Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.7
7.7 Motivering van de bewijsbeslissing
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Bij een vrijspraak hoeft de rechter in beginsel niet aan te geven waarop hij zich heeft gebaseerd.
Indien de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd kan de rechter volstaan met de opgave van bewijsmiddelen (art. 359 lid 2 Sv). De rechter kan in geval van een veroordeling tevens kiezen voor een verkort vonnis, dan hoeven de bewijsmiddelen pas te worden opgenomen en uitgewerkt op het moment dat hoger beroep is ingesteld (art. 365a Sv).
Van Dorst 2009, p. 234.
Zie op dit punt § 7.3.
Vgl. Dreissen 2007, p. 167. Zie voor een meer gedetailleerde uiteenzetting van de invulling van het begrip redengevendheid in relatie tot getuigenverklaringen § 10.4.1.3.
Zie HR 29 november 1926, NJ 1927, 46 en Dreissen 2007, p. 180.
Dit was aanvankelijk wel de bedoeling van de wetgever, die blijkens de memorie van toelichting met artikel 359 lid 3 beoogde te bewerkstelligen dat de rechter zijn logische gedachtegang in zijn vonnis kenbaar zou maken. In de jurisprudentie is echter spoedig na de inwerkingtreding van het wetboek beslist dat kon worden volstaan met een verwijzing naar de inhoud van de bewijsmiddelen (HR 29 november 1926, NJ 1927, 46). Daarmee is de eis van redengevendheid komen samen te vallen met de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen (Dreissen 2007, p. 189-191).
Dreissen 2007, p. 185-186.
Dreissen 2007, p. 169 en 215.
De algemene responsieplicht is ingevoerd bij Wet van 10 november 2004, Stb. 580 (i.w.tr. op 1 januari 2005).
Anoniem gebleven getuigen zijn getuigen die niet de status van bedreigde getuigen hebben, maar wiens identiteit niet blijkt uit het proces-verbaal waarin de verklaring is neergelegd (art. 344a lid 3 Sv).
HR 21 november 2006, NJ 2006, 649.
Een belangrijke functie komt in het Nederlandse bewijsrecht als gezegd toe aan de motivering. De wet eist dat de rechter zijn beslissing op de eerste vraag van artikel 350 Sv – of de tenlastelegging kan worden bewezen – in zijn vonnis of arrest vermeldt en met redenen omkleedt (art. 359 lid 2 jo art. 358 lid 2 Sv).1 De omvang van de motiveringsplicht wordt in geval van een bewezenverklaring bepaald door artikel 359 lid 3 Sv dat stelt dat ‘de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden’. In geval van een bewezenverklaring kan de rechter volstaan met het motiveren van zijn beslissing door het opsommen van de gebezigde bewijsmiddelen in het vonnis en het weergeven van de inhoud van die bewijsmiddelen.2 Door het opgeven van de bewijsmiddelen kan de verdachte kennis verkrijgen op basis van welk bewijsmateriaal de rechter tot een bewezenverklaring is gekomen. Tevens kan op deze manier door een hogere rechter of door derden (het publiek) controle worden uitgeoefend op de keuze van de bewijsmiddelen en in bijzonder worden gekeken of het gebezigde bewijsmateriaal voldoet aan de wettelijke eisen, redengevend is voor de beslissing en – in het licht van de wettelijke bewijsminima – de bewezenverklaring kan dragen. In cassatie wordt ten aanzien van de bewijsbeslissing een marginale toets aangelegd: de beoordeling van de feiten wordt primair aan de feitenrechter overgelaten en de cassatierechter zal niet teveel in de waarderingsvrijheid van de feitenrechter willen treden. De cassatierechter laat zich in beginsel niet uit over de juistheid van de beslissing zelf, maar kijkt alleen of de wettelijke regels in acht zijn genomen3 en of de door de feitenrechter gegeven (nadere) bewijsmotivering voldoende begrijpelijk is. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, heeft de (nadere) bewijsmotivering tevens een functie voor de bewijsconstructie. Zo kan de rechter die zich ziet geconfronteerd met een dreigende Meer en Vaartsituatie, de bewezenverklaring in bepaalde gevallen afhechten door in een nadere bewijsoverweging aan te geven waarom het verantwoord is om toch tot een bewezenverklaring over te gaan.4
De bewezenverklaring moet berusten op de redengevende feiten en omstandigheden. In de eis dat de door rechter gebruikte bewijsmiddelen redengevend moeten zijn voor de bewijsbeslissing, ligt (onder meer) de eis van relevantie besloten zoals die in het tweede hoofdstuk ook al aan de orde is gekomen. Wil een bewijsmiddel redengevend zijn voor het bewijs, dan dient er een logisch verband te bestaan tussen de feiten en omstandigheden neergelegd in dat bewijsmiddel en de bewezenverklaarde tenlastelegging.5 Anders dan in de Verenigde Staten betreft het in Nederland een eis die wordt gesteld aan de motivering. Aan de wettelijke verwijzing naar de redengevende feiten en omstandigheden komt in de jurisprudentie geen zelfstandige betekenis toe ten opzichte van de eis dat de inhoud van de bewijsmiddelen moet blijken uit het vonnis.6 Er hoeft geen afzonderlijke overweging te worden gewijd aan welke redengevende feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zijn afgeleid. Een verwijzing naar de inhoud van de bewijsmiddelen volstaat in het kader van artikel 359 lid 3 Sv. Ook een ambtshalve toelichting van logisch verband tussen de bewijsmiddelen en de bewezenverklaring is niet vereist.7 Dit is ook het geval niet wanneer het zogenaamd indirect bewijs betreft dat niet rechtstreeks een onderdeel van de tenlastelegging steunt. De lezer moet in dat geval zelf achterhalen in welk opzicht de rechter het gehanteerde bewijsmiddel redengevend heeft geacht voor de beslissing dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.8 Indien de inhoud van een bewijsmiddel niet redengevend kan zijn voor de bewijsbeslissing, levert dat wel grond op voor cassatie. Er is de nodige jurisprudentie waarin volgens de Hoge Raad niet aan de eis van redengevendheid is voldaan. Zo wordt in de jurisprudentie ‘redengevende kracht’ ontzegd aan de omstandigheid dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept. Dreissen stelt echter dat op dit punt geen echte inhoudelijke leer tot ontwikkeling is gekomen doordat de rechter zijn beslissing om bepaalde delen van het bewijsmateriaal wel of niet redengevend te achten niet nader hoeft te motiveren.9
De beslissing omtrent de ‘betrouwbaarheid’ van het gebezigde materiaal vergt in beginsel geen nadere toelichting. De gedachte is dat uit de opgesomde bewijsmiddelen kan worden afgeleid wat de rechter wel en niet betrouwbaar heeft geacht. Over het waarom hoeft hij zich niet ambtshalve uit te laten. Dit ontslaat de rechter van uitleg over allerlei netelige bewijskwesties, zoals waarom de ene getuige niet en de andere wel wordt geloofd. Lange tijd was het ook zo dat bewijsverweren onbesproken konden blijven vanuit de (nogal formalistische) redenering dat zij hun weerlegging reeds vinden in de opsomming van de bewijsmiddelen. Tegenwoordig dient de rechter op het moment dat de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen in beginsel wel te responderen op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv.10 Bij de omvang en reikwijdte van die responsieplicht voor wat betreft de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring wordt in het tiende hoofdstuk nader ingegaan.
Overigens geldt voor specifieke bewijsmiddelen wel een bijzondere ambtshalve motiveringsplicht. Indien de rechter die bewijsmiddelen wil gebruiken, zal hij dat in zijn vonnis dienen te verantwoorden. Artikel 360 Sv stelt dat als de rechter verklaringen van een bepaald type getuigen als bewijsmiddel gebruikt, hij daarvoor in het vonnis in het bijzonder de reden geeft. Het gaat dan om ter terechtzitting of ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van niet-beëdigde getuigen, bedreigde of afgeschermde getuigen en getuigen met wie – op grond van artikel 226h lid 3 of 226k Sv – een afspraak is gemaakt (de zogenaamde ‘kroongetuige’). De schriftelijke verklaring van een anoniem gebleven getuige valt ook onder deze bijzondere motiveringsplicht.11 De bijzondere motiveringsplicht behelst dat de rechter in zijn vonnis er blijk van dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de gebezigde verklaringen te hebben onderzocht.12 De ratio van deze verzwaarde motiveringsplicht ligt in de beperkte mogelijkheid tot toetsing vanwege de onbekendheid van de identiteit van de bron en het verhoogde risico van onbetrouwbaarheid van dit type verklaringen. Voor het overige hoeft de rechter niet ambtshalve stil te staan bij de betrouwbaarheid van de gebezigde bewijsmiddelen.