De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.6:5.5.6 De te dekken som; eigen risico's
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.6
5.5.6 De te dekken som; eigen risico's
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394765:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook hier brengt de eerste volzin van art. 10 lid 1 van de Richtlijn mee dat de door het waarborgfonds te bieden dekking naar bedragen (minimaal) gelijk dient te zijn aan die welke onder de verzekeringspolis minimaal geboden dient te worden. Ook hier gaat het om de verzekerde som die op grond van de nationale wetgeving moet worden gedekt en niet om de (minimum) bedragen die de Richtlijn voorschrijft.
Art. 14 onder b) van de Richtlijn, dat de hoogste van twee dekkingen voorschrijft (die van de lidstaat van het ongeval, dan wel - indien deze hoger is - die van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald), speelt voor het waarborgfonds een beperkte rol. Het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval kan - als de aansprakelijkheid bij een bezoekend motorrijtuig ligt - niet rechtstreeks worden aangesproken als de aansprakelijke onverzekerd is. In die situatie kan de benadeelde het Bureau aanspreken. Evenmin kan het waarborgfonds van de lidstaat waar het onverzekerde aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald, door de benadeelde rechtstreeks worden aangesproken als het ongeval in een andere lidstaat plaatsvindt. Zie hiervoor, paragraaf 5.53.
Het waarborgfonds regelt de schade tot het beloop van de minimaal te verzekeren som in de lidstaat van zijn vestiging.
Wel kan het waarborgfonds onder omstandigheden in regres door een buitenlands schadevergoedingsorgaan voor een hoger bedrag worden aangesproken dan voortvloeit uit zijn eigen wetgeving.
Men denke aan het ongeval dat een onverzekerd Nederlands voertuig in België veroorzaakt waarbij een Duits slachtoffer zijn schade vordert bij het Duitse schadevergoedingsorgaan. De schade zal dan worden geregeld naar Belgisch recht, op basis van de uitkeringsvoorwaarden ter zake van het waarborgfonds in de Belgische Wam. Het Duitse schadevergoedingsorgaan zal deze schade vervolgens verhalen op het Waarborgfonds Motorverkeer, op grond van art. 25 lid 1, letter a) van de Richtlijn.1
Ook valt te denken aan de situatie waarin een op grond van art. 5 lid 2 van de Richtlijn van de verzekeringsplicht vrijgesteld voertuig een ongeval veroorzaakt in een andere lidstaat waar een hogere verzekerde som geldt. In dat geval kan het waarborgfonds van de lidstaat waar het vrijgestelde voertuig gewoonlijk is gestald in regres worden aangesproken door het regelende waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval.2
Anders dan een verzekeraar kan het waarborgfonds wel onder omstandigheden een eigen risico (in de terminologie van de Richtlijn: een franchise) in mindering brengen op de schade. In de eerste plaats kan dat het geval zijn bij de materiële schade die door niet-geïdentificeerde voertuigen is veroorzaakt, indien aan een slachtoffer bij hetzelfde ongeval een vergoeding is betaald wegens aanzienlijk lichamelijk letsel. In dat geval is een eigen risico van € 500 toegestaan (is van aanzienlijk letsel geen sprake dan kan de vergoeding van de materiële schade zelfs geheel worden uitgesloten). Zie art. 10 lid 3 van de Richtlijn.
Als het waarborgfonds moet optreden omdat de nationale wet de verzekeraar een uitsluiting toestaat in geval van schade door een gestolen of door geweldpleging verkregen motorrijtuig, kan de wetgever bepalen dat het waarborgfonds een eigen risico van € 250 in mindering brengt voor wat betreft materiële schade. Zie art. 13 lid 2, tweede alinea.