RvdW 2026/233:Medeplegen poging tot doodslag in kapperszaak, art. 287 jo. art. 45 Sr. Bewijsklacht dubbel opzet bij medeplegen. Had verdachte opzet op dood van slachtoffer? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 2 december 2014, NJ 2015/390, m.b.t. medeplegen. Voor bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag geldt dat opzet van verdachte zowel op nauwe en bewuste samenwerking met mededader(s) als op verwezenlijking van tlgd. grondfeit moet zijn gericht. In dit geval moet daarom uit bewijsvoering o.m. kunnen volgen dat opzet van verdachte erop was gericht om tezamen en in vereniging met anderen het slachtoffer van het leven te beroven, door met dat opzet dat slachtoffer meermalen met mes in zijn nek te steken en met tondeuse, bezems en vuisten op zijn hoofd te slaan. Hof heeft vastgesteld dat verdachte en medeverdachten C en B zich buiten bij kapperszaak hebben verzameld en om 17:41:17 uur die kapperszaak zijn ingelopen, waarbij zij dreigende indruk maakten en vrijwel onmiddellijk gewelddadig zijn geworden richting slachtoffer. Gezamenlijk en tegelijkertijd hebben zij verschillende geweldshandelingen verricht die eruit bestonden dat B meermalen met mes laag in slachtoffers nek heeft gestoken en dat C en verdachte o.m. met bezem resp. tondeuse, die in kapperszaak aanwezig waren, op slachtoffers hoofd hebben geslagen. Om 17:42:21 uur hebben zij kapperszaak weer verlaten. Over (voorwaardelijk) opzet op dood van slachtoffer heeft hof onder kopje ‘voorwaardelijk opzet’ overwogen dat algemeen bekend is dat in nabijheid van plaats waar B hem met mes heeft gestoken slagaders en longen liggen en dat dit dus kwetsbaar gedeelte van menselijk lichaam is. Hof heeft geoordeeld dat (mede in aanmerking genomen dat lemmet van mes 9 centimeter lang was) sprake is geweest van zodanig gevaarzettend handelen van B dat daarmee aanmerkelijke en reële kans in het leven is geroepen dat slachtoffer daardoor zou komen te overlijden, en dat het niet anders kan dan dat ‘in ieder geval B die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, zodat opzet van B’ in voorwaardelijke zin ook op dit overlijden gericht is geweest. Vervolgens heeft hof onder kopje ‘medeplegen’ geoordeeld dat in de kern sprake is geweest van gezamenlijke uitvoering van geweldshandelingen tegen slachtoffer omdat verdachten na het gezamenlijk betreden van kapperszaak vrijwel onmiddellijk gewelddadig zijn geworden en daarbij allen fors geweld hebben gepleegd jegens slachtoffer, welk geweld er wat betreft verdachte uit bestond dat hij slachtoffer met hard voorwerp op kwetsbaar lichaamsdeel, namelijk hoofd heeft geslagen. Hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat verdachtes ‘voorwaardelijk opzet op samenwerking zich mede uitstrekte tot geweldshandelingen die beide medeverdachten hebben verricht, waaronder het steken in nek door B’, dat ‘ook dit steken mede voor zijn rekening dient te komen’ en dat verdachte daarom ‘aanmerkelijke kans op overlijden van slachtoffer als gevolg daarvan ook, willens en wetens heeft aanvaard.’ ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat ook verdachte opzet had slachtoffer van het leven te beroven, is niet toereikend gemotiveerd, nu uit de door hof vastgestelde f&o niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte zich bewust was van aanwezigheid van mes en van mogelijkheid dat een van medeverdachten het slachtoffer daarmee op kwetsbare plaats zou steken. Dat verdachte heeft deelgenomen aan gedurende korte tijd opzettelijk medeplegen van fors geweld tegen slachtoffer, en dat hij en medeverdachte daarbij tegen slachtoffers hoofd hebben geslagen met in kapperszaak aanwezige harde voorwerpen, volstaat niet om die bewustheid aan te nemen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2026/218 en RvdW 2026/232 en met 24/00852 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).