De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.9.1.e:9.9.1.e Een van de verkrijgende rechtspersonen behoort tot een andere groep
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.9.1.e
9.9.1.e Een van de verkrijgende rechtspersonen behoort tot een andere groep
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250436:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verbrugh 2006, p. 54, Verbrugh 2007, p. 269-270 en Van der Kraan 2012, p. 161. Zie in vergelijkbare zin § 9.10.1.d met betrekking tot een afsplitsing van vermogen van de 403-maatschappij.
Zie § 9.4.1.
Zie art. 2:404 lid 3 sub b en c BW. Zie ook § 8.5.
Zie § 8.5.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is mogelijk dat bij een zuivere splitsing van de 403-maatschappij een deel van het vermogen onder algemene titel is overgegaan op een groepsmaatschappij en het overige deel op een rechtspersoon buiten de groep. Ik meen met Verbrugh en Van der Kraan dat de moedermaatschappij in een dergelijk geval het gedeelte van de overblijvende aansprakelijkheid kan beëindigen dat betrekking heeft op het vermogen van de verdwenen 403-maatschappij dat is overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon buiten de groep.1
Mijns inziens staat art. 2:404 lid 3 BW er niet aan in de weg dat de moedermaatschappij een deel van haar overblijvende aansprakelijkheid beëindigt, terwijl zij de rest ongemoeid laat. Op grond van deze bepaling heeft een moedermaatschappij de mogelijkheid om haar overblijvende aansprakelijkheid tegenover een schuldeiser te beëindigen. Het is dus niet vereist dat zij in een keer de overblijvende aansprakelijkheid ten aanzien van alle schuldeisers beëindigt.
Indien de moedermaatschappij in onderhavige situatie niet het gedeelte van haar overblijvende aansprakelijkheid zou kunnen beëindigen dat betrekking heeft op het deel van het vermogen van de verdwenen 403-maatschappij dat onder algemene titel is overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon buiten de groep, zou dit mijns inziens in strijd zijn met de bedoeling van deze regeling. De desbetreffende rechtspersoon behoort niet tot de groep van de moedermaatschappij, maar zijn handelingen kunnen wel nog tot aansprakelijkheid leiden voor de moedermaatschappij op grond van de ingetrokken 403-verklaring.2 Als de moedermaatschappij deze aansprakelijkheid niet zou kunnen beëindigen, brengt dat voor haar onnodige risico’s met zich.
Als een moedermaatschappij een gedeelte van haar overblijvende aansprakelijkheid wil beëindigen, moet uit de te deponeren mededeling van het voornemen hiertoe en de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt,3 duidelijk zijn op te maken ten aanzien van welke crediteuren de moedermaatschappij haar aansprakelijkheid wil beëindigen. Om aan te duiden voor welke schulden zij haar aansprakelijkheid wil beëindigen, kan de moedermaatschappij verwijzen naar de beschrijving bij het splitsingsvoorstel van de 403-maatschappij, waarin is opgenomen welke vermogensbestanddelen op iedere verkrijgende rechtspersoon zijn overgegaan.4 Indien een crediteur op basis van de informatie in de gedeponeerde mededeling en de aankondiging daarvan in een landelijk verspreid dagblad redelijkerwijs niet heeft kunnen opmaken dat zijn vordering op de moedermaatschappij zou komen te vervallen, is het beroep van de moedermaatschappij op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid tegenover deze crediteur naar mijn mening onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.5