Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.10.c
3.10.c Inhoudelijke toegangsbeoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604689:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 31 maart 1995, nr. 662/1995 (Lumley/Jamaica); zie verder bijv. CRM 3 april 2002, nr. 802/1998 (Rogerson/Australië); CRM 8 juli 2004, nr. 964/2001 (Saidova/Tajikistan).
CRM 17 juli 2008, nr. 1542/2007 (Aboushanif/Noorwegen).
Vgl. over juryrechtspraak in hoger beroep en motivering CRM 16 juli 2014, nr. 1942/ 2010 (T.L.N./Noorwegen).
Aldus ook CRM-lid Wedgewood in haar opinie onder CRM 17 juli 2008, nr. 1542/2007 (Aboushanif/Noorwegen).
CRM 29 oktober 1999, nr. 789/1997 (Bryhn/Noorwegen), waarin met name aan de heroverweging belang wordt gehecht.
CRM 16 oktober 2014, nr. 2004/2010 (H.K./Noorwegen).
ECRM 26 oktober 1995, nr. 20087/92 (E.M./Noorwegen); ECRM 27 november 1996 (ontv.), nr. 25944/94 (Peterson Sarpsborg AS e.a./Noorwegen).
Voor de aanvaardbaarheid van leave to appeal is volgens het CRM beoordeling van de inhoud van het beroep vereist. In het standaardoordeel Lumley/Jamaica gaat het om een veroordeling tot vijftien jaar gevangenisstraf voor een roofoverval. De beroepsrechter wijst het verzoek om verlof af. Ook het daartegen ingestelde beroep op het hooggerechtshof strandt op een verloftoets. Lumley’s klacht hierover verklaart het CRM ongegrond: “While on the basis of article 14, paragraph 5, every convicted person has the right to his conviction and sentence being reviewed by a higher tribunal according to law, a system not allowing for automatic right to appeal may still be in conformity with article 14, paragraph 5, as long as the examination of an application for leave to appeal entails a full review, that is, both on the basis of the evidence and of the law, of the conviction and sentence and as long as the procedure allows for due consideration of the nature of the case.”1 Het Comité zet in deze overweging een belangrijke redeneerstap: een verlofstelsel moet worden beschouwd als modaliteit van review en dient daarom binnen het reguliere toetsingskader te worden beoordeeld. Anders geformuleerd kan verlofbeoordeling het recht op beroep dus verwezenlijken, en moet het daarom in beginsel ook hetzelfde worden beoordeeld als rechtsmiddelen zonder verlofstelsel. Ook verloftoetsing moet dus ‘volwaardig’ zijn, betrekking hebben op zowel feitelijke als juridische kwesties, en ruimte laten voor grondige beoordeling van de aard van de zaak.
Hoe serieus het CRM dit kader toepast, blijkt uit enkele Noorse zaken. In Aboushanif/Noorwegen draait het om een veroordeling voor belastingfraude, waartegen wordt geappelleerd bij de Borgarting Court of Appeal. Het verzoek om toegang wordt echter afgewezen. Drie beroepsrechters beslissen unaniem dat “it was clear that the appeal would not succeed”. Voor afwijzing van toegang is unanimiteit ook vereist, maar naast uitdrukkelijke verwoording van de maatstaf wordt een motivering niet gegeven. Het verlofverzoek wordt ook niet mondeling behandeld, maar de partijen mogen wel schriftelijk (nieuwe) stukken indienen. De beslissing van de appelrechter is vervolgens in stand gelaten door het Noorse hooggerechtshof. Aboushanif klaagt dat aldus zijn recht op beroep is geschonden, en hoewel de Noorse autoriteiten veel argumenten van stal halen, ziet het CRM een verdragsschending: “In the present case, the judgment of the Court of Appeal does not provide any substantive reason at all as to why the court determined that it was clear that the appeal would not succeed, which puts into question the existence of a substantial review of the author’s conviction and sentence. The Committee considers that, in the circumstances of the case, the lack of a duly reasoned judgment, even if in brief form, providing a justification for the court’s decision that the appeal would be unsuccessful, impairs the effective exercise of the right to have one’s conviction reviewed as required by article 14, paragraph 5, of the Covenant.”2 De eis van motivering wordt in deze overwegingen niet als zelfstandig onderdeel van het recht op beroep gezien, maar door het CRM gebruikt als graadmeter voor de vraag of wel een substantial review heeft plaatsgevonden. Voor Noorwegen maakt die subtiliteit weinig uit, maar het laat de mogelijkheid open dat het plaatsvinden van een substantial review uit andere omstandigheden blijkt, zoals bijvoorbeeld het verslag van een verlofzitting in een proces-verbaal.3
Dit oordeel in de zaak Aboushanif/Noorwegen lijkt in strijd met een eerdere goedkeuring van het Noorse leave to appeal-systeem in de zaak Bryhn/Noorwegen uit 1999.4 Toch gaat de vergelijking tussen deze zaken mank, omdat in laatstgenoemde zaak de appelgrieven beperkt waren tot de straf, de afwijzing van het verlofverzoek iets specifieker was gemotiveerd (no possibility of leading to a reduced sentence), en de verlofrechters van het appelgerecht na een verzoek tot heroverweging hun afwijzing hadden bevestigd.5
Wat er van de mogelijke afwijking van eerdere rechtspraak ook zij, de Noorse overheid heeft adequaat op Aboushanif/Noorwegen gereageerd. Uit de zaak H.K./Noorwegen uit 2014 blijkt dat het Noorse hooggerechtshof aan de appelrechters motiveringsrichtlijnen voor de verlofbeslissing heeft verstrekt, en dat daarna de wetgever in een wettelijke plicht tot motivering van verlof-afwijzing heeft voorzien. In de zaak tegen H.K. zelf werd overigens verlof tot hoger beroep afgewezen, dit keer met aanvulling van de standaardmotivering met opmerkingen over het bewijs en de verwijtbaarheid. Het CRM acht dat voldoende, waarbij het belang hecht aan de unanimiteit die voor afwijzing van verlof onder drie rechters is vereist, en het feit dat nader beroep tegen de negatieve toegangsbeslissing bij het hooggerechtshof is afgewezen.6
Onder artikel 2P7 EVRM is inhoudelijke toegangsbeoordeling eveneens toelaatbaar. Opnieuw zijn enkele (oudere) zaken tegen Noorwegen exemplarisch. Voorafgaand aan de introductie van het hierboven beschreven verlofstelsel gold in Noorwegen een tamelijk complex stelsel van alternatieve rechtsmiddelen. In de zaken E.M./Noorwegen en Peterson Sarpsborg AS e.a./ Noorwegen stonden voor de klagers tegen de veroordeling in eerste aanleg twee rechtsmiddelen open: beroep bij het hooggerechtshof én appel bij een hof. Het ‘beroep’ bij het hooggerechtshof kon geen betrekking hebben op de feitelijke aspecten van de schuldvraag, maar enkel gaan over schending van het recht, procedurefouten of de straf. In ‘appel’ mocht juist alleen over de feitelijke kant van de schuldvraag worden geklaagd. Of en zo ja, bij welke instantie daadwerkelijk het rechtsmiddel aanhangig zou worden gemaakt, werd bepaald door een uit drie rechters bestaande verlofkamer van het hooggerechtshof. Die verlofkamer kon ‘beroep’ weigeren indien “it unanimously finds it clear that it will not succeed”. Het rechtsmiddel van ‘appel’ tegen de schuldvraag wordt toegelaten “when there may be reason to doubt whether the assessment of evidence was correct or other special reasons so indicate”.7 In beide gevallen gaat het dus om inhoudelijke toegangsbeoordeling. De Commissie wees in beide zaken tegen Noorwegen de op artikel 2 P7 EVRM gebaseerde klachten tegen dit stelsel af.