Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.2
6.3.2 Het geobjectiveerde schuldeisersbelang, ijkpunt van de belangen afweging
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS382367:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. voor het Duitse recht, BT-Drucks 14/6040, p. 130; Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 69; Palandt/Heinrichs 2005, § 275, nr. 27; en Staudinger/Löwisch 2004, § 275, nr. 76.
Zie echter par. 6.3.6, bij de uitzondering van het ontbreken van een redelijke alternatief voor nakoming komt wel gewicht toe aan het subjectieve belang bij nakoming van de schuldeiser.
Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 79. Anders Anw.komm./Dauner-Lieb 2005, § 275, nr. 43; en Palandt/Heinrichs 2005, § 275, nr. 28 volgens wie de hoogte van de vervangende schadevergoeding slechts de ondergrens van het schuldeisersbelang vormt
Hijma benadrukt dat bij vervangende schadevergoeding een objectieve maatstaf wordt gehanteerd, zie Hijma in zijn noot onder 7 op IIR 26 april 2002, NJ2004, 210 (Sparrow/Van Beukering); instemmend Asser/Harticamp & Sieburgh 2008 (641, nr. 403. Zoals hierna blijkt, omvat het objectieve schuldeisersbelang echter meer dan de marktwaarde van de prestatie.
BGB Kommentar-Schmidt-Kessel 2007, § 275, nr. 18; en Huber 2003, p. 540-541. Zie ook Vogt 2005, p. 3739.
Zie bijv. Vogt 2005, p. 58; en Buck 2002, p. 132.
Zie par. 6.4.2.
Indien slechts één nakomingsvorm openstaat, omdat de andere nakomingsvariant onmogelijk of onevenredig nadelig is, kunnen de te vergen nakomingskosten in beginsel eveneens met het positieve contractsbelang van de schuldeiser worden gelijkgesteld, vgl. ook Bitter & Meidt 2001, p. 2121-2122. Anders lijkt Huber 2003, p. 541-542.
Anders Canaris 2001, p. 505; Müko-Ernst, § 275, nr. 80; Anw.komm./Dauner-Lieb 2005, § 275, nr. 43; Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 27-30; en Staudinger/Löwisch 2004, § 275, nr. 80, die naast de vervangende schadevergoeding wel ruimte inpassen voor de immateriële belangen van de schuldeiser. Zij geven hun opvatting echter in de context van een bespreking van de de open beperkingsnorm van het recht op nakoming naar Duits recht (§ 275 Abs. 2 BGB) en niet in het kader van een poging een scherpe norm te formuleren, zie par. 6.3.4.2.
Zie par. 6.3.6.
Helm 2005, p. 67-70; en Palandt/Heinrichs 2005, § 275, nr. 28.
Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 87. In het Multi Vastgoedarrest overwoog de HR dan ook dat het achterwege blijven van de gegarandeerde eigenschappen van de zaak zonder meer een tekortkoming van de debiteur oplevert, zie HR 5 januari 2001, NJ 2001, 79, to. 3.5 en hofoverweging 13.
Schuldrecht/Medicus 2002, hfdst. 3, nr. 45.
Maier-Reimer 2003, p. 294.
Vgl. Tjong Tjin Tai 2004, p. 366.
Vgl. Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 30a.
Müko/Busche 2005, § 635, nr. 33; `Maßstab für das objektieve Leistungsinteresse des Bestellers ist dabei der vereinbarte oder nach dem Vertrag vorausgesetzte Gebrauch des Werkes'. Anders echter Schuldrecht/Medicus 2002, hfdst. 3, nr. 46.
Lëhnig 2005, p. 460, meent dat de schuldeiser een Obliegenheit heeft zijn wederpartij in te lichten over zijn belang bij de prestatie.
In Duitsland is omstreden of de tegenprestatie die de schuldenaar van de schuldeiser heeft te vorderen ook in de afweging dient te worden betrokken, zie Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 75; Müko/Busche 2005, § 635, nr. 32; Anw.komm./Raab 2005, § 635, nr. 40; en Canaris 2001, p. 502, die menen dat geabstraheerd moet worden van de tegenprestatie. Bij huurovereenkomsten zal in geval van niet-nakoming door de verhuurder de tegenprestatie, de huurprijs, vaak geen reëel beeld geven van het schuldeisersbelang, vgl. Rémy-Corlay 2005, p. 28-29; en Staudinger/Otto 2004, § 326, nr. B55. Volgens Ackermann is de waarde van de tegenprestatie onder omstandigheden wel van doorslaggevende belang, zie Ackermann 2002, p. 380-384.
Zie over de beperkingen van deze indicatoren echter Klausch 2004, p. 136-145; en Helm 2005, p. 71-72.
Voorgesteld bij koop Vogt 2005, p. 52-54; Donou 2006, p. 119-120; Zerres 2003, p. 754; Huber 2003, p. 539542; en Anw.komm./Büdenbender 2005, § 439, nr. 37. Voorgesteld bij aanneming van werk Müko/Busche 2005, § 635, nr. 38. Busche is van mening dat voor het algemene contractenrecht het schuldeisersbelang doorslaggevend is, zie Müko/Busche 2005, § 635, nr. 31 en 33. Zie bijv. het OLG Braunschweig 4 februari 2003, NJW 2003, 1053, dat de redelijkheid van de nakomingskosten relateerde aan de waarde van een contractsconforme zaak.
Zo ook Anw.komm./Dauner-Lieb 2005, § 275 nr. 43; en Fehre 2005, p. 42. Voor koop Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 21. Voor aanneming van werk, zie Staudinger/Peters 2003, § 635, nr. 9, zie ook Bamberger & Roth/Voit 2003, § 635, nr. 14. De HR lijkt in zijn arrest van 3 september 2004, NJ 2004, 586 de vervangende schadevergoeding te verengen tot de marktwaarde van de prestatie. Het objectieve schuldeisersbelang kan m.i. echter niet geheel worden gelijkgesteld met de waarde van de prestatie, maar dient te worden aangevuld met de hierboven genoemde gezichtspunten.
Huber & Faust 2002, hfdst. 13, nr. 40, schrijven in het kader van koop: 'Der Wert der mangelfreien Kaufsache ist aber typischerweise der entscheidende Faktor für die Bemessung des Gläubigers (Käufers).'
In het verlengde hiervan ligt de discussie over het ijkmoment van de onevenredigheid van de nakomingskosten. Volgens verschillende auteurs gaat het niet om het moment waarop de schuldenaar de prestatie moest leveren, maar om het moment waarop partijen zich ter zitting voor de laatste keer over de feiten kunnen uitlaten, zie Staudinger/Matusche-Beckmann 2004, § 439, nr. 50; Müko-Ernst 2007, § 275, nr. 81; Helm 2005, p. 8384; en Krausch 2004, p. 129-130. Anders Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 25, die uitgaat van het moment waarop de eigendomsoverdracht had moeten plaatsvinden.
Anw.komm./Büdenbender 2005, § 439, nr. 37.
Bij de belangenafweging of de schuldeiser zijn recht op nakoming al dan niet geldend kan maken, moet het belang van de schuldenaar om niet na te komen worden afgewogen tegen het belang van de schuldeiser bij nakoming. Het schuldeisersbelang is het ijkpunt bij deze belangenafweging.1
Het schuldeisersbelang is direct één van de moeilijkste onderdelen van de belangenafweging, omdat de vraag welk belang een schuldeiser heeft bij de uitoefening van zijn recht op nakoming bij uitstek normatief is. Voor het formuleren van een scherpere norm als grens van het recht op nakoming moet het subjectieve schuldeisersbelang worden geobjectiveerd.2 Door het schuldeiserbelang te objectiveren en uit de normatieve sfeer te trekken, kan het bestaande open karakter van de norm op dit punt worden teruggedrongen.
Volgens Ernst kan het geobjectiveerde schuldeisersbelang worden gesteld op het bedrag aan vervangende schadevergoeding waarop de schuldeiser recht zou hebben als aan de daartoe geldende vereisten zou zijn voldaan.3 Hoewel het vaststellen van schadevergoeding niet eenvoudig en een voorspelling daarvan wellicht nog moeilijker is, leidt het mijns inziens tot een wenselijke concretisering van het schuldeisersbelang.4
Of men de vervangende schadevergoeding als maatstaf voor het geobjectiveerde schuldeisersbelang kan nemen, is echter niet geheel onomstreden. In Duitsland heeft een aantal auteurs zich op het standpunt gesteld dat bij de bepaling van het schuldeisersbelang in het kader van nakoming niet kan worden uitgegaan van het bedrag aan vervangende schadevergoeding. Volgens deze auteurs is het belang van de schuldeiser bij nakoming niet gelijk te stellen aan zijn positieve contractsbelang.5 Bij nakoming zou het volgens deze auteurs gaan om het `Leistungsinteresse' dat ertoe strekt het belang van de schuldeiser te beschermen een contractsconforme prestatie in natura te krijgen. Vervangende schadevergoeding strekt tot bescherming van het meeromvattende Integritasinteresse', de vergoeding van het positieve contractsbelang.6 De opvatting dat het recht op nakoming een beperkter schuldeisersbelang dient dan het recht op vervangende schadevergoeding kan mijns inziens echter niet voor juist worden gehouden. Het recht op nakoming strekt ertoe de schuldeiser in staat te stellen zijn positieve contractsbelang in natura te realiseren en valt daarmee samen. Het onderscheid tussen `Leistungsinteresse' en Integritasinteresse' speelt alleen een rol in de situatie waarin meerdere nakomingsvormen mogelijk zijn, zoals vervanging en herstel in het kooprecht. Bij de beoordeling van de redelijkheid van bijvoorbeeld de gevorderde vervanging, kijkt de rechter niet primair naar het bedrag aan vervangende schadevergoeding (`Integritasinteresse'), maar vooral naar de kosten van het nakomingsalternatief, herstel (`Leistungsinteresse'). Het gaat hier om de relatieve redelijkheid van nakoming.7 Indien echter slechts één nakomingsvorm mogelijk is, omdat de schuldenaar bijvoorbeeld niet heeft geleverd, valt het schuldeisersbelang samen met het geschatte bedrag aan vervangende schadevergoeding.8
Om het ijkpunt van de belangenafweging, het schuldeisersbelang, voldoende concreet te houden, dient het bedrag aan vervangende schadevergoeding mijns inziens niet te worden verhoogd met immateriële belangen van de schuldeiser, voor zover die niet tot uitdrukking komen in een veroordeling tot vervangende schadevergoeding.9 Als de immateriële belangen van de schuldeiser op deze plaats in het afwegingsinstrument zouden worden ingepast, zou een opening in de te ontwikkelen beperkingsnorm worden gecreëerd die ik nu juist probeer te dichten. Voor weging van de immateriële belangen van de schuldeiser is overigens wel ruimte bij de nog te bespreken uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief.10 Bij die uitzonderingsgrond, maar niet hier bij het vaststellen van het geobjectiveerde schuldeisersbelang, komt bijvoorbeeld gewicht toe aan de vraag of de schuldeiser recht heeft op schadevergoeding als alternatief voor nakoming.
Verschillende indicatoren zijn van belang bij de vaststelling van het objectieve schuldeisersbelang. Uitleg van het overeengekomene is het beginpunt.11 Indien de schuldenaar een garantie heeft gegeven om in natura na te komen, kan dit leiden tot een hoger geobjectiveerd schuldeisersbelang.12 Dit kan ook uit de inhoud van de verbintenis voortvloeien. Medicus geeft als voorbeeld:13
Wer ein gesunkenes Schiff zu heben versprochen hat, muss die mit einer solchen Hebung absehbar verbundenen Hindernisses überwinden; wer dagegen die Lieferung einer Maschine versprochen hat, die daim mit dem Schiff versunken ist, braucht Schiff oder Maschine regelmaβig nicht heben.
Niet elke garantie leidt tot een verhoging van het schuldeisersbelang. Een garantie waarbij een schuldenaar toezegt bepaalde risico's voor zijn rekening te nemen, kan namelijk ook duiden op enkel een uitbreiding van zijn aansprakelijkheid in plaats van een uitbreiding van de door hem te dragen nakomingrisico's.14 Het staat partijen in beginsel uiteraard ook vrij overeen te komen dat de schuldenaar slechts beperkt kan worden aangesproken tot nakoming (art. 3:296 lid 1 derde uitzonderingsgrond).15 Een beperking van het nakomingsrisico leidt tot een lager vast te stellen geobjectiveerd schuldeisersbelang.16
Bij de bepaling van het schuldeisersbelang komt eveneens gewicht toe aan de vraag of de schuldenaar bij de contractsluiting op de hoogte was van het door de schuldeiser voorgenomen gebruik van de prestatie.17 Kennis van het doel waarmee de schuldeiser de prestatie wil aanwenden, kan het objectieve schuldeisersbelang mede bepalen.18 Overige gezichtspunten aan de hand waarvan in ieder geval de ondergrens van het schuldeisersbelang kan worden vastgesteld, zijn: de waarde van de tegenprestatie;19 het bedrag waarvoor de schuldeiser de prestatie aan een derde kan doorverkopen; de waardestijging die nakoming realiseert; en de kosten die de schuldeiser door nakoming uitspaart.20
Voor koop en aanneming van werk hebben Duitse auteurs voorgesteld om het geobjectiveerde schuldeisersbelang in te vullen door een nog objectiever criterium: de waarde van de prestatie.21 Het is mijns inziens echter niet wenselijk om volledig te abstraheren van de gezichtspunten die inzicht verschaffen in het geobjectiveerde schuldeisersbelang, maar die niet tot uitdrukking komen in de waarde van de prestatie.22 Dit neemt niet weg dat de waarde van de prestatie, uitgedrukt in de markt- of koopprijs, een zwaarwegend gezichtspunt is.23 Hoe meer kenbare gezichtspunten in de overweging worden betrokken, des te natuurgetrouwer het geobjectiveerde schuldeisersbelang een afspiegeling van het subjectieve schuldeisersbelang vormt.24 Büdenbender schrijft over koop:25
Insoweit ist in die Abwägung folglich auch mit einzubeziehen, welche Bedeutung die Vertragserfüllung für den Käufer hat, betrachtet nicht nach einer rein subjektiven Sicht, sondern nach objektivierten Aspekten unter Berücksichtigung der spezifischen Situation des Käufers.
Het objectieve schuldeisersbelang bij nakoming is dus de waarde in geld uitgedrukt die de schuldeiser aan de prestatie hecht, vastgesteld aan de hand van objectieve, voor derden kenbare, indicatoren.