Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.7.1
5.7.1 Inleiding
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949804:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Boschma & Schutte-Veenstra, in: T&C BW, art. 2:312 BW, aant. 3 onder c. Zij spreken over “rechten die niet meer te realiseren zijn doordat de verdwijnende rechtspersoon ophoudt te bestaan”. Idem Dortmond 1980, p. 50 en Dortmond 1989, p. 96. Koster, in: GS Rechtspersonen, art. 2:320 BW, aant. a2 spreekt over “degenen die een bijzonder recht hebben jegens de fuserende rechtspersoon, waaraan anders als gevolg van de fusie afbreuk zou kunnen worden gedaan”.
Overigens bevat ook de regeling van de juridische splitsing een dergelijk artikel over het toekennen van een gelijkwaardig recht. Art. 2:334p BW luidt: “Hij die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens de splitsende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, moet hetzij zodanige rechten in verkrijgende rechtspersonen krijgen, dat deze, waar toepasselijk samen met het recht dat hij jegens de voortbestaande splitsende rechtspersoon heeft, gelijkwaardig zijn aan zijn recht voor de splitsing, hetzij schadeloosstelling krijgen.” In de in de Staatscourant geplaatste Wft-advertenties die ik heb gezien met betrekking tot juridische splitsingen van verzekeraars en jurisprudentie ben ik geen verwijzingen naar een dergelijk gelijkwaardig recht tegengekomen. Ik ga er daarom vanuit dat van art. 2:334p BW bij juridische splitsingen van verzekeraars geen (of: zelden) gebruik wordt gemaakt. Art. 2:334p BW laat ik daarom (mede uit een oogpunt van leesbaarheid van dit hoofdstuk 5.7) hier verder onbesproken.
De polishouder met een polis met het recht van maatschappijwinstdeling deelt in beginsel niet mee in de bedrijfswinst van de gehele levensverzekeraar/rechtspersoon. Het hier bedoelde begrip “maatschappij” valt dus niet samen met “de levensverzekeraar”. De desbetreffende polishouder deelt mee in bedrijfswinst die wordt toegerekend aan het deel van de verzekeringsportefeuille van de levensverzekeraar waarbij uit de polissen blijkt dat het polissen met maatschappijwinstdeling betreft. De polishouder deelt dan bijvoorbeeld mee in de winst van de levensverzekeraar op beleggingen ter grootte van de technische voorzieningen van de winstdelende verzekeringsportefeuille, voor zover de beleggingsopbrengsten uitkomen boven de door de levensverzekeraar gehanteerde rekenrente. Onder de rekenrente versta ik hier de rente met toepassing waarvan de premie van de desbetreffende levensverzekeringen is berekend. Op dezelfde wijze deelt hij mee in winst uit andere winstbronnen voor zover die winst wordt toegerekend aan de winstdelende verzekeringsportefeuille. De term “maatschappijwinstdeling” wordt dus gebruikt om duidelijk te maken dat de winstdeling op meerdere winstbronnen van de verzekeraar is gebaseerd. Aldus vallen polissen met maatschappijwinstdeling te onderscheiden van polissen zonder winstdeling of van bijvoorbeeld polissen met overrentedeling. Zie voor een nadere toelichting op die laatste term hoofdstuk 5.7.2.
Zie hoofdstuk 6.7.4.2 voor voorbeelden.
Vermeld in hoofdstuk 5.7.4.
Het betrof de juridische fusie tussen Centraal Beheer Leven N.V. als verdwijnende verzekeraar en Centraal Beheer Levensverzekering N.V. als verkrijgende verzekeraar.
Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2013-189 d.d. 18 juni 2013 en Commissie van Beroep 2014-001 d.d. 9 januari 2014.
Het ging hier om een regeling m.b.t. maatschappijwinstdeling opgenomen in de polisvoorwaarden van de levensverzekeraar. De juridische fusie met de verkrijgende levensverzekeraar werd op 1 april 1994 van kracht. De Commissie van Beroep overwoog in de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3.het volgende: “Het recht van belanghebbende op grond van de overschottenregeling was een recht op een uitkering van winst. Het betrof immers de verdeling van een toename van de algemene reserve door toevoeging van winst. Ingevolge het bepaalde in artikel 2:320 lid 1 BW moet bij een fusie als de onderhavige hij, die een bijzonder recht jegens de verdwijnende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst, een gelijkwaardig recht in de verkrijgende rechtspersoon krijgen, of schadeloosstelling. De achtergrond van deze bepaling is dat dergelijke bijzondere rechten jegens de verdwijnende rechtspersoon niet zonder meer in stand kunnen blijven omdat de verkrijgende rechtspersoon zich in een andere situatie bevindt dan de verdwijnende rechtspersoon, bijvoorbeeld omdat de verkrijgende vennootschap een andere portefeuille heeft en daarmee een andere samenstelling van de winst. In het onderhavige geval is belanghebbende niet een gelijkwaardig recht in de verkrijgende rechtspersoon, (…), toegekend, maar een schadeloosstelling. Dat is ook vermeld in artikel 4.7 van de akte van fusie. Het stond (…) in de gegeven omstandigheden dus in beginsel vrij de overschottenregeling (eenzijdig) te laten vervallen. Van het voornemen daartoe behoefden de verzekeringnemers niet anders dan door middel van de hiervoor onder 3.1 bedoelde advertenties op de hoogte te worden gesteld. Belanghebbende klaagt er ook over dat de schadevergoeding van EUR 144,36 veel te laag is. De verzekeraar heeft in dit verband toegelicht dat bij het bepalen van de hoogte van de schadeloosstelling ermee rekening is gehouden dat het recht op grond van de overschottenregeling ten tijde van de fusie een theoretisch recht bleek te zijn, omdat in de praktijk niet of nauwelijks sprake was geweest van te verdelen overschotten en dat niet verwacht mocht worden dat dit in de toekomst anders zou worden. Voorts heeft in 1993 een commissie van deskundigen van (…) de gekozen uitgangspunten voor de vaststelling en de verdeling van de schadeloosstelling alleszins redelijk en aanvaardbaar geoordeeld en heeft de toenmalige toezichthouder, de Verzekeringskamer, de vereiste toestemming verleend voor de uit de fusie voortvloeiende overgang van de rechten en verplichtingen uit alle overeenkomsten van levensverzekering.”
Bij een juridische fusie gaan rechten jegens de verdwijnende rechtspersoon onder algemene titel over op de verkrijgende rechtspersoon. De schuldeisersbescherming van art. 2:316 BW is dan van toepassing. Maar er kan ook sprake zijn van bijzondere rechten die niet meer te realiseren zijn, doordat de verdwijnende rechtspersoon ophoudt te bestaan. Deze rechten vallen onder de werking van art. 2:320 BW.1
Art. 2:320 BW2 bepaalt dat hij die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens een verdwijnende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, in geval van een juridische fusie een gelijkwaardig recht moet krijgen in de verkrijgende rechtspersoon, of schadeloosstelling. De achterliggende gedachte is dus dat een “gelijkwaardig” recht nodig is, omdat een “gelijk” recht feitelijk niet meer te realiseren is.
Bij levensverzekeraars heeft soms een deel van de verzekeringsportefeuille recht op zogenaamde “maatschappijwinstdeling”.3 Dit is een term die verzekeraars daar intern en onderling voor gebruiken. Kort gezegd is er dan voor een groep polishouders sprake van een situatie waarbij er een bepaling in de polisvoorwaarden, in de statuten van de verzekeraar, of in zowel de polisvoorwaarden als de statuten, is opgenomen, waarin staat dat zij recht hebben op een deel van de winst. Als deze levensverzekeraar de verdwijnende rechtspersoon is bij een juridische fusie kan dit recht op maatschappijwinstdeling als een bijzonder recht in de zin van art. 2:320 BW jegens die verdwijnende rechtspersoon worden gekwalificeerd. De wijze van berekening van de winstdeling zal na de juridische fusie immers waarschijnlijk niet op gelijke wijze kunnen worden voortgezet. Uit advertenties in de Staatscourant in het kader van de Wft-procedure voor portefeuilleoverdracht/portefeuilleovergang4 en uit jurisprudentie5 blijkt dat in dergelijke situaties aan de desbetreffende polishouders bij een aantal juridische fusies een gelijkwaardig recht in de zin van art. 2:320 BW is toegekend jegens de verkrijgende verzekeraar.
Het toekennen van een schadeloosstelling in de zin van art. 2:320 BW zal in de praktijk alleen een optie zijn indien de tot het moment van de juridische fusie toegekende winstdeling relatief gering is. Indien er wel sprake was van grotere bedragen dan zal het immers voor de verzekeraar geen optie zijn de toekomstige winsten contant te gaan maken in een schadeloosstelling voor de polishouders, terwijl er – indien de juridische fusie niet zou hebben plaatsgevonden – (economische) ontwikkelingen zouden kunnen zijn waardoor de winstdeling toch lager uitpakt dan doorgerekend vanuit ervaringen in het verleden. In de jurisprudentie vond ik één situatie waarin werd geprocedeerd over de bij een juridische fusie6 op grond van art. 2:320 BW toegekende schadeloosstelling. In de desbetreffende uitspraken7 was inderdaad sprake van een laag bedrag aan winstdeling.8
In dit hoofdstuk richt ik mij daarom op de juridische aspecten van het toekennen van een gelijkwaardig recht in de zin van art. 2:320 BW in geval van een juridische fusie waarbij een groep polishouders jegens de verdwijnende rechtspersoon recht heeft op maatschappijwinstdeling.