Open normen in het huurrecht
Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/2.3.2.1:2.3.2.1 Opkomst wetgevingsbeleid
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/2.3.2.1
2.3.2.1 Opkomst wetgevingsbeleid
Documentgegevens:
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS493839:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Fockema Andreae 1945, p. 20.
Zie voor recente beschrijvingen van het wetgevingsbeleid: Zijlstra 2012, p. 99-236, Bokhorst 2014, p. 165-234 en Van Lochem, RegelMaat 2015/4, p. 148-153.
Aanwijzingen voor de regelgeving. Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992, Stcrt. 1992/230.
Zie Toetsingsbeleid van de Raad van State: https://www.raadvanstate.nl/onze-werkwijze/advisering/toetsingskader.html (26 februari 2017).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast financiering en communicatie behoort wetgeving tot de belangrijke instrumenten waarmee de overheid haar gezag, in de betekenis van gelegitimeerde macht, uitoefent. Wetgeving is een gewichtig instrument, in die zin dat het een product is van parlement en regering samen en – door het kernachtige legaliteitsbeginsel – een belangrijke pijler van onze rechtsstaat. Het is, in de klassieke woorden van Thorbecke, de hoogste verrichting van de staat.1 Tegelijkertijd bindt de wet niet alleen de burgers, maar ook de staat zelf. Zelfs de financiering door de overheid is gebonden aan een wettelijke grondslag. Begroting en subsidie worden bij wet vastgesteld.
Door het gewicht van wetgeving ligt het voor de hand dat dit instrument weloverwogen wordt ingezet. Toch duurde het tot de jaren tachtig van de vorige eeuw voordat de overheid bewust wetgevingsbeleid ontwikkelde. Het is niet overdreven om deregulering de harde kern van dit wetgevingsbeleid te noemen.2 Het is de opvatting dat de belangrijkste bijdrage aan de verbetering van onze wetgeving de vermindering van wetgeving is. De weerslag van het dereguleringsbeleid vinden we in de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin is opgenomen dat elk wetgevingsvoornemen in de eerste plaats tegemoet moet worden getreden met vragen naar het nut en de noodzaak ervan.3 Herhaaldelijk probeert de Raad van State de indiener van een wetsvoorstel te ontmoedigen door de zin ervan in twijfel te trekken, vaak met de enigszins sarcastische vraag voor welk probleem het voorstel een oplossing is.4