Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.3.2
11.3.2 Garanties aangaande de naleving van mensenrechtelijke verplichtingen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459447:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Daarvan is ook sprake indien de uitlevering pas achteraf wordt beoordeeld door het EHRM. Het gaat ook dan om de vraag of de aangezochte staat voorafgaand aan de uitlevering mocht vertrouwen op de garanties die zagen op de gang van zaken na uitlevering. Wel betrekt het EHRM bij die beoordeling informatie over de gang van zaken na uitlevering aangezien die informatie de inschatting van de autoriteiten van de aangezochte staat kunnen bevestigen of ontkrachten. Zie bijv. EHRM 20 februari 2007, nr. 35865/03 (Al-Moayad/Duitsland), par. 63.
EHRM 20 februari 2007, nr. 35865/03 (Al-Moayad/Duitsland), par. 66.
EHRM 20 februari 2007, nr. 35865/03 (Al-Moayad/Duitsland), par. 67.
EHRM 20 februari 2007, nr. 35865/03 (Al-Moayad/Duitsland), par. 68.
Zie EHRM 6 juli 2010, nrs. 24027/07, 11949/08 en 36742/08 (Babar Ahmad e.a./Verenigd Koninkrijk), par. 105; EHRM 17 januari 2012, nrs. 9146/07 en 32650/07 (Harkins en Edwards/Verenigd Koninkrijk), par. 85; EHRM 25 september 2012, nr. 58555/10 (Rrapo/Albanië), par. 72.
Zie bijv EHRM 9 mei 2006, nr. 26844/04 (Salem/Portugal).
Algemene beschouwing
Een in bepaalde gevallen belangrijke factor bij de beoordeling van de naleving van mensenrechtelijke verplichtingen bij interstatelijke samenwerking in strafzaken is de mogelijkheid garanties te bedingen en te verlenen. Wanneer garanties worden verleend, vormen zij het object van het vertrouwen: het vertrouwen richt zich op en wordt ontleend aan de gegeven garantie. Het gaat dan eigenlijk altijd om prospectief vertrouwen: de garantie ziet op een toekomstige gebeurtenis. Daarbij is van belang de vraag in hoeverre garanties volkenrechtelijk bindend zijn. Ook kan een rol spelen van welke staat een garantie afkomstig is en in hoeverre die staat volkenrechtelijke verplichtingen naleeft. Ook is van belang van welke autoriteit een garantie afkomstig is en hoever zijn bevoegdheid naar het interne recht van de garantieverlenende staat reikt. Ten slotte is van belang waartoe de garantie precies strekt: een bepaalde inspanning of een bepaald resultaat zijdens de garantieverlenende staat. Anders gezegd: wat is de precieze inhoud van de garantie?
Uitlevering of overbrenging van een persoon
Bij uitlevering kunnen garanties een rol van betekenis spelen. Zij komen in de jurisprudentie van het EHRM aan de orde indien zonder die garantie sprake is van een ‘real risk’ op een met het EVRM strijdige behandeling. Garanties kunnen dat risico wegnemen of afdoende verminderen zodat er geen belemmering meer bestaat voor de voorgenomen uitlevering (dan wel, terugkijkend, dat de aangezochte staat terecht is overgegaan tot uitlevering). Bij uitlevering gaat het in dit verband om prospectief vertrouwen, vertrouwen gericht op een toekomstige gebeurtenis.1 Voor de beoordeling van dat vertrouwen acht het EHRM gelet op zijn jurisprudentie van belang de inschatting van het volkenrechtelijk bindende karakter van de garanties, de inhoudelijke betekenis die de autoriteiten van de aangezochte staat aan de garanties hebben gegeven en de ervaringen die de aangezochte staat met de verzoekende staat heeft. Deze aspecten komen fraai naar voren in de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak-Al-Moayad. Na de vaststelling dat de positie van de opgeëiste persoon als verdachte van terroristische activiteiten zorgelijk is in geval van uitlevering aan de Verenigde Staten, beoordeelt het EHRM gedetailleerd of het risico bestaat dat hij daadwerkelijk terecht zal komen op Guantánamo Bay of een vergelijkbare ‘black site’. Daartoe wijst het Hof op de vaststelling door de Duitse rechter dat de Verenigde Staten de toepassing van de Presidential Military Order die een dergelijke bijzondere vorm van detentie en berechting mogelijk maakte, had uitgesloten en daarmee ‘had entered into a binding obligation not to detain the complainant in an internment camp’ en dat de Duitse autoriteiten de uitlevering ook afhankelijk hadden gemaakt van de voorwaarde dat de opgeëiste persoon niet zou worden gedetineerd op Guantánamo Bay.2 Het EHRM ziet dat volkenrechtelijk bindende karakter als voorwaarde voor effectieve garanties. Vervolgens gaat het EHRM in op de betekenis die aan de garantie is, en zo lijkt het: kon worden, gegeven. In het hier als voorbeeld besproken arrest-Al-Moayad betrof de toezegging letterlijk genomen slechts dat de opgeëiste persoon niet op grond van de genoemde Presidential Military Order zou worden vervolgd voor een ‘military tribunal’ of een ander buitengewone rechtbank. De Duitse autoriteiten hadden dat echter opgevat als garantie dat de opgeëiste persoon niet zou worden gedetineerd in een detentiefaciliteit buiten de Verenigde Staten. Op dit punt betrekt het EHRM latere informatie bij de beoordeling en stelt vast dat ook achteraf niet is gebleken dat dit een onjuiste inschatting is geweest.3Ten slotte betrekt het EHRM in zijn beoordeling in essentie het betrouwbare karakter van de Verenigde Staten in de uitleveringsrelatie met Duitsland.4Algemener verwoordt het EHRM dat als de ‘presumption of good faith’ die in beginsel gepaard gaat met een notawisseling houdende garanties, zij het ‘that that presumption be applied to a requesting State which has a long history of respect for democracy, human rights and the rule of law, and which has longstanding extradition arrangements with Contracting States’.5 Hier is het principiële karakter van deze vorm van vertrouwen te zien.
Een laatste aspect dat bij de beoordeling van een gegeven garantie een rol speelt betreft de bevoegdheid van de autoriteit die de garantie verleent. Wanneer die autoriteit de nakoming van die garantie in eigen hand heeft, zoals het bestuur dat kan bepalen of de opgeëiste persoon voor een military tribunal zal worden berecht, legt die garantie meer gewicht in de schaal dan wanneer dat niet zo is. Wel kan die bevoegdheid, die bij uitleveringszaken doorgaans afkomstig is van de minister van de verzoekende staat, materieel worden benaderd. Daarmee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat van belang kan zijn dat de uitvoerende macht via het instrument van gratie zelf in de hand heeft of een bepaalde straf wordt ten uitvoer gelegd. Als bijvoorbeeld wordt toegezegd dat de opgeëiste persoon niet zal worden onderworpen aan de doodstraf, dan kan de uitvoerende macht die toezegging nakomen door gebruik te maken van zijn gratiebevoegdheden dan wel door de straf om te zetten, zelfs al zou de rechter in de verzoekende staat zich niet gebonden achten aan de toezegging en die straf wel opleggen.6
In de besproken jurisprudentie van de Hoge Raad is een aantal lijnen te ontwaren die in het verlengde liggen van de benadering door het EHRM. Bij de weging van garanties en toezeggingen lijkt het uitgangspunt van de Hoge Raad dat die garanties en toezeggingen oprecht worden gedaan en dat de autoriteit die die garanties verleent of die toezeggingen doet, meestal de minister of regering van de verzoekende staat, alles zal doen wat in zijn macht licht om hun gestand te doen. Met andere woorden: er wordt van uitgegaan dat de toezeggingen en garanties te goeder trouw zijn gedaan. Dit kan als uiting van het vertrouwensbeginsel worden gezien en lijkt ook het uitgangspunt van het EHRM te zijn, al laat het Hof wel ruimte voor een inschatting van het volkenrechtelijk bindende karakter van de garanties en de ervaringen die de aangezochte staat met de verzoekende staat heeft. Het vertrouwensbeginsel gaat in de jurisprudentie van de Hoge Raad echter niet zo ver dat bij het bestaan van een toezegging of een garantie zonder meer mogelijke gevaren wegneemt. Daarvoor zal ook beoordeeld kunnen en moeten worden of de garanties ook voldoende zijn, of zij voldoende bescherming opleveren tegen het licht van de situatie in de verzoekende staat. Daarbij is van belang de vraag waar het risico van en dreigende schending van het EVRM precies uit bestaat en welke invloed de autoriteit die de toezegging of garanties heeft gedaan of verleend daar direct en indirect op heeft. Ook dat lijkt in overeenstemming met de benadering door het EHRM.
Overname van een veroordeling
Anders dan bij uitlevering is bij overname van een veroordeling in mensenrechtelijk opzicht geen rol weggelegd voor garanties. Dat verwondert niet als wordt bedacht dat er slechts een probleem rijst indien het vonnis tot stand is gekomen als gevolg van een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces. Dat is retrospectief en kan in wezen niet worden beïnvloed door garanties. Uiteraard kunnen inlichtingen in dat opzicht wel een rol spelen. Als echter de slotsom is dat sprake is geweest van een flagrant oneerlijk proces dan kan het vonnis simpelweg niet worden overgenomen.
Gebruik van bewijsmateriaal afkomstig uit een andere staat
Bij de beoordeling van mensenrechten in het basismodel van kleine rechtshulp is evenmin een grote rol weggelegd voor garanties. Die beoordeling betreft de bruikbaarheid van in de andere staat vergaard bewijsmateriaal in verband met eventuele schendingen van mensenrechten in die staat van herkomst van het materiaal. Dat is een retrospectieve beoordeling, waarbij garanties, die immers op toekomstige gebeurtenissen zien, en het vertrouwen dat zich daarop richt, in wezen geen rol spelen.
Iets vergelijkbaars kan worden gezegd van het basismodel van overname van executie. Hier wordt in herinnering geroepen dat het basismodel van de beoordeling van mensenrechten bij overname van executie de beoordeling van de mensenrechtelijke conformiteit van het veroordelende vonnis betreft. Ook dat is een retrospectieve beoordeling waarin garanties geen rol spelen.