Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.6.3
4.6.3 Omstandigheden waaronder niet aan het samenhangcriterium is voldaan
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950366:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8757, r.o. 6.32.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 211.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 214. Aldaar is daarentegen ook opgemerkt dat ten aanzien van verbintenissen tot vergoeding van over en weer opzettelijk toegebrachte schade wel aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan (zie ook § 4.6.2, onderdeel f). Tevens is aldaar toegelicht dat de bedoelde uitzondering wel is gehandhaafd in art. 6:135 aanhef en onder b BW, omdat voor een verrekeningsverweer geen samenhang tussen de wederzijdse verbintenissen is vereist.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/62 en Vranken 1983, p. 31.
Dat neemt niet weg dat ik ook denk dat wanneer tussen verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, de verwijtbaarheid van de gedraging er niettemin toe kan leiden dat de opschorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/62 en Vranken 1983, p. 31).
Hof Amsterdam 21 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4044, r.o. 3.11; Rb. Arnhem 3 maart 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AP1311, r.o. 12 en Rb. Roermond 14 juni 2001, ECLI:NL:RBROE:2001:AB2055, r.o. 5. Zie over de opschorting van publiekrechtelijke verplichtingen jegens de overheid ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/59.
Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2023, ECLI:GHARL:2023:5816, r.o. 5.17.
Zie § 4.2.2 en § 4.6.2.
Zie § 3.4.1.
Rb. Zeeland-West-Brabant 19 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5120, r.o. 4.4.
Rb. Midden-Nederland 7 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5085, r.o. 3.3. Vgl. het in § 4.3.2 onder f behandelde voorbeeld.
Rb. Rotterdam 15 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2976, r.o. 5.4.
Rb. Rotterdam 24 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:11481, r.o. 4.3. Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 3 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1416, r.o. 3.9.3 (“De verplichtingen waar de man een beroep [op] doet (meewerken aan levering woning versus meewerken aan omgangsregeling) zijn geen tegenover elkaar staande verplichtingen en vertonen bovendien onvoldoende samenhang om een beroep op een opschortingsrecht te kunnen rechtvaardigen.”). Deze voorbeelden kwamen ook aan de orde in § 4.2.2. Vgl. voorts Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2023:5816, r.o. 5.17.
Rb. Noord-Holland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9956, r.o. 5.2.
Zie ook Rb. Den Haag 11 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:9369, r.o. 4.15 en 4.18.
Rb. Oost-Brabant (vzr.) 15 mei 2019, ECLI:NLRBOBR:2019:2870, r.o. 4.2.
Rb. Rotterdam 2 augustus 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5958, r.o. 3.2.2. Zie ook § 4.6.2, onderdeel c.
Rb. Noord-Holland (vzr.) 2 mei 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7110, r.o. 5.6.
Rb. ’s-Gravenhage 22 november 2010 ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4625, r.o. 3.14. Dit kan anders zijn in het geval waarin de schade over en weer opzettelijk is toegebracht (zie § 4.6.2, onderdeel f).
Uit de parlementaire geschiedenis en de gepubliceerde rechtspraak zijn voorbeelden van gevallen bekend waarin niet aan het samenhangcriterium is voldaan.1 Hierna volgt ter illustratie en bij wijze van opsomming een aantal voorbeelden dat ik aan die wetsgeschiedenis en de gepubliceerde rechtspraak sinds overwegend 2017 heb ontleend. Bij de meeste gevallen geef ik beknopt de wederzijdse verbintenissen en hun grondslag weer.
a. Tussen een verbintenis van de schuldenaar tot betaling van opzettelijk door hem aan zijn wederpartij toegebrachte schade en enige vordering die hij mogelijk al op zijn wederpartij had, bestaat niet voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen. De wederpartij handelt niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid door nakoming te verlangen van de vergoeding van opzettelijk toegebrachte schade, zonder nakoming aan te bieden van haar verbintenis jegens haar schuldenaar.
In het ontwerp-Meijers was in onderdeel d van het huidige artikel 6:54 BW opgenomen dat een schuldenaar niet bevoegd is tot opschorting indien zijn verplichting strekt tot vergoeding van schade die hij opzettelijk heeft toegebracht.2 Deze uitzondering is in het gewijzigde ontwerp van dat artikel, tevens het huidige artikel 6:54 BW, niet teruggekomen, omdat het redelijkerwijs niet denkbaar werd geacht ‘dat de aansprakelijkheid van degene die opzettelijk een zaak van zijn wederpartij heeft beschadigd, ooit een verbintenis zal opleveren die voldoende samenhang vertoont met enige vordering die hij wellicht reeds op de wederpartij had, om opschorting van de nakoming van die verbintenis te rechtvaardigen’.3 Daar is mijns inziens het nodige voor te zeggen. Zou dit anders zijn, dan zou de schuldenaar een opschortingsbevoegdheid kunnen creëren door zijn wederpartij opzettelijk schade toe te brengen.
Op deze gedachtegang in de wetsgeschiedenis bestaat kritiek, omdat samenhangende verbintenissen hun samenhang niet verliezen doordat zij zijn ontstaan door een opzettelijke ongeoorloofde gedraging.4 Ik denk dat deze kritiek het uitgangspunt in de parlementaire geschiedenis niet goed volgt waar wordt opgemerkt dat de samenhangende verbintenissen hun samenhang verliezen. In het genoemde geval bestaat nu juist geen samenhang tussen de verbintenissen over en weer.5
b. Ten aanzien van verbintenissen over en weer op respectievelijk civielrechtelijke en bestuursrechtelijke gronden, is in een aantal gevallen geoordeeld dat daartussen geen samenhang bestaat als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW.6
c. Naar het oordeel van het hof ‘[bestaat i]n beginsel (…) onvoldoende samenhang tussen een verplichting tot afgifte van zaken ter uitvoering van een verdeling [van een ontbonden huwelijksgemeenschap] en een geldvordering om een retentierecht te aanvaarden. Voor zover de geldvordering samenhangt met de afgifte van de zaken, ontstaat die vordering ook pas als uitvoering wordt gegeven aan de afgifte’.7 De gepretendeerde geldvordering bestond uit een overbedelingsvergoeding en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Het onrechtmatig handelen bestond eruit dat de man de voormalige echtelijke woning tegen een te lage prijs zou hebben verkocht. Deze schadevergoedingsvordering heeft niet zonder meer betrekking op de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Dat geldt mijns inziens echter niet voor de overbedelingsvordering. Tussen een verplichting tot afgifte van zaken ter uitvoering van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en een overbedelingsvordering die, nota bene, naar het oordeel van het hof ontstaat na afgifte van de zaken, bestaat mijns inziens in beginsel wel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen, omdat deze hun oorsprong hebben in dezelfde oorzaak, dan wel betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.8 Evenwel ontbrak het de vrouw naar het oordeel van het hof ten tijde van het opschortingsverweer aan deze overbedelingsvordering, zodat zij reeds om die reden geen opschortingsrecht had.9
d. Tussen een vordering tot overhandiging van een nota die voortvloeit uit een polis die per 4 november 2010 door de verzekeraar is beëindigd en een vordering van deze verzekeraar die voortvloeit uit de zorgverzekeringsovereenkomst die in juli 2020 is gesloten, ontbreekt voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is laatstgenoemde ‘een andere rechtsverhouding’.10
e. Tussen de verbintenis tot betaling van de factuur voor de plaatsing van een schutting uit hoofde van een aannemingsovereenkomst en de vordering tot het afhalen van de schuttingplanken en het, nadat deze geverfd zijn, terugplaatsen van die planken uit hoofde van een nadere afspraak tussen partijen, bestaat mogelijk geen samenhang: “De nieuwe afspraak heeft weliswaar met dezelfde schutting te maken, maar daarmee is de samenhang niet gegeven. Het gaat immers om twee aparte overeenkomsten.”11
f. Tussen een verbintenis tot terugbetaling van een lening en een vordering tot teruggave van huissleutels bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen samenhang als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW.12
g. Tussen een verbintenis uit een echtscheidingsconvenant en een verbintenis op grond van een ouderschapsplan bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.13
h. Een verbintenis tot het betalen van de kosten voor een grafsteen ‘heeft juridisch gezien niets te maken met’ een vordering tot het afgeven van erfstukken en overdragen van grafrechten.14
i. Tussen een verbintenis tot betaling en het nakomen van een prestatie uit hoofde van dezelfde overeenkomst kan op zichzelf voldoende samenhang bestaan om opschorting van de betalingsverplichting te rechtvaardigen, maar als het verlangen van betaling van openstaande facturen zonder nakoming van deze prestatie aan te bieden niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid vanwege het geringe gebrek in de prestatie en de late klacht over dit gebrek, ontbeert het de schuldenaar aan een opschortingsbevoegdheid.15
j. Ambulance NL heeft een in een proces-verbaal vastgelegde vaststellingsovereenkomst met executoriale titel ten uitvoer gelegd door voertuigen van eisers in gerechtelijke bewaring te geven. Na opheffing van de executoriale beslagen pretendeerde Ambulance NL een retentierecht te hebben op de zaken. De voorzieningenrechter oordeelde dat in dit geval geen samenhang bestaat tussen de verplichting tot afgifte van de in beslag genomen zaken en de eventuele vorderingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst.16
k. Tussen enerzijds een verbintenis uit hoofde van een overeenkomst en anderzijds een vordering tot betaling van schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad jegens de schuldenaar, alsook vorderingen tot betaling van schadevergoeding aan derden uit hoofde van onrechtmatige daad die aan deze schuldenaar zijn gecedeerd, welk onrechtmatig handelen niet samenhangt met de overeenkomst, bestaat naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende samenhang om opschorting van de verbintenis te rechtvaardigen.17
l. Een verhuurder van een paardenstal schortte de verplichting tot afgifte van eigendommen aan zijn huurder op in verband met zijn vorderingen op zijn huurder tot betaling van huur en diverse kosten en tot afgifte van de sleutel van de toegangspoort. De voorzieningenrechter oordeelde dat tussen deze verbintenissen over en weer onvoldoende samenhang bestaat.18
m. Voor zover de verbintenissen over en weer zijn ‘gebaseerd op afzonderlijke onrechtmatige daden’, vloeien zij naar het oordeel van de rechtbank niet voort uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen ‘eerder’ met elkaar hebben gedaan, zodat niet aan het samenhangcriterium is voldaan.19
In deze paragraaf is een aantal overige omstandigheden aan de orde gekomen waaronder niet aan het samenhangcriterium is of kan zijn voldaan. Veelal hebben in die gevallen de verbintenissen over en weer hun oorsprong in een verschillende juridische grondslag, vloeien zij niet voort uit dezelfde rechtsverhouding of zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan en hebben zij geen betrekking op hetzelfde onderwerp. De in deze paragraaf behandelde rechtspraak vormt daarvan een illustratie.