Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.10
2.10 Overgangsrecht
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859194:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26822, nr. 3, p. 3 (MvT).
Vgl. ook Kremer, in: GS Erfrecht, art. 4:3 BW, aant. 9 (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023) en Van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 43. Anders en mijns inziens ten onrechte oordeelt de Rb. Utrecht 10 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5787 dat op grond van art. 68a Overgangswet NBW art. 4:3 BW van toepassing is op een in 2001 opengevallen nalatenschap.
Kamerstukken II 1999/00, 26822, nr. 3, p. 3 (MvT).
Kamerstukken II 1999/00, 26822, nr. 3, p. 3 (MvT). Zie ook Kremer, in: GS Erfrecht, art. 4:3 BW, aant. 9 (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023) en Van Mourik 2020, in: Handboek Erfrecht, p. 43.
Blokland 2006, p. 24.
Rb. Rotterdam 14 december 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:BC8872 (niet gepubliceerd, kenbaar uit: RN 2006/10). Zie over deze uitspraak ook RFR 2006/23, EstateTip 2006/13 en Hof Den Haag 14 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1939. Zie hierover ook De Vries, TE 2018/02 p. 40.
Artikel 4:3 BW is in werking getreden per 1 januari 2003. Nalatenschappen die na deze datum zijn opengevallen, zijn op grond van artikel 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek onderhevig aan deze bepaling. Ongeacht of de gedraging die tot onwaardigheid leidt voor of na de inwerkingtreding van deze bepaling heeft plaatsgevonden.1
Met betrekking tot gedragingen die voor 2003 hebben plaatsgevonden en onder het oude erfrecht geen onwaardigheid meebrachten, maar onder het nieuwe erfrecht wel als zodanig worden gesanctioneerd, meldt de memorie van toelichting het volgende:
‘Van de inwerkingtreding van Boek 4 af wordt degene die aan de nieuwe onwaardigheidsgrond van lid 1 onder b voldoet onwaardig, ook al zijn de desbetreffende feiten voordien geschied. Hetzelfde geldt voor zover, zoals hierboven aangegeven, uitbreiding is gegeven aan in het geldende recht reeds voorkomende onwaardigheidsgronden. Is echter ook de nalatenschap vóór inwerkingtreding van de wet opengevallen en is men op grond van het oude recht erfgenaam of legataris geworden, dan brengt artikel 4.1.3 daarin geen verandering meer: zie artikel 69 Ow.’2
Het peilmoment is derhalve het overlijden van de erflater. Valt dat op of na 1 januari 2003 dan is artikel 4:3 BW van toepassing. Ongeacht wanneer de misdraging heeft plaatsgevonden en ongeacht of de misdraging op het tijdstip waarop het plaatsvond met onwaardigheid werd bedreigd. Is de erflater overleden voor 1 januari 2003 dan wordt de nalatenschap beheerst door de artikelen 885 en 959 OBW.3 Indien in dat geval dus sprake is van een gedraging die onder het oude recht niet leidt tot onwaardigheid, terwijl dat onder de vigeur van artikel 4:3 BW wel het geval zou zijn, dan volgt uit artikel 69 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek dat de nieuwe wet niet alsnog de weg blokkeert om als erfrechtelijke verkrijger op te komen. Hetzelfde geldt voor degene die door een verwerpende erfgenaam na de inwerkingtreding van artikel 4:3 BW met terugwerkende kracht erfgenaam wordt in een voor 1 januari 2003 opengevallen nalatenschap.4 Dergelijke nalatenschappen komen met het verstrijken van de tijd minder en minder voor.
Voor vergeving geldt eenzelfde redenering. De onwaardigheid vervalt ook als de vergevingshandeling voor 1 januari 2003 heeft plaatsgevonden.5 Volgens Blokland is een complicerende factor bij vergeving als het handelen dat tot onwaardigheid aanleiding gaf voor 2003 plaatsvond, omdat de erflater zich in dergelijke gevallen hoogstwaarschijnlijk niet realiseert dat het later mogelijk is geworden om de onwaardigheid op te heffen. Het handelen van de erflater dient dan wellicht anders te worden geïnterpreteerd, aldus Blokland.6 De rechtspraak wijst echter niet in de richting van een strengere dan wel andersoortige toets.7