Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.4:2.5.2.4 Rechtspraak
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.4
2.5.2.4 Rechtspraak
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859195:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Bosch 19 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2650.
Bij de rechtbankprocedure komt onwaardigheid niet aan de orde. Na een eiswijziging in hoger beroep komt onwaardigheid in dit stadium wel ter sprake. Tegen de uitspraak van het Hof Den Bosch is tevergeefs cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft de klachten verworpen met een beroep op art. 81 lid 1 Wet RO, HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:143.
Zie hierover par. 2.5.2.2.3.
Zie daarover par. 2.5.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 19 juni 2018 heeft het Hof Den Bosch uitspraak gedaan in een zaak over een gelovige erflaatster die haar pastoor tot enig erfgenaam heeft benoemd.1 Familieleden kunnen zich niet verenigen met dit testament en vorderen primair een verklaring voor recht dat dit testament nietig is, althans dat het hof dit testament vernietigt. Voor het geval deze vordering niet wordt toewezen, vordert de familie een verklaring voor recht dat de pastoor onwaardig is om voordeel te trekken uit het desbetreffende testament.2 De familie legt hieraan ten grondslag dat de pastoor oneigenlijke druk op erflaatster heeft uitgeoefend.
Het hof overweegt dat uit de afgelegde verklaringen niet blijkt van bedreiging als bedoeld in artikel 4:3 BW. De door de familie gestelde bedreiging met schade aan het zielenheil is volgens het hof, noch daargelaten of het een bedreiging als bedoeld in dit artikel betreft, niet voldoende onderbouwd.
Het hof laat de vraag onbeantwoord of bedreiging met schade aan het zielenheil überhaupt als bedreiging kan worden aangemerkt. Uit de vorige paragraaf volgt dat deze vraag niet in zijn algemeenheid kan worden beantwoord. Duidelijk is geworden dat het begrip bedreiging subjectief moet worden uitgelegd. Er wordt niet gekeken of een redelijk c.q. modaal mens in de gegeven omstandigheden de bedreiging met schade aan het zielenheil als bedreiging opvat. Het gaat erom of erflaatster deze gedraging als bedreiging opvat waarbij geldt dat haar vrees voor het intreden van schade aan het zielenheil gerechtvaardigd moet zijn.
Aan het geformuleerde toepassingscriterium van artikel 4:3 lid 1 sub d BW wordt voldaan als de pastoor opzettelijk bij erflaatster een zodanige vrees heeft opgeroepen door haar met schade aan het zielenheil te bedreigen dat de vrees van erflaatster voor het intreden hiervan gerechtvaardigd was.3
Overigens kan bedreiging met schade aan het zielenheil ook vallen onder het ruime middel feitelijkheid. Dat middel omvat elke gedraging die onder de gegeven omstandigheden de erflater kan dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken.4 Daarmee is uiteraard nog niet gezegd dat van onwaardigheid sprake is. Daarvoor moet tevens komen vast te staan dat sprake is geweest van dwang.