De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.11.5.2:5.11.5.2 Correctievoorschrift
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.11.5.2
5.11.5.2 Correctievoorschrift
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949379:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Noord-Holland 30 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7418.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5496.
Rechtbank Breda 22 september 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BT2355.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5125.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de beoordeling van het centraal examen moeten de examinator en de gecommitteerde het correctievoorschrift in acht nemen. Binnen de kaders van het correctievoorschrift komt aan hen evenwel beoordelingsvrijheid toe.1 Bijvoorbeeld in een zaak over een centraal examen geschiedenis bleek dat ook in het geval een correctievoorschrift voorhanden is, sprake kan zijn van ‘interpretatieruimte’.2 De betreffende examinator en gecommitteerde kwamen daardoor in eerste instantie tot een verschillende beoordeling, na overleg kwamen zij met elkaar overeen met hoeveel punten het examen beoordeeld moest worden. De omstandigheid dat sprake was van interpretatieruimte en dat de examinator en gecommitteerde het niet direct eens werden over het toe te kennen aantal punten, maakt de beoordeling volgens de rechter niet onzorgvuldig. Leidend is immers het correctievoorschrift. Zo lang de beoordeling past in dat kader is de beoordeling niet evident onredelijk.
Ook in een zaak over een centraal examen Nederlands kwam de rechter tot de conclusie dat de beoordeling van dat examen niet op basis van exacte maatstaven kon plaatsvinden.3 Bij de betreffende beoordeling ging het onder meer over de inhoud, opbouw, verbanden en het taalgebruik. Een dergelijke beoordeling rust volgens de rechtbank voor een belangrijk deel op het inzicht van de examinator en de gecommitteerde op basis van hun deskundigheid. Aan de examinator en de gecommitteerde komt dan ook een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De beoordeling van een dergelijk examen zal volgens de rechter dan ook niet snel als apert onzorgvuldig bestempeld kunnen worden. Ook niet als, zoals in casu, de examinator en de gecommitteerde in eerste instantie tot afwijkende scores voor het betreffende examen komen.
In een zaak bij het Hof Arnhem-Leeuwarden was expliciet de vraag aan de orde of bij een centraal examen, waarbij een correctievoorschrift voorhanden is, de beoordelingsvrijheid van de leraar zodanig beperkt is dat de rechter de beoordeling van het centraal examen minder terughoudend hoeft te toetsen.4 In casu voerde de leerling aan:
“[…] dat de pedagogische vrijheid, als onderdeel van de uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeiende vrijheid van onderwijs, meebrengt dat in het geval van de beoordeling van een centraal examen een minder terughoudende toets van de rechter op zijn plaats is. In het kader van het centraal examen is de beoordelingsvrijheid van de leraar beperkt, omdat de beoordeling moet voldoen aan het correctievoorschrift, en daarom ontstaat er meer ruimte voor de rechter om zo objectief mogelijk te toetsen of de beoordeling van de leraar juist is geweest. In verband met het gelijkheidsbeginsel moet het voor de kandidaat niet uitmaken welke corrector het werk beoordeelt en bestaat er, voor de burgerlijke rechter (ook) bij een duidelijk ongelijke beoordeling van gelijke prestaties aanleiding tot ingrijpen. Voorts wijst de eindexamenkandidate op het grote belang van scholieren bij het centraal examen en het grote belang dat het correctiewerk zorgvuldig verloopt. Volgens het betoog van de eindexamenkandidate zou de maatstaf moeten zijn dat de burgerlijke rechter ook in geval van (gewone) inhoudelijke onjuistheid en (gewone) onzorgvuldigheid moet kunnen ingrijpen.”
Het Hof ging niet mee in het betoog van de leerling. Bij de beoordeling van een centraal examen zijn de twee correctoren gebonden aan het correctievoorschrift. Hiermee wordt onder andere gewaarborgd dat het examen uniform wordt beoordeeld. Het correctievoorschrift kan daarom worden gezien als een uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel, alle correctoren moeten zich hier immers aan houden. De beoordeling of een antwoord juist is, komt desalniettemin uitsluitend toe aan de correctoren en niet aan de burgerlijke rechter. Dat de beoordelingsruimte van de correctoren wordt beperkt door de correctievoorschriften, brengt geen andere toetsingsmaatstaf met zich. Dus ook in het geval dat het correctievoorschrift is vastgesteld door een derde, zoals het CvTE, kan de rechter de beoordeling van het examen niet vol toetsen. Aan de leraar komt de beoordelingsvrijheid toe om binnen de kaders van het correctievoorschrift vast te stellen welk aantal punten toegekend moet worden voor een bepaald antwoord.