Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.1.1
6.1.1 Het algemene vraagstuk van waarderen
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS346768:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Polak schrijft hierover letterlijk: 'De machine levert, om met Marshall te spreken, een quasi-rent, voortvloeiend uit de marktprijzen van product en complementaire goederen.' Inzake Marshall verwijst hij naar diens boek Principles of Economics, Book II Ch. IV paragraaf 2. Inzake het begrip quasi-rent merkt Polak op: 'Het begrip quasi-rent is niet geheel nauwkeurig door Marshall aangegeven. Aan het slot van de noot bij V, IX, 5 schijnt het te beduiden de opbrengst van een duurzaam productiemiddel, mede omvattend het voor afschrijving of vernieuwing benodigde kostenbedrag, aan het slot van de noot bij V, X, 1 echter het netto-inkomen uit het productiemiddel. In dit opstel wordt het begrip in eerstgenoemden zin gebezigd, dus als volle opbrengst, inclusief afschrijvingen:
Een voorbeeld: Stel er is een goederenvoorraad van 1000 kilo met een inkoopprijs van f 3 per kilo. De kostprijs van deze voorraad bedraagt dus f 3000. De boekwaarde van de machine bedraagt f 10 000. De markt voor het met de machine te vervaardigen product is ingestort. Het eindproduct kan slechts tegen f 2 per kilo worden verkocht. Staakt de ondernemer zijn productie dan bedraagt zijn totale verlies f 3000 (kostprijs voorraad) plus f 10 000 (boekwaarde machine) is f 13 000. Door de op zichzelf verlieslijdende productie voort te zetten wordt zijn verlies beperkt tot f 11 000 in verband met de gerealiseerde opbrengst van f 2000 (1000 kilo x f 2 opbrengst is f 2000). De bedrijfswaarde = indirecte opbrengstwaarde van machine en voorraad samen bedraagt f 2000 zonder dat bedrijfseconomisch gezien dat bedrag kan worden toegerekend aan de onderscheiden activa. De complementair verbonden activa vormen een onlosmakelijk geheel. Na afwaardering op lagere bedrijfswaarde bedraagt het resultaat op de verkoop van het gereed product nul.
T.a.p., blz. 352.
Zuiverder geformuleerd: Als gevolg van de complementariteit bestaat er geen waarde van de vier overige schepen. Zoals hiervoor onder 3. weergegeven is bij complementair verbonden goederen slechts hun gezamenlijke waarde te bepalen. Er kan dus alleen worden gesproken over de (bedrijfs)- waarde van de vijf schepen gezamenlijk, niet over de waarde van afzonderlijke schepen.
Alvorens zijn uiteenzetting toe te spitsen op de balanswaardering gaat Polak in zijn essay Waardeerings- en balansproblemen' eerst in op het algemene vraagstuk van waarderen, waarbij de waarde van een goed enkel en alleen wordt bepaald door de verwachte geldopbrengst. Tevens bepaalt de marktprijs van de complementaire goederen, de waarde van de goederen, die de onderneming reeds in bezit heeft. Ter ondersteuning van deze visie het volgende voorbeeld (ontleend aan Polak):
Casus
Ter vervaardiging van een product P met een opbrengst groot 15, zijn twee goederen A en B nodig. De onderneming bezit reeds een partij van het goed B. De marktprijs van het goed A bedraagt 10. Wat is nu de waarde van B?
Antwoord: door de opbrengst van P (groot 15) te verminderen met de prijs van 10, waarvoor het complementaire goed A op de markt te verkrijgen is. De waarde van B is 5.
Vervolgens introduceert hij de begrippen quasi-renti 1(voor het gebruik van duurzame productiemiddelen, bestaande uit de opbrengst inclusief de afschrijving) en rent (zijnde de organisatie, naam, winstgevendheid etc. van de onderneming welke als goodwill kan worden verkocht) en trekt de volgende algemene conclusies:
Bij productiemiddelen voor eenmalig gebruik heeft de bedrijfswaarde de neiging, met de vervangingswaarde samen te vallen. Dit gegeven bevestigt in feite de gewoonte om bij kostprijscalculaties (voor het maken van offertes) dergelijke goederen op marktprijs te waarderen.
Door de prestaties van duurzame productiemiddelen kan de bedrijfswaarde in belangrijke mate afwijken van de vervangingswaarde.
Een niet onbelangrijk aspect van de hiervoor beschreven problematiek heeft betrekking op het subjectieve element in de waardering. Heeft een waardering die uitgaat van geschatte toekomstige opbrengsten niet altijd een subjectieve inslag? Volgens Polak zijn er enkele algemene waarderingsregels te geven:
De waarde, door een onderneming toe te kennen aan een goed, dat zij wenst te kopen, is allereerst gelijk aan de subjectief geschatte opbrengst. Vervolgens dient vermindering te volgen met:
een risicopremie,
de subjectief geschatte waarde, die de reeds in het bezit der onderneming zijnde complementaire goederen bij vervreemding of bij andere aanwending zouden hebben,
de overige ter verkrijging van de opbrengst te maken complementaire kosten (met inbegrip van de kapitaalrente);
De waarde van een goed in het bezit van een onderneming is gelijk aan de subjectief geschatte opbrengst onder aftrek van een risicopremie en de ter verkrijging van die opbrengst noodzakelijk te maken complementaire kosten;
Wanneer zich meerdere complementair verbonden goederen in het bezit van de onderneming bevinden, is op grond van het voorgaande slechts hun gezamenlijke waarde te bepalen2;
De toerekening van de gezamenlijke waarde van de complementair verbonden goederen, aan de afzonderlijke goederen berust op subjectieve schattingen. In het algemeen zal de aan elk der afzonderlijke goederen toe te kennen waarde dichter naderen tot de ogenblikkelijke vervangingswaarde, naarmate het tijdstip van uitputting van de voorraad van dat goed naderbij ligt.
De hiervoor genoemde vier punten vestigen de aandacht op een ander belangrijk aspect van het waarderingsproces, namelijk de invloed van de complementariteit van een duurzaam productiemiddel op de waarde daarvan. Een duurzaam productiemiddel is te beschouwen als een reeks van prestaties. Polak3 schrijft hier over: 'De waarde van de dichtstbijgelegen prestatie vloeit voort uit de subjectieve schatting der opbrengst van het eerstvolgende productieproces, verminderd met de benaderde waarde van de in het bezit der onderneming zijnde complementaire goederen en met den prijs, die voor de overige complementaire goederen moet worden betaald. ... Zal de schatting van opbrengst en complementaire kosten ten aanzien van de dichtstbijgelegen productieprocessen nog sterk onder den invloed staan van de marktprijzen van het oogenblik, hoe verder de prestaties verwijderd liggen, des te sterker zullen de subjectieve schattingen van de verschillende ondernemingen uiteenlopen ... is de bedrijfswaarde van zulk een duurzaam productiemiddel ook gelijk aan de som der geschatte waarden dier prestaties, gedisconteerd op het oogenblik, m.a.w. de contante waarde van de quasi-rent.'
Is de vervreemdingswaarde van een duurzaam productiemiddel hoger dan de bedrijfswaarde, dan zal normaliter dit activum worden verkocht en de productie worden stopgezet.
Anders is het bij duurzame productiemiddelen die niet op zichzelf worden geëxploiteerd, maar met andere duurzame productiemiddelen, complementair verbonden zijn. Het duurzame productiemiddel vormt in dat geval als het ware een schakel in een keten: de onderneming betaalt ter vervanging van het ene activum liever een hogere prijs dan de waarde die het activum op zichzelf heeft, om daarmee inkrimping of opheffing van de onderneming te voorkomen.
Een voorbeeld uit de praktijk: Een scheepvaartonderneming exploiteert vijf schepen die complementair met elkaar verbonden zijn. Op basis van een schatting van de toekomstige vrachtopbrengsten en exploitatiekosten hebben de vijf volkomen gelijke schepen een gezamenlijke waarde van vijf miljoen gulden. Eén schip gaat verloren en is slechts tegen betaling van 1,5 miljoen gulden te vervangen. Nu de vijf schepen complementair verbonden zijn, bestaat slechts de keus tussen vervanging van het ene of liquidatie van de vier overige schepen. Vindt daadwerkelijk vervanging van het ene schip plaats dan hebben de overige vier schepen daarmee een gezamenlijke waarde van 3,5 miljoen gulden (en niet van 6 miljoen gulden). Zo leidt de hoge aankoopprijs van het nieuwe schip tot een corresponderende waardedaling van de vier overige schepen.4