Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.3.5.8
3.3.5.8 Het Informatiecentrum
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401858:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het lijkt erop dat de bewaartermijn van zeven jaar een ‘Brussels’ compromis is. Enig verband met in de lidstaten bestaande verjarings- of vervaltermijnen lijkt in elk geval te ontbreken.
De Bosch Kemper & Blees, ‘De Vierde WAM-richtlijn (III)’, Het Verzekerings-Archief 2004, p. 7.
Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PbEG 1995, L 281/31. Voor Nederland betekent dit dat de Wet bescherming persoonsgegevens moet worden nageleefd.
Op deze plaats dient tot slot van het gedeelte van dit hoofdstuk dat is gewijd aan het juridische kader waarbinnen de verplichte motorrijtuigverzekering vorm heeft gekregen, aandacht te worden besteed aan het Informatiecentrum.
Het Informatiecentrum is ingevoerd bij de 4e Richtlijn en heeft thans zijn regeling gevonden in art. 23 van de Richtlijn. Zijn doel is benadeelden in de zin van die Richtlijn te faciliteren bij het achterhalen van de voor het verkrijgen van schadevergoeding noodzakelijke gegevens. Zie art. 23 lid 1 aanhef en onder c:
“Iedere lidstaat draagt zorg voor de oprichting of erkenning van een informatiecentrum dat de benadeelde in staat moet stellen schadevergoeding te eisen en dat daartoe:
a) (…);
b) (…);
c) de informatiegerechtigden bijstand verleent om de onder a), i) tot en met v), vermelde informatie te achterhalen.”
Het Informatiecentrum houdt ofwel een register bij dat informatie bevat, dan wel coördineert de verzameling en verspreiding van deze informatie. Zie art. 23 lid 1 onderdelen a en b. De bedoelde gegevens zijn – kort gezegd – de kentekens van de gewoonlijk op zijn grondgebied gestalde motorrijtuigen, de polisnummers met betrekking tot deze voertuigen en – als de polis is beëindigd – de expiratiedatum van de polis, de verzekeraar, eventueel de omstandigheid dat het aansprakelijke voertuig van de verzekeringsplicht is vrijgesteld en de instantie die in geval van een vrijstelling op grond van art. 5 lid 1 van de Richtlijn verantwoordelijk is voor de schadeloosstelling, dan wel de eigenaar van het onder art. 5 lid 2 van de verzekeringsplicht vrijgestelde voertuig. Het Informatiecentrum kan deze taak, zoals gezegd, op twee manieren vervullen: door de informatie hierboven bedoeld zelf te verzamelen en op te slaan, dan wel door de verzameling en verspreiding van deze gegevens te coördineren.
Uit het tweede lid van art. 23 blijkt dat het Informatiecentrum daarnaast ook moet bijhouden welke schaderegelaar elke in een lidstaat toegelaten Wam-verzekeraar in alle andere lidstaten heeft aangesteld. De verzekeraars zijn gehouden deze gegevens aan alle Informatiecentra te verschaffen. Benadeelden krijgen vervolgens in het derde lid van art. 23 het recht aan het Informatiecentrum van de lidstaat van hun woonplaats, dan wel aan die waar het aansprakelijk gehouden voertuig gewoonlijk is gestald, dan wel aan die van het ongeval, de naam van de dekking gevende aansprakelijkheidsverzekeraar, het polisnummer en de naam en het adres van de schaderegelaar in de lidstaat van hun woonplaats te vragen. Zij kunnen dat recht zeven jaar na het ongeval uitoefenen. Met het oog daarop moeten de hierboven genoemde gegevens gedurende zeven jaar ‘na het verstrijken van de inschrijving van het voertuig of van de verzekeringsovereenkomst’ worden bewaard.1
Wat onder ‘het verstrijken van de inschrijving van het voertuig’ moet worden verstaan, blijft daarbij onduidelijk. Voor zover de kentekenregistratie persoonsgebonden is – zoals bijvoorbeeld in België – zou dit kunnen meebrengen dat bepalend is de datum waarop het kenteken niet meer aan het betrokken voertuig, maar aan een ander door de betrokkene aangeschaft voertuig wordt verbonden. In Nederland – waar een kenteken aan een voertuig gekoppeld blijft gedurende zijn gehele levensduur, dan wel tot zijn uitschrijving uit het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer (RDW) wegens uitvoer – zou dit theoretisch betekenen dat het Informatiecentrum de in het eerste lid bedoelde gegevens zou moeten bewaren tot zeven jaar na vernietiging of export van het voertuig. Een interpretatie die recht doet aan de bedoelingen van de Richtlijn lijkt te zijn dat de gegevens bedoeld in het eerste lid moeten worden bewaard tot zeven jaar na de datum waarop het kenteken op een andere bezitter overgaat.
Blijkens het vierde lid heeft de benadeelde ook het recht om de naam en het adres van de eigenaar, de gebruikelijke bestuurder of de geregistreerde houder van het voertuig te verkrijgen.
Overweging 45 bij de Richtlijn merkt omtrent het gerechtvaardigde belang op dat daaraan kan worden gedacht als de aansprakelijke ‘niet naar behoren verzekerd is’ of omdat de schade het verzekerd bedrag overtreft. Eerder hebben De Bosch Kemper en ik ook gewezen op de situatie dat het eigen recht van de benadeelde is verjaard, terwijl de vordering tegen de aansprakelijke nog niet aan verjaring onderhevig is geweest.2
De Informatiecentra moeten samenwerken. Zie art. 23 lid 3, laatste volzin.
Omdat bepaalde door de Informatiecentra bewaarde of gecoördineerde en verstrekte gegevens moeten worden beschouwd als persoonsgegevens in de zin van Richtlijn 95/46/EG, dienen zij bij de verwerking de krachtens de ter uitvoering van deze Richtlijn geldende nationale wet- en regelgeving in acht te nemen.3
De Richtlijn bepaalt in art. 23 lid 3 dat de benadeelde de naam en het adres van de verzekeraar, het polisnummer en de naam en het adres van de schaderegelaar zoals gezegd gedurende een periode van zeven jaar – onverwijld dient te verkrijgen.
In overweging 43 wordt het belang van snelle informatieverstrekking nog eens benadrukt:
“De lidstaten dienen in het belang van die benadeelden informatiecentra op te richten zodat die informatie betreffende ongevallen waarbij een motorrijtuig is betrokken snel beschikbaar is. Deze informatiecentra moeten de benadeelden ook inlichtingen met betrekking tot schaderegelaars verstrekken. Deze centra dienen onderling samen te werken en elkaars verzoeken om inlichtingen over schaderegelaars onverwijld te beantwoorden. (…)”
Deze door de Richtlijn verlangde spoed blijkt in de praktijk lastig te verwezenlijken.
De registratieprocedures ter zake van kenteken- en verzekeringsgegevens, de nationale databanken – als al aanwezig – en de toegang daartoe door met name die Informatiecentra die de gegevens niet zelf verzamelen, maar de verspreiding ervan coördineren, verschillen sterk en dat alles heeft zijn invloed op de snelheid waarmee de gegevens aan de benadeelde ter beschikking kunnen worden gesteld.
In de praktijk blijken de Informatiecentra in de meeste lidstaten te zijn ondergebracht bij hetzij het waarborgfonds, hetzij het Bureau. In enkele lidstaten is er een andere instantie opgericht of aangewezen.