Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.1:6.4.1 Typologie van klachtbedingen
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.1
6.4.1 Typologie van klachtbedingen
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973560:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik onderscheid hierna vijf hoofdtypen klachtbedingen van het subtype (a) met specifieke klachttermijn (bijvoorbeeld ‘veertien dagen na ontdekking van het gebrek’) en (b) met een termijn zonder specifieke tijdsaanduiding (bijvoorbeeld ‘zo spoedig mogelijk’).
Daarbij is in de eerste plaats uitgegaan van volledig rechtsverval als sanctie, zoals de huidige heersende leer bij art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW tot uitgangspunt neemt (zie ook par. 5.4 hiervoor). Ten tweede wordt een beding met verjaring als sanctie besproken. Ten derde worden bedingtypen besproken die repercussies hebben voor de schadevergoedingsvordering van de schuldeiser. Het gaat hier in essentie om een vorm van schadebeperkingsplicht, zoals ook in par. 5.4.2 hiervoor werd gesuggereerd in het kader van de wens om de sanctie op art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW te relativeren. Op die plaats werd ook gesuggereerd dat bewijsrepercussies kunnen worden verbonden aan de schending van de klachtplicht. Het vierde bedingtype dat ik in deze paragraaf bespreek, is een contractuele variant daarvan. Tot slot komt het in de praktijk veel gehanteerde klachtbeding met betrekking tot de prijs of onjuistheden in de factuur aan de orde. Het gaat, al met al, om de volgende varianten:
klachtbedingen met rechtsverval als sanctie en (Ia) een vage klachttermijn of (Ib) een specifieke klachttermijn (bijvoorbeeld ‘30 dagen na ontdekking van het gebrek’);
klachtbedingen met verjaring als sanctie (II);
klachtbedingen met repercussies voor de schadevergoedingsvordering van de schuldeiser als sanctie en (IIIa) een vage klachttermijn of (IIIb) een specifieke klachttermijn;
klachtbedingen met bewijsleveringsconsequenties als sanctie en (IVa) een vage klachttermijn of (IVb) een specifieke termijn;
klachtbedingen ten aanzien van betaling van de (koop)prijs/onjuistheid van de factuur en (Va) een vage klachttermijn of (Vb) een specifieke klachttermijn.
Voor de goede orde: type Ia is het type klachtbeding dat voorlag in Afvalzorg/Slotereind. Althans, de Hoge Raad gaat er in zijn richtinggevende overwegingen ten aanzien van de uitleg van de klachttermijn vanuit dat het beding rechtsverval als sanctie had. In par. 3 hiervoor wijdde ik al een beschouwing aan die overwegingen, die ik op deze plaats niet zal overdoen. Mijn bespreking begint dan ook direct met type Ib, een klachtbeding met rechtsverval als sanctie en, anders dan in Afvalzorg/Slotereind, een specifieke klachttermijn.
Met dit overzicht wordt overigens geen volledigheid beoogd. Er zijn tussenvormen en combinaties van de hiervoor genoemde varianten denkbaar. Denk bijvoorbeeld aan een klachtbeding waarbij na ommekomst van een bepaalde termijn eerst sprake is van beperking van de schadevergoedingsvordering van de schuldeiser en, na ommekomst van een tweede termijn, algeheel rechtsverval intreedt. Hierna worden dergelijke combinaties en tussenvormen, op een uitzondering na, niet behandeld.1
Daarnaast kan sprake zijn van variatie in het aanvangsmoment van de termijn. De termijn kan bijvoorbeeld een aanvang nemen na een daadwerkelijk, subjectief weten van de schuldeiser dat sprake is van een gebrek. De termijn kan daarentegen ook aanvangen op basis van een geobjectiveerd aanvangsmoment. De termijn kan zelfs aanvangen op het moment waarop het gebrek optreedt, ongeacht de vraag of de schuldeiser daarmee bekend is of had moeten zijn.2 Wat partijen precies voor aanvangsmoment hebben beoogd, is een kwestie van uitleg. De vraag hoe streng de bepaling van het aanvangsmoment van de klachttermijn is geformuleerd, kan een rol spelen bij de vraag of het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar of onredelijk bezwarend moet worden geacht. Daarbij speelt vanzelfsprekend de hoedanigheid van partijen en met name de mate van professionaliteit en het kennisniveau van de betreffende schuldeiser een rol.
Hierna worden de diverse bedingtypen niet expliciet uitgesplitst in bedingen met een subjectief of objectief/geobjectiveerd aanvangsmoment. Ik merk daarover in zijn algemeenheid op dat indien het aanvangsmoment van een klachttermijn in het betreffende beding ontbreekt of onduidelijk is, aansluiting kan worden gezocht bij het aanvullende recht dat anders had gegolden. Dus stelt het beding rechtsverval als sanctie, dan kan worden aangesloten bij art. 6:89 en/of 7:23 lid 1 BW, et cetera.