Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.2.5
8.3.2.5 Een zachte dood van de discussie over het registerpandrecht
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS418323:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van Oven 1950.
Zijn mede-preadviseur De Lange sprak zich echter uit tegen het registerpandrecht. In de eerste plaats vreesde hij administratieve rompslomp van registratie. De Lange 1936, p. 207. Hij was er verder van overtuigd dat de praktijk de behoefte had om aan de vestiging van een zekerheidsrecht ‘recht zoo weinig mogelijk ruchtbaarheid te geven’. De Lange 1936, p. 210. Hij was minder sterk gekant tegen een registerpandrecht op ‘daarvoor in aanmerking komende goederen of algemeenheden van goederen.’ Zie: De Lange 1936, p. 207 en 216.
Veenhoven 1955, p. 11.
Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Jaarboek I (1947), p. 161.
Zie: §9.3.3.2.
Nadat de Hoge Raad de twee arresten had gewezen, werd geen discussie meer gevoerd over de invoering van een registerpandrecht. Kennelijk kon de praktijk voldoende uit de voeten met zekerheidseigendom.1 Alleen Meijers sprak zich in 1936 nog uit voor het registerpandrecht.2 Meijers’ bezwaren hebben aanvankelijk de Regering er toe bewogen om een wetsontwerp in te dienen dat het vereiste stelde dat een levering constituto possessorio slechts bij authentieke akte kon geschieden, maar dit ontwerp is uiteindelijk weer ingetrokken.3 Ook bleek bij de eerste vergadering van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland in 1947 dat er in Nederland om dezelfde reden geen behoefte bestond aan een registerpandrecht op de onderneming als zodanig zoals in België.4 Nadat Meijers de opdracht had gekregen om een nieuw Burgerlijk Wetboek op te stellen, bepleitte hij wederom de invoering van een registerpandrecht.5 In het volgende hoofdstuk analyseer ik de discussie over de wenselijkheid van zekerheidseigendom en het registerpandrecht. In het vervolg van het onderhavige hoofdstuk leg ik de nadruk op de werking van zekerheidseigendom en de mogelijkheid om een zekerheidsoverdracht met een generaal karakter te bewerkstelligen.