Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/9.2.2
9.2.2 Vernietigbaar besluit
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS300182:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 109.
Naast de specifieke regeling in het rechtspersonenrecht zijn ook de algemene vermogensrechtelijke bepalingen voor de vernietigbaarheid van rechtshandelingen relevant.
Deze gronden zullen hieronder worden toegelicht. Zie voor een uitgebreidere toelichting: Asser/Maeijer/Kroeze 2015, nr. 306-312; Klein Wassink 2012, p. 89-100.
Artikel 2:116 lid 4/227 lid 7 BW. Zie in dit verband ook: HR 22 december 2009, NJ 2010, 16 (Hay Group).
Genuanceerder is de visie van Schwarz (Schwarz 2013 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 238, Aant. 6). Hij wijst erop dat de belanghebbende een redelijk belang dient te hebben bij het vernietigen van het besluit en dat dit slechts aanwezig zal zijn wanneer de besluitvorming buiten vergadering anders zou zijn uitgepakt indien aandeelhouders vooraf het advies van het management zouden hebben beschikt.
Huizink 2012 (Groene Serie Rechtspersonen), artikel 15, aant. 4.1.
Zie in dit verband de parlementaire geschiedenis:‘Bij het toetsen van een besluit aan het bepaalde in artikel 15 lid 1 onder b is de maatstaf inderdaad of het orgaan alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid tegen elkaar heeft overwogen.’ (Reehuis & Slob 1991, p. 172).
Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 112 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie.
Zie in dit verband hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.3.3.
Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 115; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 96; Stokkermans 2010, p. 180; Rb. Amsterdam 25 augustus 2010, JOR 2010, 301 m.nt. Nowak.
Zie in dit verband hetgeen overwogen in hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.2.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 671; Slagter/Assink 2013, p. 186, 338 en 528.
Evenzo: Wolf 2014. Ik zal echter hieronder betogen dat de kring van betrokkenen (veel) ruimer dient te worden getrokken.
Onder het oude recht leverde strijd met de goede trouw (nu de redelijkheid en billijkheid) nietigheid van het besluit op (Klein Wassink 2012, p. 37 en 44-47). Zie bijvoorbeeld: HR 21 mei 1943, NJ 1943, 484 (De Koedoe III).
Artikel 3:13 lid 2 BW.
Als alternatief zou kunnen worden beredeneerd dat ook misbruik van bevoegdheid niet nietigheid, maar vernietigbaarheid van het besluit met zich brengt, omdat misbruik van bevoegdheid moet worden beschouwd als een species van de genus redelijkheid en billijkheid. Gezien de specifieke verwijzing in artikel 2:15 lid 1 onder b BW naar artikel 2:8 BW lijken er – thans – weinig gronden om een dergelijk alternatief te onderbouwen.
Tot de invoering van artikel 2:15 lid 1 onder c BW bestond onduidelijkheid over de status van een besluit dat werd genomen in strijd met een bepaling in een reglement (Klein Wassink 2012, p. 97).
Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 7, p. 16-17.
Asser/Maeijer/Kroeze 2015, nr. 316; Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 115 en 116; Huizink 2012 (Groene Serie Rechtspersonen), artikel 15, aant. 7.4.; Klein Wassink 2012, p. 87-88; Maeijer in zijn annotatie onder HR 28 februari 1992, NJ 1992, 458 (Koelman-Buma).
Hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.5.; hoofdstuk 6, voetnoot 329.
Een opmerkelijke uitspraak is in dit verband het arrest van de Hoge Raad inzake Lampe/Videoworks (HR 31 mei 1996, NJ 1996, 694 m.nt Maeijer (Lampe/Videoworks)). Daar overwoog de Hoge Raad dat een ontslagen bestuurder in zijn hoedanigheid als aandeelhouder niet altijd een redelijk belang heeft bij een vordering tot vernietiging van het besluit tot ontslag, wanneer dat besluit in strijd met de wet of statuten tot stand is gekomen (zie hierover ook: Slagter/Assink 2013, p. 337). Ook institutioneel betrokkenen zullen derhalve hun belang moeten stellen, en zo nodig aannemelijk maken, al zal dit in de regel relatief eenvoudig zijn.
Klein Wassink 2012, p. 88. Evenzo: Rb. Amsterdam 25 augustus 2010, JOR 2010, 301 m.nt. Nowak.
Zie evenzo ook: Nowak in zijn annotatie onder JOR 2010, 301.
Zie in dit verband reeds hoofdstuk 6, paragraaf 6.4.2., waar ook nader wordt gewezen op de discussie ten aanzien van de toepasselijkheid van deze vernietigingsgronden in het kader van besluiten.
Artikel 2:15 lid 3 aanhef BW.
Huizink 2012 (Groene Serie Rechtspersonen), art. 15, aant. 7.1.
Zie voor een uitgebreidere toelichting over de schorsing en vooral vernietiging van besluiten door de Ondernemingskamer: Klein Wassink 2012, p. 111-135.
Voor de voorziening, die wordt getroffen nadat uit het verslag van wanbeleid is gebleken, is dit opgenomen in artikel 2:356 BW. Voor de onmiddellijke voorziening, die wordt getroffen indien wanneer het belang van het onderzoek of de toestand van de vennootschap dit vereist, is geen (wettelijke) opsomming gegeven van de mogelijkheden, maar heeft de Ondernemingskamer de vrijheid om een zodanige onmiddellijke voorziening te treffen als zij in verband met de toestand van de vennootschap of in het belang van het onderzoek noodzakelijk acht (HR 19 oktober 2001, JOR 2002, 5, m.nt. Geerts (Sky Gate)).
Evenzo: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 800; Klein Wassink 2012, p. 121; Reehuis & Slob 1991, p. 168.
Artikel 2:356 onder a BW. Zie voor beschikkingen waarin een besluit wordt geschorst onder meer: Hof Amsterdam (OK) 9 december 1999, JOR 2000, 96; Hof Amsterdam (OK) 28 april 2004, JOR 2004, 193; Hof Amsterdam (OK) 4 januari 2005, JOR 2005, 61.
Onder wanbeleid wordt onder meer verstaan ‘handelen in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap’ (Hof Amsterdam (OK) 21 juni 1979, NJ 1980, 71 (Batco)). Daarnaast kan het wanbeleid betrekking hebben op het (onvoldoende) functioneren van de vennootschap zelf (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 790). Zie over het begrip wanbeleid ook: Storm 2014-1, p. 191-202.
Kamerstukken II 1968/69, 9596, nr. 3, p. 8-9.
Zie in dit verband bijvoorbeeld: Hof Amsterdam (OK) 27 februari 2014, JOR 2014, 160 m.nt. Rensen.
HR 19 oktober 2001, JOR 2002, 5 m.nt. Van den Ingh (Scheipar).
De wet geeft ook een regeling voor de vernietigbaarheid van besluiten. Dat het besluit vernietigbaar is, betekent dat het besluit niet van meet af aan geen juridische gelding heeft, maar dat de juridische gelding wel aan het besluit kan worden ontnomen door de rechter.1 De vernietigbaarheid van een besluit is binnen het rechtspersonenrecht2 geregeld in artikel 2:15 lid 1 BW. In dit artikel wordt een drietal gronden voor vernietigbaarheid van het besluit gegeven:
strijd met een wettelijke of statutaire bepaling die de totstandkoming van het besluit regelt;
strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist; of
strijd met een reglement.3
De eerste grond van artikel 2:15 lid 1 BW is tevens de belangrijkste uitzondering op de nietigheid van besluiten als gevolg van strijd met een wettelijke of statutaire bepaling. Wordt in strijd met een wettelijke bepaling gehandeld die betrekking heeft op de totstandkoming van een besluit, dan is het besluit niet nietig, maar vernietigbaar. Er is slechts een beperkt aantal wettelijke bepalingen met betrekking tot de totstandkoming van besluiten, in de meeste gevallen betrekking hebbende op de algemene vergadering van aandeelhouders. Daarbij kan worden gedacht aan oproepingstermijnen, de agenda, het (proces van) stemmen, etc. In de statuten kunnen aanvullende bepalingen zijn opgenomen, ook voor andere organen. Daarnaast kan worden gedacht aan de situatie waarin het bestuur en, indien ingestelde, de raad van commissarissen niet in de gelegenheid zijn gesteld hun raadgevende stem uit te oefenen4 alsmede wanneer zij bij besluitvorming buiten de algemene vergadering van aandeelhouders niet in de gelegenheid zijn gesteld hun advies uit te brengen.5
De tweede grond van artikel 2:15 lid 1 BW betreft de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Dit wordt wel gezien als de belangrijkste vernietigingsgrond, aldus Huizink.6 Wordt in strijd met artikel 2:8 BW gehandeld, dan is sprake van een vernietigbaar besluit. Het toetsingscriterium is derhalve of het orgaan, gezien de omstandigheden en alle belangen afwegende,7 in redelijkheid niet tot het desbetreffende besluit had kunnen komen.8 Bij de nadere invulling van dit criterium kan worden aangesloten bij hetgeen omtrent misbruik van bevoegdheid is bepaald,9 afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Een beroep op de vernietigbaarheid van een besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW komt niet aan iedere belanghebbende toe. In deze bepaling wordt verwezen naar de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Om een beroep te mogen doen op deze bepaling, moet men dus behoren tot de kring van institutioneel betrokkenen.10 Daarbij kan, al naar gelang welke opvatting men ten aanzien van de redelijkheid en billijkheid heeft, ook nog worden betoogd dat het dient te gaan om een gedraging jegens de institutioneel betrokkene in zijn hoedanigheid als institutioneel betrokkene en niet als, bijvoorbeeld, crediteur.11 Dit betekent dat deze ‘belangrijkste’ vernietigingsgrond behoorlijk beperkt wordt, omdat maar een beperkte groep belanghebbenden, de institutioneel betrokkenen, een beroep erop kan doen, al zal hieronder blijken dat misbruik van bevoegdheid – mijns inziens – een gangbaar alternatief kan zijn.
In de literatuur wordt de opvatting verwoord dat een belanghebbende die niet behoort tot de kring van institutioneel betrokkenen, wel een redelijk belang kan hebben bij de naleving van de redelijkheid en billijkheid door een institutioneel betrokkene en op grond daarvan toch een beroep kan doen op vernietiging van het besluit.12 Hoewel een belanghebbende die niet behoort tot de kring van institutioneel betrokkenen inderdaad een belang kan hebben bij de naleving van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW door een institutioneel betrokkene, zie ik niet de ruimte voor die belanghebbende om daar in het kader van artikel 2:15 (lid 1 onder b) BW een beroep op te doen. De redelijkheid en billijkheid creëert verplichtingen voor de institutioneel betrokkenen jegens elkaar en het is daarmee ook aan de institutioneel betrokkenen om dit (eventueel) af te dwingen. De belanghebbende kan geen verplichtingen afdwingen die niet jegens hem in acht behoeven te worden genomen.13
Strijd met de redelijkheid en billijkheid leidt dus tot vernietigbaarheid, maar misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) leidt tot nietigheid. Misbruik van bevoegdheid is immers een wettelijke bepaling en een besluit in strijd met een wettelijke bepaling is nietig op grond van artikel 2:14 BW. Nu deze twee bepalingen inhoudelijk dezelfde norm kennen, ligt dit eigenlijk niet voor de hand. Het onderscheid is gelegen in het feit dat de wettelijke bepaling van artikel 2:15 BW een uitzondering maakt voor de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW, waardoor een besluit in strijd met artikel 2:8 BW, hoewel een wettelijke bepaling, niet nietig maar vernietigbaar is.14
Mijns inziens liggen er voor belanghebbenden die niet behoren tot de kring van institutioneel betrokkenen, zoals bijvoorbeeld een kredietverstrekker, mogelijkheden om op grond van artikel 2:14 BW met een beroep op misbruik van bevoegdheid besluiten aan te tasten, wanneer zij kunnen aantonen dat zij daar een voldoende belang bij hebben. Deze situatie zou zich kunnen voordoen wanneer er een dividendbesluit wordt genomen of zekerheden worden gevestigd als gevolg waarvan de kredietgever meent ontoelaatbaar onevenredig in zijn belang te worden geschaad. In een dergelijke situatie zal het voldoende belang mijns inziens goed te onderbouwen zijn. Ook kan een beroep op misbruik van bevoegdheid worden gedaan wanneer de algemene vergadering van aandeelhouders niet handelt overeenkomstig het vennootschappelijk belang. De bevoegdheid wordt dan immers uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend.15 In die situatie behoeft geen sprake te zijn van een ‘ontoelaatbare onevenredigheid’, maar slechts van een voldoende belang. Dit voldoende belang zal aanwezig zijn wanneer het belang van de belanghebbende die het besluit wil aantasten op enige wijze geschaad wordt.
Deze situatie is vanuit het oogpunt van de wetssystematiek en rechtszekerheid onwenselijk. Het heeft immers tot gevolg dat strijd met de redelijkheid en billijkheid als grond voor vernietigbaarheid een niet-functionele bepaling is, omdat dergelijke besluiten op grond van misbruik van bevoegdheid (al) nietig zijn en dus helemaal niet vernietigd kunnen worden. De oplossing die voor de hand ligt, is dat de bepaling van artikel 2:15 lid 1 onder b BW wordt geschrapt dan wel misbruik van bevoegdheid aan deze bepaling wordt toegevoegd.16 Dan worden de gedragsnormerende bepalingen gelijkgetrokken.
De derde grond van artikel 2:15 lid 1 BW betreft de mogelijkheid om besluiten te vernietigen wanneer deze in strijd zijn met een reglement.17 Er is dus een onderscheid gemaakt tussen besluiten die in strijd zijn met wet of statuten (nietigheid) en een reglement (vernietigbaarheid). In de parlementaire geschiedenis wordt dit als volgt toegelicht:
‘Reglementaire bepalingen houden veelal slechts procedurevoorschriften in; overtreding van zulke bepalingen behoort niet zonder meer nietig te zijn, als de direct belanghebbenden zich met die overtreding kunnen verenigen of zich daarbij willen neerleggen.’18
Daarmee lijkt te worden gesuggereerd dat reglementaire bepalingen hoofdzakelijk procedurevoorschriften inhouden, hetgeen wel verklaart waarom voor vernietigbaarheid in plaats van nietigheid is gekozen. Hierop was (logischerwijs) kritiek, waarna de Minister antwoordde:
‘De commissie stelt voorts enige vragen betreffende de vernietigbaarheid van besluiten in strijd met een reglement (art. 15 lid 1 onder c). Het is juist dat reglementen van zeer uiteenlopende aard kunnen zijn, doch het zou voor de praktijk moeilijkheden opleveren, indien de wet voor de regeling der nietigheid of vernietigbaarheid onderscheid zou maken naargelang het reglement procedurele dan wel inhoudelijke regels bevat. Juist daarom is voorgesteld hier wèl een uniforme regeling te stellen, doch, anders dan bij de statuten, het vereiste van overeenstemming met een reglement niet te sanctioneren met nietigheid, doch slechts met vernietigbaarheid. Degene die een redelijk belang bij de naleving van het reglement kan aantonen, kan dan de vernietiging uitlokken – zie lid 3, onder a – , maar als zo’n redelijk belang niet bestaat, blijft het besluit in stand; voorts leent een zodanig besluit zich ook tot bevestiging conform artikel 3.2.18 jo artikel 3.2.21. Aldus is een flexibele regeling geschapen, die aan de behoeften der praktijk zal kunnen voldoen.’19
Verder is het niet relevant of (i) het reglement openbaar is gemaakt en (ii) of het reglement een statutaire basis heeft.20
Blijkens artikel 2:15 lid 3 onder a BW dient de persoon die een vordering tot vernietiging van het besluit instelt een redelijk belang te hebben bij de nakoming van de verplichting die niet is nagekomen. Dit redelijk belang bestaat naast het vereiste redelijk (proces)belang van artikel 3:303 BW.21 Voor het antwoord op de vraag wanneer er sprake is van een redelijk belang in de zin van artikel 2:15 lid 3 onder a BW wordt in de literatuur aangesloten bij de twee-kringen-leer, welke hierboven reeds aan de orde is gekomen.22 Dit betekent dat behoudens bijzondere gevallen diegenen die behoren tot de kring van institutioneel betrokkenen een redelijk belang hebben, terwijl personen die niet tot de kring van institutioneel betrokkenen behoren hun belang moeten stellen en zo nodig, bij betwisting, aannemelijk moeten maken.23 Klein Wassink lijkt te menen dat de kring van belanghebbenden – in grote lijnen – de institutioneel betrokkenen is, waarmee zij lijkt te suggereren dat voor andere belanghebbenden geen ruimte bestaat.24 Dit zie ik, blijkens het bovenstaande en het in hoofdstuk 6, voetnoot 163 overwogene, anders.25
Niet alleen binnen het rechtspersonenrecht kunnen gronden worden gevonden voor het vernietigen van een besluit. Ook het vermogens-, faillissements- en verbintenissenrecht kent gronden voor vernietiging van rechtshandelingen, en dus besluiten. Daarbij kan onder meer worden gewezen op bedreiging, dwaling, bedrog, misbruik van omstandigheden en de actio pauliana.26
Het is niet mogelijk een besluit te vernietigen middels een buitengerechtelijke verklaring.27 Dit betekent dat een belanghebbende die een besluit wil vernietigen dit alleen kan doen door middel van gerechtelijke tussenkomst. Dit is ook het geval wanneer een andere vernietigingsgrond dan die uit artikel 2:15 lid 1 BW aan de vordering tot vernietiging van het besluit ten grondslag ligt.28
Ook ten aanzien van het vernietigen van besluiten is een rol weggelegd voor de Ondernemingskamer.29 In het kader van een (onmiddellijke) voorziening kan een besluit worden vernietigd.30 Dit is een zelfstandige mogelijkheid naast het vernietigen van een besluit op grond van artikel 2:15 BW.31 Daarnaast bestaat de mogelijkheid een besluit te schorsen.32
Een besluit wordt vernietigd of geschorst bij wijze van voorziening wanneer de Ondernemingskamer, mede naar aanleiding van het verslag van de onderzoekers, wanbeleid33 constateert en middels deze voorziening de gezonde verhoudingen binnen de vennootschap kunnen worden hersteld en de schorsing of vernietiging niet verder gaat dan noodzakelijk is. Het besluit hoeft niet zelf de bron van het wanbeleid te zijn, maar moet aan het herstel van de gezonde verhoudingen in de weg staan.34 Een besluit kan ook worden geschorst35 of vernietigd bij wijze vanonmiddellijke voorziening wanneer de toestand van de rechtspersoon of belangen van het onderzoek dit vereisen. Dat vernietiging van het besluit onomkeerbare gevolgen heeft, staat daaraan niet zonder meer in de weg.36