Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.6.7
5.6.7 Ervaring
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702013:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder veel meer: HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:843, NJ 2014/221, m.nt. P.C.E. van Wijmen; HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415, NJ 2009/303, m.nt. P.C.E. van Wijmen; HR 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9104, NJ 2010/138, m.nt. P.C.E. van Wijmen; Rb. Rotterdam 1 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3013.
Zie voor een voorbeeld § 8.3.1.2.
Garcia, Criminal Justice 1989/4, p. 21.
Nationaal bijvoorbeeld: Hof Arnhem 12 september 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AY9481; Rb. Dordrecht 24 december 2008, ECLI:NL:RBDOR:2008:BG8801. Internationaal bijvoorbeeld: R v. Clark [2003] EWCA Crim 1020 (11 april 2003); R v. Cannings [2004] EWCA Crim 1 (19 januari 2004).
Zie ook: Giard, EeR 2011/5, p. 177; Giard, EeR 2009/4, p. 89-90.
Het enkele gegeven dat de deskundige op papier nog ‘actief’ is, is niet voldoende. Het gaat ook om de tijd die verstreken is tussen de opvolgende activiteiten. Zie: Cooper, Texas Tech Law Review 2019, p. 586-587.
Giard, EeR 2010/6; Giard, EeR 2014/3; Giard, EeR 2008/2.
Dat een deskundige over de benodigde ervaring dient te beschikken klinkt logisch en wordt daardoor vaak zonder overdenking aangenomen. Passages als “de rechtbank hecht er daarbij aan op te merken dat deskundigen juist vanwege hun kennis en ervaring (…) plegen te worden benoemd”,1 komen vaak voor in het onteigenings- en nadeelcompensatierecht. Als de rechter de eis dat een deskundige over voldoende ervaring moet beschikken al expliciteert, gebeurt dat vaak enkel langs de ‘onderkant’. Ik bedoel daarmee dat van de deskundige hoogstens wordt verwacht dat hij aantoonbare ervaring heeft binnen zijn vakgebied, zonder dat acht wordt geslagen op de vraag of de deskundige ook nog wel actief, praktiserend is. Een bovengrens aan ervaring (is de deskundige nog wel actief binnen het vakgebied waarover hij adviseert?) is echter minstens zo belangrijk als een ondergrens aan ervaring.2
De ondergrens aan ervaring houdt in dat de deskundige beschikt over relevante werkervaring op het vakgebied waarover hij adviseert. Daarvoor is vereist dat de deskundige praktisch gepokt en gemazeld is. De rechterlijke of de bestuurlijke oordeelsvorming is niet gebaat bij de inschakeling van een deskundige die pas net actief is op zijn vakgebied. Daarnaast heeft een deskundige idealiter de verschillende kanten van het juridisch spectrum gezien. Zo is een advocaat die enkel de overheid als onteigenaar bijstaat over het algemeen minder geschikt om op te treden als onteigeningsdeskundige-jurist dan een advocaat die zowel ervaring heeft in het bijstaan van de overheid als de onteigende. De deskundige zal zijn onafhankelijke en onpartijdige adviestaak immers het beste kunnen voltrekken als hij zich in bepaalde mate kan identificeren met de standpunten van beide partijen.3 Dit geldt mutatis mutandis ook voor deskundigen in het nadeelcompensatierecht. Naast werkervaring op het eigen vakgebied heeft de deskundige idealiter ook reeds ervaring met het optreden en adviseren in juridische procedures. Op die manier is de deskundige bekend met de juridische arena en zijn rol binnen het proces.
Als gezegd, houdt de bovengrens aan ervaring in dat de ingeschakelde deskundige ook daadwerkelijk nog praktiserend moet zijn binnen diens vakgebied. De rechtspraktijk is niet gebaat bij een met emeritaat zijnde hoogleraar die vanuit zijn studeerkamer adviezen schrijft. Een aantal schokkende voorbeelden4 heeft laten zien dat wie niet meer werkt, zaken vanop een te grote afstand gaat bekijken, vervreemd raakt van de praktijk en daardoor de rechtspraktijk, met zijn alsmaar groeiende nuance, niet goed kan dienen.5 Bovendien gaat de juridische en wetenschappelijke ontwikkeling erg snel. Men kan die ontwikkeling enkel bijbenen indien men er actief mee aan de slag blijft gaan.6 Voor een realistische visie op de praktijk is het dus nodig dat de, in dit onderzoek centraal staande, schadedeskundigen zowel letterlijk als figuurlijk nog met ‘de poten in de klei staan’.
In de juridische literatuur is er evenwel maar weinig aandacht voor de bovengrens aan ervaring. Enkel Giard besteedt aandacht aan de eis dat deskundigen ook effectief praktiserend moeten zijn.7 Terecht geeft hij aan dat hier een belangrijke rol is weggelegd voor de relevante beroepsvereniging. Beroepsverenigingen en/of certificerende instanties kunnen de bovengrens aan ervaring als toelatingseis opnemen.