Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/7.2.1.1
7.2.1.1 Procedurele en materiële verschillen
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583377:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Beroep in cassatie is met name mogelijk ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepaalde begrippen, waaronder ‘werknemer’, zie art. 129d WW, art. 75m ZW, art. 116 WIA en art. 87f WAO. Door beroep in cassatie mogelijk te maken wordt bewerkstelligd dat bepaalde begrippen, waaronder het begrip ‘werknemer’, in het civiele recht en in het bestuursrecht op uniforme wijze worden uitgelegd en toegepast. Zie tevens Tak 2011, p. 2107 – 2108.
Een en ander is het gevolg van de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) op 1 januari 2006. Sindsdien geldt dat de premies werknemersverzekeringen worden geheven onder toepassing van de regels die gelden voor de heffing van de loonbelasting (art. 58 en 59 Wfsv), zie tevens Vakstudie Algemeen Deel, art. 26 Awr, aant. 1.6.3.
Zie uitvoerig over de procesrechtelijke aspecten: Langereis, De Roos & Lambregts 2015.p. 69, p. 75, p. 145 e.v., p. 263 e.v.
HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, tevens JAR 2011/109 m.nt. C.J. Loonstra (Gouden Kooi), NJ 2011, 594 m.nt. E. Verhulp, TRA 2011/63 m.nt. L. van den Berg en RSV 2011/166 m.nt. L. van den Berg.
Rb. Zwolle 3 oktober 2008, ECLI:NL:RBZLY:2008:BF5333.
CRvB 25 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1502.
Zie in gelijke zin: HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5408, waar in een fiscaalrechtelijk geschil ten aanzien van een andere deelnemer van de Gouden Kooi (‘Terror Jaap’) eveneens een dienstbetrekking werd aangenomen.
Conclusie A-G Van Ballegooijen 25 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP3887, 9.9.
HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, tevens NJ 2011, 594 m.nt. Verhulp, JAR 2011/109 m.nt. Loonstra, TRA 2011/63 m.nt. L. van den Berg en RSV 2011/166 m.nt. L. van den Berg (Gouden Kooi), r.o. 3.3.2 en r.o. 3.3.3. De Hoge Raad verwees in deze rechtsoverweging overigens niet naar de kwalificatieformule uit Groen/Schoevers, maar naar Thuiszorg Rotterdam/PGGM. Mogelijk koos de Hoge Raad voor een verwijzing naar Thuiszorg Rotterdam/PGGM omdat in dat arrest uitdrukkelijk is overwogen dat de holistische benadering ook van toepassing is wanneer door een derde wordt betoogd dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, zie: HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231 (Thuiszorg Rotterdam/PGGM), zie over dit arrest O. van der Kind, ‘De partijbedoeling en de lachende derde’, SR 2007, 70.
HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926, r.o. 3.4.4 (Notarissen).
Zie ten aanzien van het socialezekerheidsrecht onder meer: Van der Wiel-Rammeloo 2008, p. 169-170; Bouwens e.a. 2021, par. 7.2.1. Zie hierover in dezelfde zin: De Jong, TAP 2010/6, p. 239 en Loonstra 2011, p. 90; Klosse & Vonk 2020, p. 73. Klosse en Vonk opperen dat de betekenis van het verschil in benadering tussen beide rechtscolleges niet overdreven mag worden: het is immers niet zo dat de civiele rechter de feitelijke vormgeving van de arbeidsrelatie negeert en evenmin geldt dat de CRvB geen acht slaat op de bedoeling van de partijen. Klosse en Vonk spreken in dit verband van ‘een soort omdraaiing van hoofdregel en bijzaak, zoals bij ‘ja, mits’ en ‘nee, tenzij’.’ Zie verder: Van den Berg 2010, p. 4 en p. 97-101; C.J. Loonstra en W.A. Zondag, Begripsvorming in het civiele arbeidsrecht en socialeverzekeringsrecht, in Herwijer 2006; De Jong, TAP 2010/6. Inmiddels wordt in de literatuur ook wel geopperd dat de tweesplitsing voor wat betreft de civielrechtelijke en de socialezekerheidsrechtelijke toetsing tot het verleden behoort, met name nu sinds 2006 ook in (bepaalde) socialezekerheidsrechtelijke zaken cassatieberoep mogelijk is. Zie ten aanzien van het fiscaal recht onder meer: Van der Wiel-Rammeloo 2008, p. 110-113; Van den Berg 2010, p. 128; Klosse & Vonk 2020, p. 73 e.v. Zie anders: Van Westen, TFO 2009.
Zie wederom Klosse & Vonk 2020, p. 73. Van der Wiel-Rammeloo voert in dit verband voorts het argument aan dat de werknemer als zwakkere partij dient te worden beschermd tegen de opdrachtgever die in verband met de fiscale (en dus financiële) consequenties daarvan, liever geen arbeidsovereenkomst sluit, zie Van der Wiel-Rammeloo 2008, p. 112-113.
Van den Berg 2007, p. 45.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231, (Thuiszorg Rotterdam/PGGM), NJ 2007, 449 m.nt. E. Verhulp.
Overigens zij opgemerkt dat het voorgaande niet enkel opgaat in socialezekerheids- en fiscaalrechtelijke context: kwalificatiegeschillen waar een derde bij betrokken is kunnen immers ook in arbeidsrechtelijke context kunnen voorkomen. Thuiszorg Rotterdam/PGGM betrof immers een geschil tussen een (vermeend) werkgever en een pensioenfonds. Zie hierover kritisch: A-G De Bock in haar conclusie bij X/Gemeente Amsterdam, ECLI:NL:PHR:2020:698, onder 5.57.
Overigens zij opgemerkt dat dit in zekere zin ook opgaat voor de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven: ook die informatie zal in de hier bedoelde procedures slechts van één contractspartij afkomstig kunnen zijn. Daarbij is wel voorstelbaar dat die informatie objectiever vast te stellen is dan de bedoeling die (beide) partijen bij aanvang van de samenwerking hebben gehad.
Volgens Verhulp komt in de hier bedoelde gevallen overigens wel degelijk betekenis toe aan de partijbedoeling, nu de partijbedoeling mede wordt bepaald door de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven. Zie: HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231, (Thuiszorg Rotterdam/PGGM), NJ 2007, 449 m.nt. E. Verhulp.
Zie hierover onder meer: Van der Wiel-Rammeloo 2008; Van Haaren, Rietveld & Verhulp 2019.
Overigens betoogt Boot dat de Hoge Raad dient terug te komen op het Gouden Kooi-arrest. Volgens hem is een ‘alle omstandigheden van het geval’-benadering met name in het socialezekerheidsrecht onwerkbaar. Gezien de grote belangen (voor werkenden) die daar spelen, is het (vooral daar) van belang dat er een duidelijk toetsingskader tot stand komt, aldus Boot. Zie: Boot, TRA 2021/77, p. 21.
De beantwoording van de vraag of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is in socialezekerheidsrechtelijke kwesties in eerste instantie aan het UWV. Na de bezwaarfase is beroep mogelijk bij de bestuursrechter, en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Vervolgens is het – in een beperkt aantal gevallen1 – sinds 2006 tevens mogelijk cassatieberoep in te stellen bij de fiscale kamer van de Hoge Raad.2 In het fiscaal recht is het in eerste instantie aan de Belastingdienst om een oordeel te vellen over de kwalificatie van de arbeidsrelatie, waarna – wederom na het doorlopen van de bezwaarprocedure – beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Partijen kunnen vervolgens in hoger beroep bij de fiscale kamer van het hof, en in cassatie bij de fiscale kamer van de Hoge Raad.3
Bij de beantwoording van de kwalificatievraag in het socialezekerheidsrecht en het fiscaal recht komt de civiele rechter dus niet in beeld. Een en ander heeft ertoe geleid dat de toetsingswijze in het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht langere tijd niet geheel gelijk liep met de arbeidsrechtelijke toetsingswijze. Met het Gouden Kooi-arrest uit 2011 kwam hier verandering in.4 Het ging in die zaak om de vraag of tussen een deelneemster van het televisieprogramma ‘De Gouden Kooi’ en producent Talpa een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Anders dan het UWV, meende de deelneemster dat dit het geval was en dat zij – nadat zij uit het spelprogramma was weggestemd – uit dien hoofde aanspraak zou maken op een WW-uitkering. In de procedure die de deelneemster vervolgens aanhangig maakte werd zij zowel door de rechtbank5 als de Centrale Raad van Beroep6 in het gelijk gesteld.7 In cassatie klaagde het UWV onder meer dat de Centrale Raad van Beroep zou hebben miskend dat partijen nimmer hadden beoogd een arbeidsovereenkomst tot stand te brengen. Hoewel A-G Van Ballegooijen tot verwerping van het cassatiemiddel concludeerde, toonde hij zich in zijn conclusie kritisch over de wijze waarop de fiscale kamer van de Hoge Raad eerder met de beantwoording van de kwalificatievraag omsprong:
‘Wat opvalt in de fiscale jurisprudentie van de Hoge Raad en de Gerechtshoven alsmede in de jurisprudentie van de Centrale Raad is dat deze rechterlijke instanties consequent voorbij (lijken te) gaan aan de woorden van de Eerste Kamer van de Hoge Raad, die hij sinds het arrest Groen/Schoevers constant gebruikt (…). Doordat de fiscale en socialeverzekerings-rechter deze overweging niet letterlijk gebruiken, lijkt het of zij geen kennis dragen van de jurisprudentie van de Eerste Kamer. Door deze negatie wordt zelfs de indruk gewekt dat alleen de civiele rechter de klemtoon legt op het consensuele karakter van de arbeidsovereenkomst.’8
Hoewel de Hoge Raad het cassatieberoep in lijn met de conclusie van de A-G verwierp, is de kritiek van de A-G niet aan de Hoge Raad voorbij gegaan. De Hoge Raad maakte in het Gouden Kooi-arrestduidelijk dat bij de beantwoording van de kwalificatievraag acht moet worden geslagen:
‘op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (vgl. onder meer HR 13 juli 2007, nr. C05/331, LJN BA6231, NJ 2007/449).’9
In het B-notarissen-arrest uit 2012 overwoog de Hoge Raad voorts dat bij de beantwoording van de kwalificatievraag eveneens betekenis kan toekomen aan de maatschappelijke positie van de werkende.10
Hoewel met het Gouden Kooi-arrest vaststond dat de arbeidsrechtelijke toetsingswijze ook in het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht leidend is, werd in de literatuur niettemin geopperd dat de beantwoording van de kwalificatievraag in de hier besproken rechtsgebieden niet volledig in gelijke pas liep met het arbeidsrecht. Met name zou bij de beantwoording van de kwalificatievraag in de hier besproken context een meer ‘formele’ benadering worden gehanteerd, waarbij de focus meer op de feitelijke situatie ligt en minder op de bedoeling van partijen.11 Wanneer de partijbedoeling (te zeer) voorop zou staan, dan zouden partijen de toepasselijkheid van publiekrechtelijke regelingen in feite zelf in de hand hebben, hetgeen onwenselijk werd bevonden.12 Dit standpunt komt in de literatuur ook in meer algemene zin terug. Zo merkt Van den Berg in haar annotatie bij Thuiszorg Rotterdam/PGGM op:
‘De gedachte dat wezen voor schijn behoort te gaan, geldt mijns inziens zeker indien met de kwalificatie van de overeenkomst boven het individu uitstijgende (solidariteits)belangen zijn gemoeid.’13
Ook Verhulp gaat in zijn annotatie bij Thuiszorg Rotterdam/PGGM in op de hier bedoelde ‘derdenwerking’, waarbij hij vooropstelt dat:
‘veel rechten en verplichten, ook met ‘derdenwerking’, aan de arbeidsovereenkomst zijn opgehangen en het partijen bij de arbeidsovereenkomst niet vrij behoort te staan zich aan die rechten en verplichtingen te onttrekken of deze te beïnvloeden.’14
In feite komt het (ook hier) neer op het adagium ‘wezen gaat voor schijn’: dit gaat immers niet alleen op in arbeidsrechtelijk verband, maar ook – en misschien zelfs te meer – in publiekrechtelijke context.
Een andere mogelijke (deel)verklaring voor de hier bedoelde ‘formele’ benadering is dat kwalificatiegeschillen zich in publiekrechtelijke context niet voordoen tussen contractspartijen, maar tussen één van die contractspartijen en een derde: het UWV of de Belastingdienst.15 Dit betekent dat stellingen die in de procedure worden gebracht ten aanzien van de partijbedoeling, slechts van één contractspartij afkomstig kunnen zijn.16 Daarbij is het goed mogelijk dat uit de stukken valt af te leiden dat beide partijen beoogden een opdrachtovereenkomst te sluiten, terwijl uit de feitelijke situatie blijkt dat de daadwerkelijke partijbedoeling niet op het sluiten van een opdrachtovereenkomst gericht was (of andersom). Dat in dat scenario minder betekenis aan de (door partijen gestelde) partijbedoeling toekomt, is vanuit dat licht bezien niet onbegrijpelijk.17 De hiervoor genoemde (nuance)verschillen daargelaten, wordt in de literatuur overigens wel aangenomen dat de beantwoording van de kwalificatievraag in het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht gaandeweg goeddeels gelijk is gaan lopen aan de beantwoording van die vraag in het arbeidsrecht.18
Met het arrest X/Gemeente Amsterdam lijkt het ‘gat’ tussen de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke benadering te zijn gedicht. In dit arrest overwoog de Hoge Raad immers dat de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling niet ter zake doet bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Van belang is enkel of de overeenkomst voldoet aan de eisen van artikel 7:610 BW. Deze feitelijke benadering sluit aan bij de wijze waarop in publiekrechtelijke context met artikel 7:610 werd (en wordt) omgesprongen.19