Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.2.2:6.2.2 Herkomstcheck
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.2.2
6.2.2 Herkomstcheck
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180126:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede strategie die de hoormedewerkers van de IND kunnen inzetten om de herkomst van de asielzoeker vast te stellen, is de herkomstcheck. De hieronder geciteerde medewerker legt uit hoe een herkomstonderzoek zou moeten worden uitgevoerd:
I: Wat heb je verder nog voor instrumenten, behalve documentenonderzoek, of HIS?
R: Je hebt 5 kennisdomeinen om te onderzoeken of iemand een bepaalde herkomst heeft. Je hebt documenten, herkomstonderzoek dus geografische vragen stellen, taal, etniciteit en algemene kennis over het land. Daarop baseer je of iemand er vandaan komt of niet.
I: En in het gehoor, ga je dan in op algemene kennis en geografische vragen? R: Nee, je kunt ook taalvragen stellen. Welke taal spreek je, hoe goed spreek je die taal, welk dialect en komt die taal voor in dat land, of zelfs in het gebied waar je vandaan lijkt te komen. Of de etniciteit die je hebt. Daar hoort vaak een stamtaal bij. Dan is het soms ook zo dat iemand die taal wel een bepaalde stamtaal moet spreken.1
Deze check komt neer op het stellen van vragen over de leefomgeving en achtergrond van de asielzoeker in zijn land van herkomst. Ieder aanmeldcentrum heeft een regionaal informatiecentrum waar hoor- en beslismedewerkers zich toe kunnen wenden met verzoeken om informatie over landen van herkomst, zoals kaartenmateriaal.
I: Hoe handel je bij twijfel over iemands identiteit en herkomst?
R: Tijdens een gehoor?
I: Ja?
R: Dan ga je check-vragen stellen. HIS-vragen. Die zet je uit bij het Regionaal
Informatiecentrum (RIC). Ja.2
De antwoorden op herkomstvragen kunnen door het RIC worden nagekeken. Niet alle medewerkers maken van deze mogelijkheid gebruik. Dat zou gelet op de beperkte capaciteit van de RIC’s ook niet kunnen. In welke gevallen een IND-medewerker een herkomstcheck uitvoert, kan per medewerker verschillen:
I: Als je iets anders zou doen aan de wijze waarop gehoord wordt, of wordt beslist […] wat zou je dan anders doen en hoe?
R: Wat ik vervelend vind, is dat er niet altijd duidelijk één lijn is. We zijn allemaal mensen, er zullen altijd verschillen zijn, maar sommige mensen zijn gewoon eigenwijs. Dat snap ik eigenlijk echt niet. Want als overheid moet je echt wel, want zo’n advocaat denkt ook, de ene keer gaat het zo, de andere zo.
I: Kun je dan anoniem, zonder namen te noemen, daar een voorbeeld van geven?
R: Nu bijvoorbeeld met die herkomstcheck. Daar wordt heel verschillend over gedacht. De ene doet een herkomstcheck, vervolgens, stuurt hij iemand naar
de Verlengde Asielprocedure voor een taalanalyse. Terwijl de ander dat allemaal niet doet meteen een vergunning verleent. Dat is een heel groot verschil, dat vind ik niet kunnen.
I: Hoe los je dat op?
R: Mensen kunnen het beleid misschien onzin vinden, maar ze moeten dat wel volgen.3
Ten aanzien van bepaalde nationaliteiten wordt de herkomstcheck door verschillende medewerkers extra belangrijk gevonden, omdat asielzoeker ‘wat te winnen hebben’ bij die herkomst.
I: Want zo’n eerste gehoor, kijk je tijdens het eerste gehoor al iemand komt daar en daar vandaan, kijk je dan meteen hoe dat eruit ziet?
R: Ja, kijk bijvoorbeeld bij Syriërs, als ik die ga horen dan bereid ik dat wel voor. Tijdens het gehoor ga ik dan nog dingen bekijken of opzoeken.
I: Doe je dat bij Syriërs ook omdat het bij Syriërs heel erg speelt en zijn er andere landen waar dat minder het geval is?
R: Ja, kijk als mensen er gewin bij kunnen hebben dat ze stellen ergens vandaan te komen, waar ze niet vandaan komen, moet je daar wel maatregelen tegen nemen.
I: Zijn er ook gevallen waarin iemand daar geen gewin bij kan hebben?
R: Ja, stel dat iemand zegt dat hij uit Ghana komt en heeft totaal geen documenten bij zich. Dan zou je nog niet echt hoeven twijfelen, daar hoef je niet zomaar herkomstonderzoek naar te doen.
I: Want?
R: Want daar is niets aan de hand, dus waarom zou je zeggen dat iemand daarvandaan komt als hij er niet vandaan komt?4
Ook de vraagstellingen die worden gehanteerd lopen tussen medewerkers uiteen. In de werkinstructie (destijds niet-openbaar, sinds 2019 is er een openbare instructie5) staat dat medewerkers bij het stellen van vragen moeten aansluiten bij de belevingswereld van de asielzoeker. Toch ziet de hieronder geciteerde medewerker dat dit niet altijd gebeurt, vooral niet als medewerkers geen besliservaring hebben:
I: Zie je dan ook verschillen in het gehoor van iemand die geen besliservaring heeft en iemand die dat wel heeft? Hoe uit zich dat? R: Ja, dan kan ik hooguit een paar extreme voorbeelden noemen. Een voorbeeld is bijvoorbeeld het herkomstonderzoek. Als iemand geen documenten heeft, gaan we wat geografische vragen stellen om de herkomst vast te stellen.
Dan weet ik door mijn ervaring welke informatie het RIC heeft en welke vragen ik dus kan stellen. Dan zie je ook opmerkingen in het gehoor staan, van goh, is er ook een supermarkt in het dorp. Als het dan dorp met tien hutjes is, dan ga je dat niet vragen. Dat weten mensen dan niet. Of een vraag die ik wel eens las, gesteld aan iemand uit een Afrikaans land: zijn er ook verharde wegen in uw land. Alsof heel Afrika uit zand bestaat. He, dus dat is iets, onwetendheid.
I: Met het herkomstonderzoek, je vraagt niet of er in een dorp met tien hutjes een supermarkt is. Maar hoe bepaal je wat je wel vraagt? Ga je voorafgaand aan het gehoor de landkaart bestuderen? Of zijn dat standaardvragen?
R: Nee, eigenlijk heb ik geen standaardvragen. Het is bij mij erg afhankelijk van wie heb ik tegenover me en wat de belevingswereld is van zo iemand. Dat staat trouwens ook letterlijk in de werkinstructie over herkomst, waar besteed je aandacht aan. Het heeft ook geen nut om aan een analfabeet, helemaal als hij tien jaar als herder heeft gewerkt, [te vragen] hoe het zit met de schoolopleiding in het land van herkomst. En al gaat hij dat al doen, dan kan het zijn dat hij denkt: ja, nu moet ik antwoord geven op deze vraag, dus… Je loopt ook de kans dat je zo verkeerde informatie krijgt. Ik probeer dus aan te sluiten op de belevingswereld van iemand, bij zijn werkzaamheden of zijn interesses.
I: Staan die dan ook in de werkinstructie genoemd?
R: Niet letterlijk, maar in die instructie staat wel dat je bij de belevingswereld van betrokkene moet aansluiten. Aan een universiteit geschoold iemand, stel je andere vragen dan aan een schaapsherder.
I: Je moet dus wel zelf bepalen welke vragen je stelt en hoe je aansluit op de belevingswereld?
R: Ja, wat vertelt iemand over zijn leven, waar is hij opgegroeid, wat deed hij, wat vond hij belangrijk in zijn land van herkomst. Ik kan moeilijk jou allerlei vragen gaan stellen over voetbal in je land van herkomst terwijl je helemaal niet van voetbal houdt. Dan moet je ik je daar dus niets over vragen.
I: Nee, dat lijkt me ook.
R: Dus dat is de afweging die je moet maken. Wat zit er in het verhaal waar ik
eventueel vragen over kan stellen. Wat weet ik over zijn woongebied?
I: Hoe zorg je ervoor dat nieuwe medewerkers dat ook doen? Hoe worden ze daartoe opgeleid?
R: Door de piek hebben de nieuwe medewerkers tijdens de hele hoge instroom een korte opleiding gehad. In de beginfase hebben we ze alleen ingezet op het horen van Eritreeërs, omdat ze uit hetzelfde gebied komen, allemaal uit kleine dorpjes uit dezelfde regio. Dus dan wordt het iets makkelijker om ze wat over het herkomstgebied te vertellen. Wat vraag je wel en wat niet.6
De hierboven geciteerde medewerker vindt het dus van belang om bij het stellen naar vragen over de herkomst, zoveel mogelijk aan te sluiten bij de leefwereld van de asielzoeker. Hij is niet de enige die signaleert dat niet iedere medewerker (in zijn ogen) goede herkomstvragen stelt. De sleutel tot goed herkomstonderzoek is volgens hem dat je vragen stelt die iemand niet uit zijn hoofd kan leren:
I: Waarom dan niet? Bedoel je dat ze niet weten welke informatie belangrijk is, of dat ze niet overzien wat ze aan het doen zijn?
R: Beide. Er kunnen heel veel redenen zijn. Ik vind horen ook een vak, ik weet zeker dat niet iedereen dat kan. Bijvoorbeeld het HISsen. Is ook een tak van sport die ook niet iedereen beheerst.
I: Wat is daar moeilijk aan? Je kunt toch een vragenlijst afwerken met: waar stond de moskee enzovoorts?
R: Ja, maar dat is allemaal informatie die je uit je hoofd kunt leren. Je zag bij de Eritreeërs dat ze dat allemaal in hun hoofd stampten. De truc is om vragen te stellen die ze niet uit hun hoofd hebben geleerd. Dus mensen positioneren en dan vragen, als je daar staat: wat zie je dan? Of, als we het over eens zijn dat dit hier staat en dat daar, hoe lopen we dan van het ene punt naar het ander?
Wat kom je dan tegen?
I: Dat kun je toch makkelijk in een standaard vragenlijst zetten?
R: Het is zelfs zo dat de mensen die bij het RIC werken en de informatie opzoeken, dit niet begrijpen. Dan wordt gevraagd, maak een informatiemapje, desnoods met al wat vragen erbij, maar die komen dan ook niet verder dan welke plaatsen rondom plaats x liggen en is er een water in de buurt en waar staat de kerk. Daarvan denk ik: dat leer je uit je hoofd. Het gaat erom wat je ziet, wat je waarneemt. Als er hoogteverschillen zijn en je moet dan lopen, dan neem je dat waar. Als je dat stuk iedere dag loopt, dan weet je gewoon waar je omhoog moest lopen, en waar omlaag.7
Ik vroeg een zeer nieuwe medewerker wat voor vragen hij stelt om de herkomst van de asielzoeker te bepalen:
I: Vraag jij rechtstreeks van welke moskee was er in de buurt et cetera, of pas je het in het verhaal? Zo van, als je naar je werk loopt, waar kom je dan langs?
R: Vooral naar losse feiten.
I: Doe je dat met een kaartje bij de hand? Of zoek je dat van te voren op? R: Dat is bijvoorbeeld bij Syriërs heel moeilijk als ze niet uit de grote steden, of toeristisch gebied afkomstig zijn, we moeten de antwoorden wel kunnen controleren, anders heeft het weinig zin om de vraag te stellen.
I: Heb je wel eens gehad dat iemand uit Syrië niet door de HIS heen kwam? R: Nee, bij Syrië niet. Wel bij Eritrea.8
Deze medewerker sluit dus niet aan bij de belevingswereld van de asielzoeker, zoals de eerder genoemde medewerker nodig acht. Een andere medewerker laat het over aan de asielzoeker om met opvallende kenmerken naar voren te komen:
I: Als je twijfel hebt over iemands identiteit en herkomst. Wat ga je dan doen? R: Dan laat ik ze veel meer vertellen over hun wijk en ik probeer ervoor te zorgen dat ik geen vragen hoef te stellen. Dan maak ik mijn vragen heel open, van kunt u mij wat meer vertellen? Als ik vragen ga stellen, doe ik dat op basis van vragen die ik heb. Wat ik dus weet, dan ga ik daarover checkvragen opstellen. Als ik ze dat open laat vertellen, komt hij al met dingen waarover ik kan doorvragen. Dan kan ik ook denken, dat heb ik ooit gehad. Iemand zei uit een wijk te komen waarin een heel groot vliegveld lag. Iemand vertelde daar niets over. Die vertelde alleen maar over kleine prutwinkeltjes om de hoek. Is er niets groots? Nee, nee, nee er is niets groots. Nou volgens mijn gegevens is er een mega groot vliegveld in jouw wijk, niet al te ver van waar u zegt gewoond te hebben. Maar u vroeg dat niet. Nee, maar ik heb u wel gevraagd naar alle bijzondere dingen. Dat is dan voor mij wel een indicatie. Daarom probeer ik zo open mogelijk te houden. Dat ze daar echt zelf mee moeten komen, dat maakt het gewoon makkelijker om af te wijzen. Ik vraag jou heel open en jij komt hier niet mee, terwijl het juist wat kenmerkends is.
I: Heb jij dan een kaartje voor je neus?
R: Ja, dan zit ik continu terwijl zij aan het vertellen zijn, of in de pauzes ga ik naar de standalone computer bij het RIC, om daar informatie te verkrijgen. Dan ben ik echt aan het checken. Soms heb ik ook een groepje met bevriende collega’s die stuur ik dan van joh, wil jij dit even checken. Dat ik het meteen tegen kan werpen. Dat ik niet pauzes moet houden. Want in sommige gevallen zijn pauzes heel gevaarlijk he, als ze daar met z’n allen zitten uit hetzelfde gebied en er is er 1 die er echt vandaan komt, dan weten ze het na de pauze in een keer allemaal wel.
I: Jaja.9
De aanpak van het herkomstonderzoek verschilt dus per medewerker. De één probeert zoveel mogelijk open vragen te stellen en aan te sluiten bij de belevingswereld van de asielzoeker, terwijl de ander vooral vraagt naar losse feiten die te controleren zijn. Een tweede verschil is de mate waarin de medewerker erop let dat antwoorden op vragen uit het hoofd zouden kunnen worden geleerd.