afwijkende rangorde te bepalen, ontbreekt een uitdrukkelijke regeling voor pandrechten. Het uitgangspunt van de wet is dan ook dat een tussen de pandhouders onderling overeengekomen rangwisseling slechts obligatoir effect heeft, derhalve niet tegen derden kan worden ingeroepen en evenmin bestand is tegen het faillissement van een der partijen. Om toch een rangwisseling met goederenrechtelijk effect te kunnen bewerkstelligen wordt in de literatuur op ruime schaal analoge toepassing van art. 3:262 BW verdedigd.2 Zo wordt erop gewezen dat pand en hypotheek in de kern hetzelfde recht vormen.3 Een regeling ter zake van de rangwisseling voor pandrechten past in die opvatting geheel in het stelsel van de wet.4 Het feit dat voor pandrechten een wettelijke regeling ontbreekt, wordt wel afgedaan met de veronderstelling dat deze wens van de praktijk aan de aandacht van de wetgever is ontsnapt omdat onder de vigeur van het oude BW de fiduciaire eigendomsoverdracht niet tot een meervoudige zekerheidsstelling kon leiden.5 De regeling van art. 3:262 BW is immers in de wet opgenomen om aan de wens van de praktijk tegemoet te komen.6 Analoge toepassing brengt mee dat een goederenrechtelijke rangwisseling kan plaatsvinden indien alle beperkt gerechtigden die van rang wisselen daarmee instemmen en hiervan een authentieke of onderhands geregistreerde akte wordt opgemaakt.7
Indien alle betrokken pandhouders het eens zijn, lijkt het aannemen van de mogelijkheid van rangwisseling voor de hand te liggen. Toch meen ik dat rangwisseling zonder uitdrukkelijke wetsbepaling niet mogelijk moet worden geacht. Een bepaling zoals die van art. 3:262 BW vormt een uitdrukkelijk toegelaten uitzondering op het goederenrechtelijke uitgangspunt dat de rangorde wordt vastgesteld naar anciënniteit van de rechten. Een dergelijke uitzondering bestaat bij de gratie van de wetgever. De veronderstelling dat de wetgever niet aan het opnemen van een rangwisselingsregel zou hebben gedacht vormt geen argument om de mogelijkheid aan te nemen om met goederenrechtelijk effect een op de prioriteitsregel afwijkende rangorde overeen te komen. Welbeschouwd past de figuur van rangwisseling ook niet in het systeem van de wet. De wetgever heeft rangwisseling in art. 3:262 BW juist toegelaten in afwijking op het systeem van de wet.
Naast de bezwaren van dogmatische aard tegen analoge toepassing, kunnen ook praktische bezwaren worden aangevoerd. Een eerste bezwaar houdt verband met de publiciteit van pandrechten. Hoewel moet worden toegegeven dat pand en hypotheek in de kern dezelfde rechten zijn, vertonen zij op het gebied van publiciteit een wezenlijk verschil.8 In de eerste plaats verschaffen de openbare registers ten aanzien van hypotheekrechten informatie over de rangorde die partijen beogen te wijzigen. Bij pandrechten staat de rangorde echter niet objectief vast omdat het totstandkomingstijdstip niet uit enig openbaar register valt vast te stellen en daardoor evenmin alle in de rangorde betrokken pandrechten kenbaar zijn. Daarnaast kunnen bij de rangwisseling van hypotheekrechten aan de hand van de informatie uit de registers alle betrokkenen worden geïdentificeerd die met de rangwisseling moeten instemmen. Het aanduiden van alle rechten die op het goed rusten is ten aanzien van roerende zaken – en in nog hogere mate bij vorderingsrechten – geen sinecure. De kenbaarheid van oudere rechten is voor stille pandhouders immers beperkt tot hetgeen in de pandakte daarover door de pandgever is verklaard. Voorts zal het feit dat bij pandrecht anders dan bij hypotheek9 de hoogte van de verzekerde vordering niet bij de totstandkoming hoeft te worden opgenomen en niet kenbaar is voor de overige pandhouders remmend werken op de bereidheid om een rangwisseling te bewerkstelligen.10 Een pandhouder zal immers niet instemmen met een rangverlaging indien hij zijn verhaalspositie niet nauwkeurig kan vaststellen.
Zo lang de wetgever een regeling voor rangwisseling niet heeft gecodificeerd en de Hoge Raad zich evenmin over de analoge toepassing heeft uitgelaten dient een rangwisseling te worden gerealiseerd doordat de eerste pandhouder afstand doet van zijn pandrecht om aldus een andere schuldeiser in de gelegenheid te stellen een eersterangs pandrecht te verkrijgen, alvorens opnieuw, doch dit maal een tweederangs, pandrecht te bedingen.11 Een alternatieve constructie om tot een rangwisseling te komen kan worden gevonden in de figuur van de herverpanding.12 Indien aan de pandhouder de bevoegdheid daartoe ondubbelzinnig is toegekend, kan hij op het bezwaarde goed een herpandrecht vestigen ten behoeve van een tweede schuldeiser.13 Dit herpandrecht strekt tot zekerheid van de schuld van de (oorspronkelijke) pandgever.14 Deze tweede schuldeiser verkrijgt als herpandhouder een zelfstandig pandrecht dat in afwijking op de prioriteitsregel de rang van het oorspronkelijke pandrecht inneemt.15 Aangenomen moet worden dat deze rangwisseling goederenrechtelijk werkt, doch slechts relatief.16 De herverpander moet weliswaar de herpandnemer voor zich dulden – waarmee de rangwisseling niet slechts een obligatoire regeling is – maar het kan niet zo zijn dat de rechten van derden als gevolg van de herverpanding worden geschaad. Indien de eerste pandnemer overgaat tot herverpanding van een goed waarop reeds een tweede pandrecht is gevestigd, blijft de positie van de tweede pandhouder ongewijzigd.17 Zijn positie zou anders volledig worden uitgehold door het na zijn recht ontstane herpandrecht. Aangezien de bevoegdheid tot herverpanding wordt uitgeoefend nadat een tweede pandrecht tot stand is gekomen, hoeft de tweede pandnemer het nieuw ontstane recht van de herpandnemer niet tegen zich te laten gelden.18 Er is geen grond om ten aanzien van de positie van de tweede pandnemer van de prioriteitsregel af te wijken. Het gevolg is dat de rangwisseling slechts relatief werkt. Evenals in het hierboven beschreven geval waarin een tussenliggende hypotheekhouder zijn toestemming niet heeft verleend ter zake van een rangwisseling tussen de eerste en derde hypotheekhouder, ontstaat een situatie waarin twee rangordes naast elkaar bestaan.19 De van rang gewisselde pandnemers nemen namelijk onderling een andere rang in dan de rang die zij ieder afzonderlijk ten opzichte van de tweede pandnemer hebben. Hoewel deze onoverzichtelijke situatie zich moeilijk laat verenigen met het absolute karakter van een met goederenrechtelijk effect gewijzigde rangorde,20 doet deze opvatting recht aan de belangen van zowel de herpandnemer als de andere pandnemers. De herpandnemer zal derhalve de plaats van de herpandgever innemen, maar zijn verhaalspositie bij een eventuele executie is beperkt tot de hoogte van de vordering van het oorspronkelijk eerste pandrecht.21 Het zou dogmatisch zuiverder zijn om de herverpanding – die vanwege de hieraan verbonden rechtsgevolgen als middel voor de effectuering van een rangwisseling wordt aangewend – slechts in de interne verhouding te laten doorwerken. Reeds de rechtsverhouding tussen de herpandgever en de herpandnemer brengt mee dat de herpandgever zich dient te onthouden van de uitoefening van zijn bevoegdheden, onder meer om tot executie over te gaan.22 De rang-wisseling kan in deze optiek niet aan derden worden tegengeworpen.23 Dit betreft evenwel meer fundamentele kritiek op de figuur van de herverpanding als zodanig en gaat dan ook het bestek van dit onderzoek te buiten.24
Naast herverpanding zijn ook de rangverlaging zoals bedoeld in art. 3:277 lid 2 BW en de kruislingse cessie van de verzekerde vorderingen in de literatuur aangedragen om een rangwisseling te realiseren.25 De achterstelling van de door een pandrecht verzekerde vordering heeft echter geen gevolgen voor de rangorde van de pandrechten.26 De pandhouder met het eerst gevestigde recht blijft de hoogst gerangschikte pandhouder met als gevolg dat alleen de door hem ingezette executie volledig zuiverende werking heeft. Ook de weg van de kruislingse cessie van de verzekerde vorderingen zal zelden uitkomst bieden. Hoewel bij een dergelijke cessie de pandrechten vanwege hun accessoire karakter eveneens wisselen van schuldeiser, is deze wijze van rangwisseling slechts mogelijk indien de gecedeerde vorderingen gelijk zijn. Een dergelijke goederenrechtelijke rangwisseling kan immers alleen zonder bezwaren worden aangenomen indien de positie van derden niet wordt aangetast.
Het verdient gelet op de wens van de praktijk aanbeveling dat de wetgever voorziet in een wettelijke mogelijkheid voor de rangwisseling bij pandrechten. De motivering van de wetgever met betrekking tot art. 3:262 BW is immers ook van toepassing op pandrechten. Indien pandhouders een rangwisseling kunnen realiseren op een met art. 3:262 BW overeenkomstige wijze wordt bovendien voorkomen dat zij hun toevlucht nemen tot gekunstelde constructies. Om het goederenrechtelijke effect van een rangwisseling te kunnen rechtvaardigen alsmede om de praktische uitvoerbaarheid ervan te effectueren, is echter wel vereist dat een openbaar register voor pandrechten wordt geïntroduceerd. Alleen indien de rangwisseling kenbaar is – en andere betrokkenen er zo nodig mee hebben ingestemd – kan de afwijking op de prioriteitsregel aan derden worden tegengeworpen. Evenals in het kader van art. 3:262 BW is betoogd,27 zal dan ook een tussenliggende pandhouder met de rangwisseling moeten instemmen alvorens goederenrechtelijk effect wordt gesorteerd. Op die manier worden relatief werkende rangwisselingen voorkomen en wordt de grens tussen het verbintenissenrecht en het goederenrecht niet onnodig vertroebeld. De invoering van een stelsel van registratie en publicatie draagt daarnaast bij aan de praktische uitvoerbaarheid omdat een dergelijk stelsel dienstig is voor de identificatie van de gerechtigden wiens toestemming voor de rangwisseling is vereist.