Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.6.2
4.6.2 Samenhang wegens andere omstandigheden dan de in artikel 6:52 lid 2 BW genoemde
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950277:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.7.3.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 209.
Hof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1464, r.o. 6.6.2.
Zie § 3.2.
Zie bijv. Hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3742, r.o. 3.3.1-3.3.2.
Kingma Boltjes 1959, p. 556 merkt op dat de gedachte achter de enac lijkt te zijn ‘het tegengaan van ongerechtvaardigde verrijking’. Zie ook Nieskens-Isphording & Van der Putt-Lauwers 1978, p. 892. Vgl. Thors 1934, p. 11-12 en 17 over de grondslag van het recht van terughouding of retentierecht. Zie Heyning-Plate 1969, p. 148-149, onderdeel c, die voor wat betreft de grondslag van het retentierecht weerspreekt dat ongerechtvaardigde verrijking het retentierecht zelf kan verklaren.
Hof ’s-Hertogenbosch 24 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1754. Zie ook § 4.6.3, onderdeel k.
Rb. Gelderland 2 februari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:569, r.o. 4.14
Rb. Noord-Holland 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9542, r.o. 4.13.
Zie ook § 2.7.1.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 214. Zie ook § 4.6.3, onderdeel a.
Zie ook § 4.6.3, onderdeel a, voor het spiegelbeeldige geval waarin niet aan het samenhangcriterium is voldaan.
Vgl. bijv. Rb. Noord-Holland 10 november 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9901, r.o. 6.5, waarin de rechtbank oordeelde dat de wederpartij van de partij die bij wijze van retentierecht onbevoegd een kraan onder zich had genomen wel bevoegd was de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat de kraan was teruggebracht. Zie ook § 3.8.
Met uitzondering van het in onderdeel g behandelde voorbeeld.
Het in § 3.3.3 behandelde voorbeeld over de robotmaaier kan ook een voorbeeld zijn van verplichtingen over en weer die voortvloeien uit de wet, zij het dat de eis tot afgifte in dat voorbeeld niet een verbintenis is. Evenals in het in § 4.6.2, onderdeel b, behandelde geval, kan art. 6:52 BW wel overeenkomstig van toepassing zijn.
Ook wanneer de verbintenissen over en weer niet voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, kan daartussen voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen (‘kan onder meer’ (art. 6:52 lid 2 BW)).1 Dat betreft bijvoorbeeld het in de parlementaire geschiedenis genoemde geval waarin een partij haar verplichting tot afgifte van een zaak opschort in verband met haar vordering tot vergoeding van door die zaak veroorzaakte schade.2 Hierna volgt ter illustratie en bij wijze van opsomming een aantal voorbeelden die ik aan de gepubliceerde rechtspraak sinds overwegend 2017 heb ontleend. Bij de meeste gevallen geef ik beknopt de wederzijdse verbintenissen en hun grondslag weer. Bij een enkel geval plaats ik een aanvullende opmerking.
a. Een projectontwikkelaar heeft een aannemer opdracht gegeven tot realisatie van een hotelcomplex. Het complex bestaat uit appartementen, suites, een souterrain en andere algemene ruimten, die ten dienste staan van het functioneren van het complex als geheel. Door vertegenwoordiging van de aannemer door de projectontwikkelaar zijn tussen de aannemer enerzijds en afnemers van appartementen en suites anderzijds afzonderlijke aannemingsovereenkomsten tot stand gekomen. De afnemers betaalden in termijnen aan de projectontwikkelaar, waarna de projectontwikkelaar het aan de aannemer toekomende deel van de termijnbetalingen aan hem betaalde. De projectontwikkelaar schortte de nakoming van deze ‘doorbetalingsverplichting’ op in verband met vorderingen op de aannemer in verband met verbeurde boetes, schadevergoeding en niet-verrekend minderwerk. Het hof honoreerde dat opschortingsverweer, omdat naar zijn oordeel ‘een nauw verband [bestaat] tussen de prestaties van [de aannemer] tot realisering van enerzijds het souterrain en de hotelsuites en daarbij behorende algemene ruimten anderzijds. (…) Dat bij de aannemingsovereenkomst ten aanzien van het souterrain [de projectontwikkelaar] de opdrachtgever van [de aannemer] was en wat betreft de suites de afnemers opdrachtgever waren doet niet af aan deze nauwe samenhang’.3
Dit geval dient niet te worden opgevat als een voorbeeld van een geval waarin de partijen bij de verbintenissen over en weer niet elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn.4 De projectontwikkelaar schortte een eigen ‘doorbetalingsverplichting’ jegens de aannemer op, teneinde hem te dwingen tot realisatie van onderdelen van het hotelcomplex waarvan de projectontwikkelaar niet de opdrachtgever was, maar bij de realisatie waarvan hij in verband met zijn vorderingen tot realisatie van het souterrain wel belang had, in het licht van het hotelcomplex als geheel.
b. Voldoende samenhang tussen een verplichting tot afgifte van een door een eigenaar opgeëiste zaak en een vordering tot vergoeding van aan die zaak verrichte werkzaamheden op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) is niet uitgesloten.5 In de literatuur is wel verdedigd dat de enac en het retentierecht hun grondslag vinden in ongerechtvaardigde verrijking van de eigenaar.6
c. De schuldenaar kan zijn uit een geldleningsovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van rente mogen opschorten in verband met een vordering tot betaling van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad, als deze verbintenissen over en weer betrekking hebben op hetzelfde project.7
d. Tussen een verbintenis tot terugbetaling van een lening en een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen in verband met het verstrekken van die lening kan voldoende samenhang bestaan om opschorting van de terugbetaling te rechtvaardigen.8
e. Een uitkeringsgerechtigde vordert uitkering van een levensverzekering van Srlev. Srlev heeft op grond van de Wwft identificatie- en verificatieverplichtingen met betrekking tot de identiteit van de uitkeringsgerechtigde. De uitkeringsgerechtigde dient Srlev tot identificatie en verificatie in staat te stellen en heeft dat niet gedaan. In verband daarmee kan Srlev bevoegd zijn de uitkering op te schorten totdat zij heeft kunnen voldoen aan deze verplichtingen uit de Wwft.9 Onduidelijk is of op de uitkeringsgerechtigde op grond van de Wwft een verplichting rust tot medewerking aan de identificatie- en verificatieverplichtingen van de verzekeraar. Zonder een dergelijke plicht ontbeert het Srlev aan een vordering op de uitkeringsgerechtigde, zodat zij niet opschortingsbevoegd zou zijn en de uitkeringsgerechtigde niet op grond van artikel 6:59 BW in schuldeisersverzuim verkeert. Veeleer verkeert de uitkeringsgerechtigde in dat geval op grond van artikel 6:58 BW in schuldeisersverzuim.10
f. Tussen verbintenissen tot vergoeding van opzettelijk toegebrachte schade over en weer kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen, bijvoorbeeld in het geval van ‘over en weer van elkaar afgepakte zaken als gevolg van een burenruzie of bij de beëindiging van de persoonlijke relatie tussen twee personen die hebben samengewoond’.11
g. Tussen een verbintenis enerzijds en een vordering tot betaling van opzettelijk toegebrachte schade anderzijds kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen.12 De schuldenaar kan zelfs opschortingsbevoegd zijn als de nakoming eerder bij hem haperde dan dat de schade opzettelijk werd toegebracht.13
Tussen verbintenissen over en weer die hun oorsprong hebben in een verschillende juridische grondslag en die niet voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen. De in deze paragraaf behandelde voorbeelden laten zien dat aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan als de verbintenissen over en weer betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.14 Ongeacht of de verbintenissen over en weer zijn ontstaan uit een overeenkomst of uit de wet of de ene verbintenis is ontstaan uit een overeenkomst en de andere verbintenis is ontstaan uit de wet.15 De in deze paragraaf behandelde rechtspraak vormt daarvan een illustratie.