De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.6.1:5.6.1 Inleiding
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.6.1
5.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702040:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Bock 2011, p. 317.
HR 27 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0917, NJ 1998/404, r.o. 6.4.
Zie ook: Corstens, EeR 2008/2.
De Bock 2011, § 7.7; Van Dijk 2008, § 2.2; Hoving 2017, § 6.2-6.3; Verkerk, NTBR 2007/71, § 3.1.1; Slijk & Husson, EeR 2008/6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het derde en laatste aspect van kwaliteit is de deskundigheid van de deskundige. Dat de ingeschakelde deskundige ter zake kundig moet zijn, is een belangrijk vereiste en spreekt welhaast voor zich. De deskundige wordt immers ingeschakeld omdat het bestuursorgaan of de rechter bepaalde deskundigheid ontbeert of geacht wordt te ontberen. Zonder voldoende specialistische deskundigheid kan er niet gesproken worden van een kwalitatief goede deskundige. Daarbij komt nog dat de advisering steeds plaatsvindt binnen een juridische procedure. Ook kennis en bekendheid met de wijze van het optreden in een juridische procedure zijn dus noodzakelijk.
Of een deskundige over voldoende deskundigheid beschikt, laat zich evenwel lastig bepalen. De eerder beschreven kennisparadox komt hier het zwaarst tot uitdrukking. Bestuursorganen, rechters en procespartijen beschikken immers zelf niet over de vereiste kennis om de deskundigheid van de deskundige te beoordelen.1 Een adequate beoordeling van het aspect ‘deskundigheid’ vereist dus toetsstenen. In zoverre dient het aspect deskundigheid – net als de hoofdmoot ‘kwaliteit’ – opgeknipt te worden in verschillende elementen.
Inspiratie over wat die elementen zijn vind ik in de rechtspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft eind jaren negentig van de vorige eeuw een belangrijk arrest gewezen waarin hij het adagium ‘schoenmaker blijf bij je leest’ een wel zeer letterlijke betekenis heeft gegeven.2 In het zogenaamde orthopedische schoenmaker-arrest oordeelde de Hoge Raad dat de feitenrechter, indien geconfronteerd met een verweer over de deskundigheid van de deskundige, zal moeten nagaan of de deskundige op het desbetreffende terrein deskundig is, zo ja volgens welke methode hij heeft gewerkt, waarom hij deze methode betrouwbaar acht en in hoeverre hij in staat is die methode vakkundig toe te passen. Met andere woorden, een orthopedische schoenmaker kan niet deskundig worden geacht aangaande voetsporenonderzoek.3
Het arrest gaat over forensisch onderzoek door deskundigen in strafzaken. De relevante overwegingen zijn derhalve niet letterlijk toepasbaar op schadedeskundigen in het overheidsaansprakelijkheidsrecht. Uit het arrest zijn wel enkele universele elementen van deskundigheid te destilleren zoals vakinhoudelijke kennis, methodiek en communicatie. Het orthopedische schoenmaker-arrest aangevuld met een literatuurstudie levert de gezichtspunten op waarlangs ik de deskundigheid van deskundigen in het onteigenings- en nadeelcompensatieprocedures wil houden.4 Het gaat om communicatie, het lidmaatschap van een beroepsvereniging, vakinhoudelijke kennis, juridische kennis, permanente educatie en ervaring.