Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/3.3.2
3.3.2 Geschil
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS390708:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), p. 66, nr. 90.
Zo ook Meijer 2011, p. 142; Snijders 2011c, p. 76, art. 1020 Rv, aant. 2.
Zie art. 8 lid 6 Rv (internationale forumkeuze); art. 108 lid 4 Rv (relatieve bevoegdheid); art. 1053 Rv (arbitrage); zie voor forumkeuze onder de EEX-regeling HvJ EG 3 juli 1997, NJ 1999, 681, m.nt. PV (Benincasa/Dentalkit), r.o. 21-32. Overigens moet een nuancering worden gemaakt wat betreft de overeenkomst tot arbitrage. Partijen kunnen namelijk niet alleen rechtsgeschillen aan arbitrage onderwerpen, maar ook een puur feitelijke vaststelling, zoals de vaststelling van de hoedanigheid of van de toestand van zaken (zie art. 1020 lid 4 sub a Rv). In dergelijke gevallen heeft de overeenkomst tot arbitrage dus niet betrekking op een rechtsvordering. Deze overeenkomst heeft dus een ruimer bereik.
Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), p. 66-67, nr. 90.
In verschillende wetsbepalingen wordt vereist dat een procesovereenkomst betrekking heeft op een 'geschil'. Zo bepaalt artikel 329 Rv dat partijen in alle voor hoger beroep bij het gerechtshof vatbare geschillen (...) overeen kunnen komen die geschillen bij de aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn. Zie verder artikel 23 lid 1 EEX-Vo en artikel 8 lid 1 en 2, artikel 108 lid 1 en artikel 1020 lid 1 Rv. Een uitzondering vormt artikel 333 Rv, waar gesproken wordt over 'zaken'.
Nu is het zo dat procesovereenkomsten niet 'los' kunnen bestaan. Procesovereenkomsten zijn hulpovereenkomsten, dat wil zeggen overeenkomsten die zelfstandig geen reden van bestaan hebben, maar zijn aangegaan in afhankelijkheid van een buiten hen liggende rechtsverhouding.1 Partijen kunnen bijvoorbeeld niet simpelweg arbitrage overeenkomen, maar zullen altijd 'iets' aan arbitrage moeten onderwerpen. Het is van belang om vast te stellen wat dit 'iets' precies is. Een helder inzicht op dit punt kan helpen omvragen van derdenwerking te beantwoorden, zoals de vraag of in geval van overgang van een vordering de nieuwe schuldeiser gebonden is aan een procesovereenkomst gesloten tussen de oorspronkelijke partijen.
Indien men naar de wet kijkt, lijkt het 'iets' waaraan procesovereenkomsten gekoppeld moeten zijn, een geschil te zijn. Het is de vraag of deze conclusie wel juist is. De term 'geschil' is niet erg gelukkig gekozen. Niet steeds wanneer een partij een rechtsvordering instelt, hoeft er immers sprake te zijn van een geschil. Denkbaar is dat de wederpartij de vordering niet betwist. Het is onaannemelijk dat de wetgever de mogelijkheid van een procesovereenkomst voor dit soort 'incassoprocedures' heeft willen uitsluiten. De wettelijke term 'geschil' zal dus in ieder geval ruim moeten worden uitgelegd: ook in geval van een niet-betwiste rechtsvordering is hieraan voldaan.2
Er valt echter nog een ander bezwaar aan te voeren tegen het begrip 'geschil'. Denkbaar is namelijk dat partijen twee procedures voeren met betrekking tot hetzelfde geschil, maar enkel met betrekking tot een daarvan een procesovereenkomst willen sluiten. Zo kunnen zij afspreken dat zij, omwille van een vlotte gang van zaken, geen getuigen mee mogen nemen naar een zitting in kort geding. Dit betekent niet dat zij getuigenbewijs ook hebben willen uitsluiten met betrekking tot een eventueel te voeren bodemprocedure in hetzelfde geschil. Niet duidelijk is waarom partijen niet op deze manier zouden mogen differentiëren naar gelang het de rechtsvordering in kort geding en de rechtsvordering in de bodemprocedure betreft. De wettelijke bepalingen moeten dan ook niet zo worden uitgelegd, dat de procesovereenkomst steeds moet gelden voor alle procedures die over een bepaald geschil gevoerd worden.
Niet gezegd kan al met al worden dat procesovereenkomsten steeds gekoppeld dienen te zijn aan een bepaald geschil. Ook kan mijns inziens niet worden aangenomen dat zij betrekking moeten hebben op een bepaald recht of een bepaalde rechtsverhouding. Ook over een recht of rechtsverhouding kan immers in meerdere procedures worden geprocedeerd, terwijl niet met betrekking tot al deze procedures een procesovereenkomst behoeft te zijn gesloten. Beter is het daarom om aan te nemen dat procesovereenkomsten steeds betrekking moeten hebben op een bepaalde rechtsvordering, een bepaald verzoek of een bepaald verweer.3
Het feit dat de procesovereenkomst wordt aangegaan in afhankelijkheid van een bepaalde rechtsvordering, een bepaald verzoek of een bepaald verweer, en niet van het subjectieve recht of de rechtsverhouding zelf, verklaart waarom de rechten uit een dergelijke overeenkomst ook gelden indien er helemaal geen recht of rechtsverhouding blijkt te zijn. Voor zowel de overeenkomst tot forumkeuze als de overeenkomst tot arbitrage geldt de zogenaamde separabiliteit. Dit houdt in dat deze procesovereenkomsten los van de overeenkomst waarvan zij deel uitmaken, dienen te worden beoordeeld. De door een forumkeuze aangewezen rechter is hierdoor bevoegd te oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst waarop de forumkeuze ziet. Het feit dat hij eventueel tot de conclusie komt dat de hoofdovereenkomst niet geldig is, doet aan zijn bevoegdheid niets af.4 Dit betekent dat deze overeenkomsten ook hun werking kunnen hebben indien er wel een rechtsvordering wordt ingesteld of een verzoek wordt ingediend, terwijl er (achteraf) helemaal geen recht of rechtsverhouding heeft bestaan. Het is dan ook beter de overeenkomst tot forumkeuze en tot arbitrage gekoppeld te zien aan de rechtsvordering of het verzoek.
Tegengeworpen kan worden dat toch ook het omgekeerde zich kan voordoen: er kan ook sprake zijn van een geldige procesovereenkomst terwijl er nog geen rechtsvordering, verzoek of verweer is. Overeenkomsten als de bewijsovereenkomst, de overeenkomst tot forumkeuze of tot arbitrage kunnen gesloten worden voordat er een procedure is begonnen of zelfs maar sprake is van een geschil. Toch bestaan in dergelijke gevallen wel potentiële rechtsvorderingen, verzoeken en verweren: het is mogelijk dat in de toekomst wel een rechtsvordering wordt ingesteld, een verzoek wordt gedaan of een verweer wordt gevoerd. Enkel indien dit daadwerkelijk gebeurt, heeft de procesovereenkomst haar werking. Dat de overeenkomst met betrekking tot toekomstige rechtsvorderingen, verzoeken of verweren gesloten wordt, is dus geen probleem.5 Wel zal voldoende duidelijk moeten zijn voor welke rechtsvorderingen, verzoeken en verweren de procesovereenkomst geldt. Aan deze eis is bijvoorbeeld voldaan indien bepaald is dat de overeenkomst geldt voor alle rechtsvorderingen, verzoeken en verweren die voortvloeien uit een bepaalde rechtsbetrekking.
Partijen hoeven bij het sluiten van de procesovereenkomst niet alle rechtsvorderingen, verzoeken en verweren waarop de overeenkomst betrekking heeft afzonderlijk te benoemen. In geval van bijvoorbeeld een overeenkomst tot arbitrage kunnen zij volstaan met de formulering dat zij alle geschillen voortvloeiende uit een bepaalde rechtsbetrekking aan arbitrage onderwerpen. Voldoende duidelijk is in dat geval dat de overeenkomst geldt voor alle rechtsvorderingen en verzoeken met betrekking tot een dergelijk geschil.
Niet vereist is kortom dat een procesovereenkomst gekoppeld is aan een recht, rechtsverhouding of een geschil. Zij wordt aangegaan in afhankelijkheid van een rechtsvordering, een verzoek of een verweer. Dit geldt zowel voor de in de wet, als voor de niet in de wet geregelde procesovereenkomsten. Dat in sommige wetsbepalingen wordt gesproken over 'geschillen' doet hier niet aan af. Aangenomen moet worden dat deze wetsbepalingen er niet aan in de weg staan dat partijen, indien in een geschil meerdere rechtsvorderingen worden ingesteld, een procesovereenkomst sluiten die slechts voor één van deze rechtsvorderingen geldt.