Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/IV.2
IV.2 Maarten Luther en het ‘ius patronatus’
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS382947:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Beide documenten vindt men afgedrukt in: L. Becchetti e.a., De geheime archieven van het Vaticaan, Brussel 2009, 120-121, nrs. 46a en 46b. Op 122-123 vindt men ook de veroordeling van Worms: 8 mei 1521.
Vóór het dertigste levensjaar mocht je niet tot bisschop aangesteld worden, laat staan tot aartsbisschop.
X.3.5.5 Quia in tantum, waarbij de bisschop niet mocht toelaten dat iemand meer dan één beneficie zou verwerven. Uiteraard moest de bisschop zelf het voorbeeld geven, omdat zijn waardigheid nog meer eisen stelde.
Drie maanden na de bul ‘Supernae dispositionis arbitrio’, waarin bij het Concilie van Lateranen V beterschap werd beloofd, verviel de H. Stoel al in de oude fouten.
Zo zijn er indulten bekend voor de universiteit van Keulen: J.B. Rigantius, Commentaria in regulas, constitutiones & ordinationes Cancellariae Apostolicae opus posthumum, Romae 1746, III, 19-20, nrs. 68-69.
X.1.7.4 Licet in tantum.
X.3.5.28 De multa.
CT, III, 1, 640, l. 13: ‘ex qua tot mala profecta sunt’ (31 mei 1563). Niettegenstaande deze bezwaren cumuleerden de aartsbisschoppen van Keulen na het Concilie van Trente regelmatig meer dan één bisdom.
Th. Schauerte, hg., Der Kardinal Albrecht von Brandenburg. Renaissancefürst und Mäzen, Regensburg 2006, 2 dln. Zie ook: http://www.kardinal-albrecht-2006.de.
K. Barack, Die Zimmerische Chronik, Tübingen 1869, 208.
X.3.4.3 Quia nonnulli.
X.1.7.3 Quanto personam. Deze regel werd trouwens nog veel duidelijker herhaald in X.1.7.4 Licet in tantum (‘spirituale foedus conjugii, quod est inter episcopum et ecclesiam’).
M. Lenz, Briefwechsel, I, 398.
R. Hofman, Gerardi Magni. Contra turrim Traiectensem, in: R. van Dijk, Prolegomena ad Gerardi Magni Opera Omnia, Turnhout 2003, pars I, 777- 806.
Het werk van M. Luther aan de Duitse adel herbergt vele parallellen met de kritiek, die men vindt in de ‘Gravamina’. A. Wrede, Deutsche RTA unter Kaiser Karl V., Jüngere Reihe, Göttingen 19622, II, 705.
M. Brecht, Martin Luther, Stuttgart 1981, I, 292 en 403- 406. Men ziet in de zestiende eeuw vaak een verwijzing naar canoniekrechtelijke teksten van ‘vóór vierhonderd jaar’; dan nam men afstand van de pauselijke Decretalen: CT XII, 236, l. 15.
A. Wrede, Deutsche RTA, Jüngere Reihe, II, 474, lijn 28 en 38, waar ook blijkt dat Luther vooral de Decretalen op de korrel nam.
R. Lieberwirth, Juristen, böse Christen, in: HRG, Berlin 20092, Sp. 1426-1429. Ook de Friese jurist Viglius stond erom bekend deze uitdrukking vaak te citeren. Volgens Petrus Suffridius had hij ze zelfs uitgevonden: C. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica, ’s-Gravenhage 1743, I, 1, **** verso Prosopographia Viglii: ‘proverbum fecit … Juristam bonum esse, Christianum malum’.
E. Dickerhof-Borello, Ein Liber Septimus für das corpus iuris canonici; der Versuch einer nachtridentinischen Kompilation, Köln 2002. Nu is de Katholieke Kerk van mening, dat Luther de verkondiging van het Woord van God vooropstelde en dat hij de liturgie van het volk van God benadrukte.
BAV, Lat. Vat. 3924, f° 187 r°.
Luther is vooral bekend om zijn vijfennegentig stellingen, waarin de aflaten op de korrel werden genomen. Slaat men er het evangelie op na, dan komen aflaten daar niet voor. Hetzelfde doet zich voor met het ‘ius patronatus’, zij het dat het patronaatsrecht ook niet voorkwam in de vijfennegentig stellingen, noch in de bullen ‘Exsurge Domine’ (15-6-1520) en ‘Decet Romanum Pontificem’ (3-1-1521), waarmee Leo X Luther als ketter veroordeelde.1
Zonder Albrecht van Brandenburg, aartsbisschop-keurvorst van Mainz, maar ook aartsbisschop van Maagdenburg en administrator van Halberstadt, kan men de schrijnende problemen van Luther niet goed begrijpen. Soortgelijke problemen vond men deels ongetwijfeld ook op andere plaatsen in de christenheid, maar daar was geen persoonlijkheid als Luther. Albrecht van Brandenburg was de aartsbisschop, onder wie Luther in Saksen leefde en werkte. Als kerkleider liet de piepjonge aartsbisschop op het gebied van aflaten openlijk nogal wat misbruiken zien, die men zich bij een geestelijke liever niet voorstelde.2
De pluraliteit, d.i. het cumuleren van verschillende kerkelijke ambten,3 vereiste een betaling aan de pauselijke Kanselarij. Daartoe was op 18 augustus 1514 een overeenkomst getroffen met de H. Stoel: Albrecht moest 30.000 dukaten betalen.4Zodoende liet de aartsbisschop leden van de orde van de Dominicanen in zijn bisdom preken om de benodigde gelden op te halen en om de penningen van de verleende aflaten te incasseren. In januari 1517 werd deze handel in aflaten in gang gezet. In hetzelfde jaar liet Luther in oktober de vijfennegentig stellingen op de kerkdeuren aanplakken. Hierboven zagen we dat het woord ‘indulgentia’ vijf bepalingen kende in de Middeleeuwen. Wanneer we over aflaten spreken, dan dacht Luther vooral aan de kwijtschelding van zonden door betaling van geld. Het is opmerkelijk dat noch in de ‘Centum Gravamina Nationis Germanicae’, noch in het werk van Luther nadrukkelijk werd uitgevaren tegen de indulten. Het Concordaat van Wenen had indulten in het Heilige Roomse Rijk van ondergeschikt belang gemaakt.5
In de hierboven vermelde overeenkomst van Leo X met Albrecht berustte een groot deel van de verantwoordelijkheid bij de paus. Alleen de paus kon als opvolger van Petrus en als plaatsvervanger van Christus de toelating geven voor de bevestiging en consecratie van één bisschop, niet van een veelvoud van bisdommen in één persoon.6 De paus kon nog één belangrijke regel uit het canonieke recht ter verdediging oproepen. In het Concilie van Lateranen IV was bepaald dat met betrekking tot uitstekende krachten en geletterde personen (circa sublimes), die met de hoogste beneficies moesten geëerd worden, de Apostolische Stoel een dispensatie kon verlenen ten aanzien van prebenden en waardigheden volgens de titel uit de Decretalen.7 Maar was dit hier het geval? Op geen enkele manier. Als grondregel werd daar aangenomen dat wie een tweede beneficie kreeg, onmiddellijk rechtens moest afzien van het eerste beneficie. Er was immers al in het Concilie van Lateranen III beslist dat het tegen de instelling van de heilige ‘canones’ indruiste dat men meer dan één kerkelijke waardigheid bezat. Indien het beneficie verbonden was met zielzorg, was de bedreven fout des te erger. Bovendien willen we hier ook al wijzen op de kritiek, die later tegen soortgelijke pauselijke dispensaties uit ‘De multa’ werd geformuleerd, toen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders bij de besprekingen tijdens het Concilie van Trente zich bewust waren dat genoemde regelgeving aanleiding had gegeven tot vele misbruiken.8 Verder moet men zich ook vragen stellen over de plaats van de aflaten in de vijfennegentig stellingen van 1517. Welk misbruik was het belangrijkste? Het incidentele misbruik, waarbij de gewone man in de straat zijn geld neertelde om aflaten te kopen en om de 30.000 dukaten voor de Romeinse administratie betaald te krijgen? Of het structurele misbruik, waardoor binnen het instituut van het ‘ius patronatus’ de handel in geestelijke benoemingen voor juist de machtigste kerkelijke leiders het meeste gewin meebracht?9
Ongetwijfeld stonden de klachten tegen de aflaten dichter bij het ongenoegen van het volk, dat weldra in de ‘Boerenopstand’ zou tonen waar deproblemen lagen. Het volk zag ook dat de kanunniken te rijk waren en dat ze veel te veel hadden. Hun allergrootste misbruik bestond erin, dat de stichters van kapittelkerken hun laatste wil niet geëerbiedigd zagen. Dit alles gebeurde tot ergernis van de naaste en met het gevolg dat het oude, katholieke geloof gesloopt werd.10 Ongetwijfeld ware het voor Luther pure zelfmoord geweest om de echte problemen toen bij de horens te vatten. Daar was de tijd nog niet rijp voor. Luther zelf had het nooit overleefd. Om de verstrengeling van de pauselijke met de wereldlijke misbruiken te lijf te gaan moest de ramp nog erger worden. Uiteindelijk keerde de kerk langs de catharsis van het Concilie van Trente op het juiste tijdstip terug van haar misstappen naar een betere vorm van ‘ius commune in beneficialibus’.
Het bezit van meer dan één beneficie was dus volgens de regels van het ‘ius patronatus’ verboden.11 Deze regels waren zo opgesteld, omdat de titularis van de beneficies nooit op verschillende plaatsen tegelijk kon zijn. Voor de zielzorg was het noodzakelijk om residentie en pluraliteit te scheiden. Voor de waardigheid van het bisschopsambt, maar ook voor de waardigheid van de andere ambten in de kerk moesten ambitie en graaizucht uitgebannen worden. Ongetwijfeld mochten katholieken over deze misbruiken niet licht heengaan, want volgens het canonieke recht was de bisschop met zijn kerk getrouwd.12 Dit geestelijke huwelijk werd hier duidelijk niet gerespecteerd. Ook de paus deed dat niet altijd, terwijl sommigen niet aarzelden om deze geestelijke band boven de huwelijksband te plaatsen. Later zouden de protestanten bij soortgelijke gevallen over ‘veelwijverij’ spreken en meende men dat ook clerici zich in spirituele zin monogaam moesten gedragen.13 Daar kwam nog bij dat Leo X naast de aflatenhandel, die (aarts)bisschoppen uit de nood moest helpen, voor de bouw van de Sint-Pieter te Rome een soortgelijke aflatenhandel opzette. Aflaten konden verdiend worden door te betalen voor de bouw van de nieuwe megakerk. Al in de veertiende eeuw had Geert Groote zich bij de bouw van de Dom te Utrecht schrap gezet om zijn tijdgenoten erop attent te maken dat soortgelijke bouwwerken door Christus nooit bedoeld konden zijn.14 Met de Moderne Devotie werd in de Nederlandse gewesten al een voorzichtigheid ingebouwd, die men later wel eens calvinistisch heeft genoemd. Uiteraard waren aan deze misbruiken nog andere ongemakken verbonden, want Joachim van Brandenburg, de broer van Al-brecht, was keurvorst. Doordat Albrecht als aartsbisschop van Mainz ook geestelijk keurvorst was geworden, behoorden twee van de zeven stemmen voor een eventuele keizersverkiezing binnen één familie. Hier werd een precedent geschapen.
Aangezien Luther steeds meer stootte op regels van het canonieke recht, die ook regels van positief recht waren, werd hij voortdurend geconfronteerd met pauselijke invloeden, die indruisten tegen het evangelie van Christus. Toen de paus uiteindelijk Luther met de bul ‘Decet Romanum Pontificem’ buiten de kerk plaatste, bleef er niets anders over voor Luther dan om de paus als antichrist te beschouwen. In zijn afkeer tegen de paus als antichrist nam het canonieke recht voor Luther een zeer belangrijke plaats in. Sinds het Decretum en de Decretalen (Liber Extra), het Liber Sextus, de Clementinen en de Extravaganten waren de ‘canones’ in het centrum van het kerkelijk leven gebracht. Hervorming betekende dat men in de wildgroei van deze ‘canones’ sterk moest snoeien.15 Luther maakte er korte metten mee en verbrandde alle boeken van het canonieke recht. Een uitzondering in deze collectie gold het Decretum, omdat dit een particuliere verzameling was van Gratianus.16 Deze verbranding verwees naar de vernietiging van de al te zakelijke en materiële benadering van de goddelijke boodschap van het evangelie. Sinds de juristen- pausen in de volle Middeleeuwen was het positivisme in het kerkelijk recht buiten proportie gegroeid.17
Theologen hadden het niet zo begrepen op de jurisprudentie van hun tijd, waarin de wetenschap van het recht al vóór de Reformatie onder zware kritiek lag. De spreuk ‘Juristen, böse Christen’ vertolkte deze kritiek toen al. Luther zelf gebruikte de spreuk ook, maar voegde er steeds ‘zoals men zegt’ aan toe. Zowel het Romeinse als het canonieke recht deelden in dit onbehagen voor het beroep van jurist, zonder dat er een specifiek aandeel is vast te stellen voor het patronaatsrecht of het indult. Wat echter in het algemeen gold voor gans Europa: de commercialisering en de juridisering van het beneficiewezen en de klemtoon op de titels.18
Indien men nagaat hoe men op het einde van de zestiende eeuw in het Liber Septimus tegen het canonieke recht aankeek, dan blijkt dat een hele opschoning mogelijk was in de katholieke kerk. Voor het ‘ius patronatus’ restte toen niet veel plaats meer en het indult stond er buiten spel. Deze opschoning benaderde in grote mate de bedoelingen van Luther. Deze vereenvoudiging groeide echter niet uit tot geldend recht. In die zin blijkt in het canonieke recht dezelfde operatie nodig te zijn geweest om ‘canones’ eruit te gooien, die in onbruik waren geraakt of die dogmatisch onmogelijk waren geworden, zoals in het Romeinse recht met de ‘leges abrogatae’ gebeurde.19 IV.3 Karel V vraagt geestelijke voordelen aan de nieuwe pausen (1522-1524)
In hoofdstuk III schetsten we enkele problemen bij het begin van de regering van aartshertog Karel. Ondertussen was Leo X overleden en was het te korte pontificaat van Adriaan VI voorbijgegaan. Toch bestaat er een interessante ‘status quaestionis’ uit de periode vóór de aankomst van Adriaan VI in Rome. Met Luther was nu een bres geslagen in het christendom. Vanuit Brussel kon men de problemen rond de Reformatie vanuit verschillende oogpunten benaderen. Met twee rapporten of vorstelijke verzoekschriften uit het begin van twee pontificaten sluiten we aan bij de opmerkingen over de ‘oboedientia’. Sinds aartshertog Karel van Oostenrijk was geëmancipeerd, trad eerst zijn leermeester, Adriaan VI, als nieuwe paus aan, vervolgens Clemens VII. De vorst was toen gewoon zijn gelukwensen aan te bieden en zijn onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de paus te beloven. In het eerste, Spaanse rapport blijkt, dat de paus aan de vorsten gewoonlijk een indult gaf.20 Of de vorst ook kreeg, wat hij in het verzoekschrift vroeg aan de nieuwe paus, moest de toekomst uitwijzen.
In tegenstelling tot wat gebruikelijk is, wordt hier aandacht gevraagd voor de zeventien punten, die volgens de keizer en zijn adviseurs te Brussel van kapitaal belang waren om de katholieke godsdienst in de Nederlanden te versterken. Het eerste rapport ontstond na de kroning te Aken en vóór de intronisatie van Adriaan VI. Of daardoor de staatsgedachte ook zou groeien, bleef dan de volgende vraag. Alleen de paus kon helpen bij de opgestelde punten van het eerste en het tweede rapport, maar Clemens VII zou weldra toetreden tot een coalitie tegen de koning van Spanje: de Liga van Cognac, ook wel de Clementijnse liga genoemd (1526). Twee rapporten vanuit de Nederlanden met een verschillende invalshoek. Niet de nieuwe leer en de vooruitgang en bestrijding van de Hervorming stonden in het middelpunt,maar de problematiek, waarmee de vorst in zijn Nederlanden en daarbuiten kampte op het ogenblik dat de meest prangende vragen over de indulten naar voren kwamen.
IV.3.1 Het Spaanse rapport uit Brussel, 26 april 1522IV.3.2 Het Latijnse verzoek uit de Nederlanden (1523-1524)