Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.5.2
4.5.2 Verschoningsrecht voor belastingambtenaren
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285343:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
HR (civiele kamer) 8 november 1991 (Verschueren/Kloosterboer), ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277, r.o. 3.4. Vergelijk: R.G. Leether, opdat niet geopenbaard worde wat verborgen diene te blijven, WFR 1992/6011.
Vergelijk: art. 62 AWR en par. 24, eerste en tweede lid, BFB. Op het verschoningsrecht wordt – behoudens uitzonderlijke situaties – geen beroep gedaan in fiscale (straf)procedures. Zie o.a.: Verburg 1975, blz. 229 en HR 18 december 2015 (eerste tipgeversarrest), ECLI:NL:HR:2015:3600, BNB 2016/39, r.o. 2.7.1 en r.o. 2.7.2 waar de Hoge Raad – in een overweging ten overvloede – oordeelt dat ook aan belastingambtenaren in fiscale zaken een verschoningsrecht toekomt. Vergelijk: de (tweede) conclusie van A-G R.L.H. IJzerman van 21 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1477 over het door de getuigen in de tipgeverszaak ingestelde cassatieberoep (het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de getuigen niet beroepsgerechtigd waren (HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3604, BNB 2016/40)).
Par. 24, eerste lid, BFB. Dat zou slechts anders zijn ingeval niet alleen zijn kennis wordt gevraagd ten aanzien van de verdachte(n) of betrokkene(n), maar die kennis ook de belangen van niet betrokken derden raakt (par. 24, tweede lid, BFB). Vergelijk: Instructie informatieverstrekking (2020), par. 5.2, blz. 12-14).
Vergelijk: de beantwoording van Kamervragen naar aanleiding van de hofuitspraak die zou leiden tot het eerste tipgeversarrest waarin uitdrukkelijk wordt gesproken over ‘voorlichten’ en ‘zelf vraag voor vraag beoordelen’ (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 892, antwoord op vragen 7, 13 en 14). Het geven van instructies was (destijds) niet aan de orde. Van een instructierecht zou wellicht wel sprake kunnen zijn ingeval de geheimhouding zou zijn opgelegd aan een instantie in plaats van een individu (vergelijk: Hoofdstuk 5, par. 2.2.4 over de ‘instellingen’ van art. 2:5, tweede lid, Awb).
Respectievelijk art. 218 Sv en art. 8:33, derde lid, Awb jo. art. 165 BRv. Hoewel geformuleerd als een ‘kan’-bepaling dient dat, gezien de strikte geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR, voor de inspecteur te worden gelezen als ‘moet’-bepaling. Hierdoor vervalt de opgelegde verplichting. Zie ook: par. 5.1 hiervoor.
Zie voor het beperkte ontheffingenstelsel (vanaf 2008): Hoofdstuk 3, par. 6.4. Vergelijk: par. 6.2.2 VIV 1993 (de periode tot 2008). Zie ook: Hoofdstuk 10, par. 7.1.
Vergelijk: Fernhout 2004, blz. 265-267.
HR (civiele kamer) 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2284, V-N 1997/1296, 11. De redactie Vakstudie Nieuws merkt in haar aantekening op: “Laat de belastingambtenaar bij deze afweging steken vallen – wat niet bij voorbaat uitgesloten is, omdat het optreden als getuige voor de meeste belastingambtenaren geen dagelijkse kost is en alleen daarom al enige stress zal meebrengen – dan stelt hij zich bloot aan een onrechtmatige-daadsactie en hangt hem bovendien in het uiterste geval de in art. 272 WvSr op schending van de geheimhoudingsplicht gestelde straf boven het hoofd”. Vergelijk: Aanhangsel Handelingen II 2014/15, 892, antwoord op vraag 14.
Par. 24, derde lid, BFB. Dit is ontleend aan HR (civiele kamer) 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2284, V-N 1997/1296, r.o. 3.3.1-3.3.2 en de conclusie van A-G M.R. Mok.
Zie ook: Hoofdstuk 3, par. 4 over het object van de geheimhouding en Hoofdstuk 3, par. 5.2. over de strafrechtelijke vervolging van een politieagent wegens schending van de geheimhouding door het informeren van een niet-betrokken collega over een door hem afgenomen verhoor van een verdachte (HR (strafkamer) 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1118). Vergelijk: Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2016 (faillissement Brutra), ECLI:NL:GHARL:2016:5197, waar het hof het verschoningsrecht bevestigde met betrekking tot de vraag welke ambtenaar verantwoordelijk was voor het dossier en of de vennootschap op een bepaald moment vrij was van belastingschulden.
Het verschoningsrecht voor belastingambtenaren die als getuigen worden opgeroepen in het (fiscale) strafrecht, het bestuursrecht en het civiele recht is een specifieke verschijningsvorm van de hiervoor behandelde onttrekkingsmogelijkheid. De stringente fiscale geheimhoudingsbepaling wordt versterkt door het verschoningsrecht van belastingambtenaren.1 Het afleggen van een getuigenis in een fiscale (straf)procedure door een belastingambtenaar is aan te merken als uitvoering van de belastingwet.2 In het BFB wordt de belastingambtenaar echter op voorhand ‘opgedragen’ om in principe geen beroep te doen op het hem toekomende verschoningsrecht in niet-fiscale strafprocedures en bestuurlijke procedures.3 Deze instructie is opmerkelijk omdat het verschoningsrecht toekomt aan de getuige – het individu – en niet aan de Belastingdienst of de Staatssecretaris van Financiën.4 Gezien de strikte fiscale geheimhoudingsbepaling heeft een als getuige opgeroepen belastingambtenaar geen keuze en dient hij zich te beroepen op zijn verschoningsrecht als het gaat om fiscale informatie.5 Pas na een afweging van belangen zou een belastingambtenaar er voor kunnen kiezen om géén beroep te doen op het aan hem toekomende verschoningsrecht. Daarvoor is echter een individuele ontheffing geheimhouding ex art. 67, derde lid, AWR vereist. Kennelijk is het BFB bedoeld als een op voorhand verleende, generieke ontheffing. Dat is – gezien het beperkte ontheffingenstelsel van art. 67, derde lid, AWR – (thans) niet mogelijk.6
Ook in civiele procedures hebben belastingambtenaren een verschoningsrecht met betrekking tot het object van de fiscale geheimhouding.7 Hier wordt in het BFB een andere, striktere lijn gekozen; het uitgangspunt is dat slechts ingeval sprake is van een bijzonder belang géén beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht.8 Een belastingambtenaar die in een civiele procedure is opgeroepen kan zich niet op voorhand beroepen op zijn verschoningsrecht; hij dient bij elke vraag afzonderlijk te beoordelen of hij een antwoord kan geven zonder zijn fiscale geheimhoudingsplicht te schenden.9 In het BFB wordt opgemerkt dat bij vragen van ‘organisatorische aard’ het verschoningsrecht niet snel met kans op succes kan worden ingeroepen.10 Ten onrechte wordt in het BFB echter de suggestie gewekt dat de vraag óf er gesprekken tussen de Belastingdienst en de belastingadviseur hebben plaatsgevonden wel zou kunnen worden beantwoord zonder de geheimhouding te schenden.11 Het enkele feit dat er een of meerdere gesprekken zouden zijn gevoerd is immers al aan te merken als een object van de fiscale geheimhouding.12 Het verschoningsrecht van belastingambtenaren is een voorbeeld van de complexiteit van de discussie over het voor bezwaar vatbaar maken van beschikkingen op grond van art. 67 AWR. Dubbele procedures – waarbij een belastingrechter een oordeel geeft of in een andere (straf-, bestuursrechtelijke, of civiele) procedure een belastingambtenaar een beroep kan doen op zijn verschoningsrecht – zou vertragend en complexer kunnen worden waardoor dit uiteindelijk niet ten goede komt aan de rechtsbescherming.