Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.2.1.3
VI.2.1.3 Benadering van het EHRM
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599807:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie anders Tophinke 2000, p. 140-142. Zij concludeert dat de EVRM-organen – al dan niet expliciet – ervan uitgaan dat de onschuldpresumptie ook buiten een strafproces geldt voor zover daarmee van een schuldvaststelling zonder voorafgaande veroordeling sprake is, maar baseert zich daarbij voornamelijk op uitspraken van de Commissie. Zie eveneens anders maar met verwijzing naar arresten die op de onschuldpresumptie niet of zijdelings betrekking hebben Hildebrandt 2016, p. 192.
Zonder volledig te willen zijn, noem ik EHRM 27 februari 1980, nr 6903/75, NJ 1980, 561, par. 42 (Deweer/België); EHRM 15 juli 1982, nr. 8130/78, par. 73 (Eckle/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 21 december 2000, nr. 34720/97, par. 42 (Heaney en McGuinness/Ierland); EHRM 5 maart 2002, nr. 44829/98 dec. (Hendriks/Nederland); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97, par. 91 (Janosevic/Zweden); EHRM 8 oktober 2013, nr. 29864/03, par. 138 (Mulosmani/Albanië).
Vgl. EHRM 10 februari 1995, nr. 15175/89, NJ 1997, 523, m.nt. Dommering, par. 37 (Allenet de Ribemont/Frankrijk).
Zie bijv. EHRM 18 januari 2011, nr. 31411/07, dec., par. 41 (Mustafa Abu Hamza/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 18 januari 2011, nr. 4479/03 (Mikolajova/Slowakije).
EHRM 26 mei 2009, nr. 12637/05, dec. (Plat Ror Och Svets Service i Norden AB/Zweden).
EHRM 7 juli 1989, nr. 10873/84 (Tre Traktörer Aktiebolag/Zweden).
EHRM 20 maart 2012, nr. 18450/07, NJ 2013, 361, dec., m.nt. Van Kempen (Bingöl/Nederland).
EHRM 5 juli 2005, nr. 61110/00, dec. (O.L./Finland).
EHRM 18 januari 2011, nr. 31411/07, dec., par. 41 (Mustafa Abu Hamza/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 8 oktober 2013, nr. 29864/03 (Mulosmani/Albanië).
EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk).
Zie bijv. EHRM 27 september 2007, nr. 35522/04, par. 28-29 (Vassilios Stavropoulos/Griekenland); EHRM 25 september 2008, nr. 42132/06 (Paraponiaris/Griekenland); EHRM 15 juli 2010, nr. 9143/08, par. 44 (Šikić/Kroatië); EHRM 27 september 2011, nr. 23272/07, par. 52 (Hrdalo/Kroatië).
EHRM 14 januari 2010, nr. 29889/04, par. 41 (Vanjak/Kroatië); EHRM 17 december 2013, nr. 20688/04, par. 99-100 (Nikolova en Vandova/Bulgarije); EHRM 28 maart 2017, nr. 45028/07 (Kemal Coşkun).
Zie EHRM 24 april 2008, nr. 2947/06, par. 64 (Ismoilov e.a./Rusland); EHRM 21 oktober 2010, nr. 25404/09, par. 208 (Gaforov/Rusland); EHRM 20 december 2011, nr. 12106/09 (Ergashev/Rusland); EHRM 15 januari 2015, nr. 68900/13 (Eshonkulov/Rusland).
Zie Van der Vorm 2016, p. 215 e.v.
Zie Judge Power in haar concurring opinion bij EHRM 18 januari 2011, nr. 45482/06, NJ 2012, 418, EHRC 2011/80 (Bok/Nederland) en Judge De Gaetano in zijn dissenting opinion bij EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 en 4285/08, NJ 2013, 35, m.nt. Van Kempen (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, par. 32 m.nt. Alkema (Minelli/Zwitserland), over die gekunstelde redenering is kritisch Trechsel 2005, p. 190.
Zie o.a. EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, NJ 1988, 938, par. 56, m.nt. Alkema (Lutz/ Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 25 augustus 1987, nr. 10282/83, par. 35 (Englert/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 13 september 2007, nr. 27521/04, dec. (Moullet/Frankrijk). Vgl. Ook de enigszins andere formulering in bijv. EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/ 87, NJ 1994, 1, par. 22, m.nt. Knigge (Sekanina/Oostenrijk); EHRM 21 maart 2000, nr. 28389/95, par. 27 (Rushiti/Oostenrijk); EHRM 20 december 2001, nr. 33730/96, EHRC 2002, 20, par. 24, m.nt. Heringa (Weixelbraun/Oostenrijk).
Vgl. EHRM 25 augustus 1987, nr. 10300/83, par. 35 (Nölckenbockhoff/Bondsrepubliek Duitsland). Zie nadien ook de ontvankelijkheidsbeslissingen in ECieRM 12 januari 1994, nr. 20111/92, dec. (Kleinlercher/Oostenrijk); ECieRM 29 juni 1994, nr. 20602/92, dec. (Szücs/Oostenrijk); ECieRM 16 januari 1996, nr. 24429/94, dec. (Rebrica/Oostenrijk); Vgl. a contrario EHRM 11 februari 2003, nr. 34964/97, par. 41 (Ringvold/Noorwegen).
EHRM 29 juni 2006, nr. 11901/02, par. 67 (Panteleyenko/Oekraïne); EHRM 21 september 2006, nr. 8599/02, par. 42 (Grabchuk/Oekraïne).
EHRM 14 januari 2010, nr. 29889/04, par. 41 (Vanjak/Kroatië); EHRM 15 juli 2010, nr. 9143/08, par. 47 (Šikić/Kroatië).
EHRM 27 september 2007, nr. 35522/04, par. 39 (Vassilios Stavropoulos/Griekenland); EHRM 13 juli 2010, nr. 25720/05, par. 39 (Tendam/Spanje); EHRM 4 april 2012, nr. 32075/ 09, par. 46 (Lorenzetti/Italië).
EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, par. 104, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk). Zie nadien bijv. EHRM 3 september 2013, nrs. 43519/07, 43524/07 en 45247/07, dec., par. 36 (Milojević e.a./Servië); EHRM 17 november 2015, nr. 60879/12, dec., par. 62 (Rupp/Duitsland).
Zie bijv. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349, m.nt. Borgers (Geerings/Nederland).
Zie onder vele EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, NJ 1988, 938, par. 56-57, m.nt. Alkema (Lutz/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/87, NJ 1994, 1, par. 22, m.nt. Knigge (Sekanina/Oostenrijk); EHRM 27 juni 2002, nr. 48886/99, dec. (Mulaj en Sallahi/Oostenrijk); EHRM 11 februari 2003, nr. 30287/96, par. 42 (Hammern/ Noorwegen). EHRM 13 januari 2005, nr. 42914/98, par. 22 (Capeau/België); EHRM 13 september 2011, nrs. 35730/07 en 4285/08, NJ 2013, 35, par. 42 en 49, m.nt. Van Kempen (Ashendon en Jones/Verenigd Koninkrijk); EHRM 16 februari 2016, nr. 53465/11 (Vlieeland Boddy en Marcello Lanni/Spanje).
EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, par. 30-32 m.nt. Alkema (Minelli/Zwitserland); ECieRM 4 december 1985, nr. 10107/82, rep. (I. en C./Zwitserland); EHRM 12 mei 2005, nr. 55705/00, dec. (McHugo/Zwitserland).
EHRM 23 maart 1982, nr. 8269/78, par. 40 (Adolf/Oostenrijk); EHRM 21 september 2006, nr. 8599/02 (Grabchuk/Oekraïne); EHRM 2 oktober 2012, nr. 40094/05 (Virabyan/Armenië); EHRM 15 januari 2015, nr. 48144/09 (Cleve/Duitsland).
EHRM 11 februari 2003, nr. 34964/97, par. 38 (Ringvold/Noorwegen); EHRM 11 februari 2003, nr. 56568/00, par. 41 (Y./Noorwegen); EHRM 7 februari 2012, nr. 124/04, par. 58 (Diacenco/Roemenië).
Bijvoorbeeld EHRM 11 februari 2003, nr. 56568/00, par. 46 (Y./Noorwegen); EHRM 19 april 2011, nr. 50172/06, par. 39 (Erkol/Turkije); EHRM 7 februari 2012, nr. 124/04, par. 64 (Diacenco/Roemenië); EHRM 12 april 2012, nr. 18851/07, par. 81 (Lagardère/Frankrijk).
EHRM 27 september 2007, nr. 35522/04 (Vassilios Stavropoulos/Griekenland); EHRM 14 januari 2010, nr. 29889/04, par. 41 (Vanjak/Kroatië); EHRM 15 juli 2010, nr. 9143/08, par. 47 (Šikić/Kroatië); EHRM 12 april 2011, nr. 34388/05, par. 34 (Çelik (Bozkurt)/Turkije); EHRM 4 juni 2013, nr. 46878/06, EHRC 2013, 209 (Teodor/Roemenië) en a contrario EHRM 16 oktober 2008, nrs. 39627/05 en 39631/05, par. 27 (Taliadorou en Stylianou/Cyprus).
Zie EHRM 30 april 2015, nr. 3453/12 (Kapetanios e.a./Griekenland); EHRM 9 juni 2016, nr. 66602/09 (Sismanidis en Sitaridis/Griekenland). Ook een ver verwijderd, doch voldoende verband bestond tussen de strafzaak en de arbeidsrechtelijke ontslagkwestie die daarop volgde en waarin de onschuldpresumptie gold in EHRM 18 oktober 2016, nr. 21107/ 07 (Alkaşi/Turkije).
Vgl. § IV.4.3.
Het EHRM heeft de criminal charge-eis niet geheel losgelaten zoals de ECieRM placht te doen, maar evenmin hanteert het Hof die voorwaarde zo restrictief als het Comité. Het Hof verlangt consequent dat in elk geval op enig moment van een criminal charge sprake is geweest. Is de vervolging eenmaal aangevangen, dan geldt de behandelingsdimensie echter zolang de schuld van de verdachte niet is vastgesteld, ook als de vervolging inmiddels is beëindigd.
Is de verdachte niet op enig moment charged geweest, dan is een op schending van artikel 6 lid 2 EVRM aansturende klacht in Straatsburg bij voorbaat kansloos.1 Daarbij is wel van belang dat het EHRM het aanvangsmoment van de charge autonoom bepaalt. Een charge bestaat vanaf “the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence”, hetgeen volgens het Hof overeenkomt met de toets “whether the situation of the person concerned has been substantially affected”.2 De bejegeningswijze waartegen de klacht is gericht kan bijdragen aan het oordeel dat de verdachte op dat moment reeds substantially affected en dus charged with a criminal offence is.3 Dat een overheidsfunctionaris zich over de betrokkene heeft uitgelaten in verband met een strafbaar feit, is op zichzelf echter onvoldoende om van een charge te spreken.4 Dat is terecht, nu de aanvang van een charge voor de strafvorderlijke overheid diverse verplichtingen meebrengt en grote gevolgen heeft voor de positie van het verdachte individu.
Diverse klachten over bejegening als schuldige zijn gestrand omdat nooit een charge heeft plaatsgehad. Zo strandden op grond van de toepassingsvoorwaarde klachten over de vordering van de zorgverzekeraar van een geweldsslachtoffer,5 over het verhaal van door fraude misgelopen belastinginkomsten op de persoonlijke financiën van een leidinggevende,6 over de intrekking van een vergunning,7 over de weigering een vergunning te verlenen8 over de uithuisplaatsing van een kind wegens misbruik9 en over ontneming van het staatsburgerschap.10 Aan inhoudelijke beoordeling of die beslissingen op een schuldoordeel berustten, kwam het Hof niet toe.
Neemt de charge aanvang nadat de bestreden bejegeningswijze reeds heeft plaatsgehad, dan hangt de toepasselijkheid van de onschuldpresumptie meer af van de omstandigheden van het geval. In Mustafa Abu Hamza/Verenigd Koninkrijk had een Britse minister een imam diens staatsburgerschap van het Verenigd Koninkrijk ontnomen omdat hij antiwesters sentiment en geweld predikte. Naast deze administratiefrechtelijke beslissing was hij door de Amerikaanse president een terrorist genoemd. Twee jaar later wordt hij vervolgd voor – onder meer – het door verbaal gedrag zaaien van haat op basis van ras. Hoewel de eerdere beslissing over het staatsburgerschap en de uitlatingen van de Amerikaanse president vermoedelijk een finding of guilt opleverden, oordeelde het Hof dat zij buiten de reikwijdte van artikel 6 lid 2 EVRM vielen.
Anders besliste het Hof in Mulosmani/Albanië.11 De klager was publiekelijk beschuldigd van een politieke moord. Ruim een jaar later beval de rechtbank de arrestatie van de betrokkene, onder expliciete verwijzing naar de eerdere publieke beschuldigingen. Daarmee wekte de rechtbank de indruk dat de eerdere beschuldigingen de verdenking tegen Mulosmani versterkten of ondersteunden. Het EHRM vond dat deze uitlatingen “[...] could therefore be considered to have had continued impact”. Het Hof achtte niet doorslaggevend dat van een charge ten tijde van de uitlatingen strikt genomen geen sprake was. Artikel 6 lid 2 EVRM was van toepassing. Het lijdt geen twijfel dat de uitspraak een door de bijzondere omstandigheden van het geval ingegeven correctie op het charge-vereiste betreft. Twee maanden eerder had de Grote Kamer de uitspraak Allen/Verenigd Koninkrijk gewezen, waarin in de algemene overwegingen twee aspecten worden onderscheiden, te weten een procedureel trial-aspect en een post-trial-aspect. Voor die eerste geldt onverkort dat ten tijde van de bejegeningswijze reeds een charge moet bestaan.12 De in de zaak Mulosmani toegepaste correctie illustreert echter wel de complexe en problematische verhouding tussen het charge-vereiste en de behandelingsdimensie. Het betrof in casu geen noodgreep om in een schrijnende situatie toch een schending te kunnen constateren. Inhoudelijk faalde de klacht zelfs. Nu de bejegeningswijze vóór de charge echter aantoonbaar had doorgewerkt in de strafprocedure, kon het EHRM er niet omheen die bejegeningswijze binnen het bereik van artikel 6 lid 2 EVRM te brengen. Het verschil met andere zaken, zoals Mustafa Abu Hamza, is gering. Ook in die laatste zaak was over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte openlijk gespeculeerd, maar was daaraan niet expliciet gerefereerd in de latere strafzaak. Of dat laatste nu de doorslaggevende factor moet zijn, valt te betwisten. Immers toont Mulosmani aan dat ook een aan de charge voorafgaande bejegeningswijze zowel de exclusiviteit als de openheid van de nadien aangevangen procedure kan schaden. Dat de rechter aan die uitlatingen doorgaans niet zal refereren, doet daaraan niet af.
Heeft een criminal charge eenmaal aanvang genomen, dan is het toepassingsbereik uitgestrekt. Bejegeningen die plaatsvinden ten tijde van, maar buiten de strafvervolging om en bejegeningen die zich voordoen na beëindiging van de strafprocedure, vallen over het algemeen binnen de reikwijdte van artikel 6 lid 2 EVRM. Vaste rechtspraak is dat “[a]rticle 6 § 2 also extends to various administrative proceedings conducted simultaneously with criminal proceedings against an applicant or after the conclusion of criminal proceedings ending without a guilty verdict”.13 Dat geldt niet alleen voor administratiefrechtelijke procedures, maar ook voor bijvoorbeeld tuchtrechtelijke.14 De uitleveringsrechter, en vermoedelijk de rechtshulp verlenende rechter in het algemeen, weet zich eveneens aan de behandelingsdimensie gebonden.15 Die andere procedure hoeft het strafproces niet te hebben beïnvloed of te hebben kunnen beïnvloeden. Wel moet worden aangetekend dat de onschuldpresumptie niet op de andere procedure als zodanig en in zijn geheel van toepassing is. Zolang de andere procedure zelf geen criminal charge behelst, normeert de onschuldpresumptie bijvoorbeeld niet de bewijslastverdeling in die procedure. Alleen bejegening als schuldige aan het strafbare feit waarop de criminal charge betrekking heeft, valt binnen het bereik van artikel 6 lid 2 EVRM. In de literatuur is een en ander daarom ook wel aangeduid als de afgeleide werking van de onschuldpresumptie.16 Gelet erop dat de behandelingsdimensie overheidsfunctionarissen bindt de verdachte tijdens het strafproces niet als schuldige te bejegenen, wekt het weinig verbazing dat ook de rechter en het bestuursorgaan in een andere procedure daaraan niet ontsnappen. De verdragstekst werpt in dat opzicht geen belemmeringen op.
De toepassing van het onschuldvermoeden nadat de strafprocedure is geëindigd, verhoudt zich tot de verdragstekst minder goed en is ook binnen het Hof zelf niet onomstreden.17 In de eerste zaak over de toepasselijkheid na afloop van de charge, Minelli/Zwitserland, stelde het Hof zich ter rechtvaardiging ervan op het standpunt dat de rechterlijke beslissing om de niet-veroordeelde wel in de proceskosten van de private aanklager te veroordelen nog onderdeel was van de strafvervolging.18 Nadien zijn verschillende criteria aangelegd om tot het oordeel te komen dat artikel 6 lid 2 toepasbaar is op diverse situaties. Grond was bijvoorbeeld dat de betwiste beslissing een “consequence [...] and necessary concomitant of”19 of “a direct sequel to”20 de strafprocedure was. Dat stelde artikel 6 lid 2 EVRM in staat om beslissingen over compensatie voor gemaakte kosten, schadevergoeding voor ondergane dwangmiddelen en proceskostenveroordelingen te bestrijken, maar daarmee kon het Hof de gewezen verdachte nog niet de bescherming bieden die het wilde.
De relevante vraag werd daarom doorgaans of een sufficient link met de criminal charge bestond. Zo nu en dan zijn nog generiekere criteria gehanteerd zoals dat “[t]he scope of Article 6 § 2 is [...] not limited to pending criminal proceedings but extends to judicial decisions taken after a prosecution has been discontinued […] or after an acquittal”,21 dat “[...] the lack of a person’s criminal conviction [must] be preserved in any other proceedings of whatever nature”22 en dat “[...] dans le cadre de l'article 6 § 2 de la Convention, le dispositif d'un jugement d'acquittement doit être respecté par toute autre autorité qui se prononce de manière directe ou incidente sur la responsabilité pénale de l'intéressé”.23 Of die maatstaven alle op hetzelfde neerkomen, is niet helemaal duidelijk. De Grote Kamer heeft inmiddels in elk geval bepaald dat de klager het bestaan van een verband met de strafprocedure moet aantonen:
“[w]henever the question of the applicability of Article 6 § 2 arises in the context of subsequent proceedings, the applicant must demonstrate the existence of a link [...] between the concluded criminal proceedings and the subsequent proceedings. Such a link is likely to be present, for example, where the subsequent proceedings require examination of the outcome of the prior criminal proceedings and, in particular, where they oblige the court to analyse the criminal judgment; to engage in a review or evaluation of the evidence in the criminal file; to assess the applicant’s participation in some or all of the events leading to the criminal charge; or to comment on the subsisting indications of the applicant’s possible guilt.”24
Het criterium van een verband tussen beide procedures is ruim en vaag. Van sommige beslissingen ligt voor de hand dat zij daaraan voldoen, zoals die met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel,25 de beslissing op het verzoek tot een geldelijke vergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis en/of gemaakte proceskosten26 en de veroordeling in een deel van de door een gerecht of de vervolgende partij ten behoeve van de strafzaak gemaakte kosten.27 Ook wanneer de beslissing de vervolging te staken of vrij te spreken zelf een ongeoorloofde bejegeningswijze behelst, valt deze zonder meer binnen het toepassingsbereik.28 Andere procedures en beslissingen, zoals die over de civiele vordering van het vermeende slachtoffer, onderzoekt het EHRM indringender. Uitgangspunt moet zijn dat een civiele vordering afzonderlijk kan worden beoordeeld, ondanks het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling. Daarom acht het Hof een formeel verband met de strafzaak, zoals dat de civiele vordering dezelfde feiten betreft of dat hetzelfde bewijs in zowel de straf- als de civiele procedure te berde is gebracht, niet genoeg.29 Het al dan niet bestaan van een link wordt veelal vastgesteld aan de hand van de bewoordingen van de over de civiele claim oordelende rechter. Als die rechter zich uitlaat over de strafrechtelijke schuld van de verdachte, is artikel 6 lid 2 van toepassing. De woordkeuze van de in de niet-strafrechtelijke procedure oordelende rechter creëert aldus de verbinding met de strafzaak.30 In de civiele procedure, maar ook in andere procedures, geldt dat de bevoegde autoriteiten zich door hun strafrechtelijk georiënteerde overwegingen kunnen binden aan het vermoeden van onschuld.31
Deze benadering is in zoverre opmerkelijk dat daarmee de vraag of de onschuldpresumptie op een bepaalde procedure van toepassing is, in veel gevallen nagenoeg samenvalt met de vraag of de in die andere procedure beslissende autoriteit de behandelingsdimensie heeft geschonden. Voor beide vragen lijkt immers door de bank genomen beslissend of de overheidsautoriteit zich over de verdachte heeft uitgelaten als schuldige aan het strafbare feit ter zake waarvan hij niet is veroordeeld. Wellicht dat de Grote Kamer daar met de hiervoor geciteerde overweging verandering in heeft willen brengen. Een precieze lezing wijst er namelijk op dat de andere procedure de rechter moet verplichten (“require” en “oblige”) het strafbare feit in zijn oordeel te betrekken. Zo bezien lijkt de aard van de procedure die volgt op de strafzaak meer voorop te komen staan en lijkt de onschuldpresumptie niet langer op elke procedure toepasselijk waarin de rechter aan de verdachte als dader van het strafbare feit refereert. De rechtspraak sinds het arrest van de Grote Kamer laat zo’n ontwikkeling evenwel niet zien. Het EHRM past de behandelingsdimensie na het einde van de strafzaak zonder veroordeling nog altijd zo ruim toe dat zich in de rechtspraak zelfs een duidelijke overlap met het ne bis in idem-beginsel aftekent.32
Het extensieve toepassingsbereik van de behandelingsdimensie na afloop van de charge duidt erop dat het Hof de exclusiviteit van de procedure als het geëigende forum voor schuldvaststelling en het gezag van die procedure beschouwt als door de onschuldpresumptie te beschermen, zwaarwegende belangen. De verdragstekst heeft het EHRM daarvan niet weerhouden. Dat roept dan wel de vraag op waarom het Hof voorafgaand aan de charge de behandelingsdimensie niet van toepassing acht. Het EHRM geeft daarvoor zelf geen verklaring en ook de grondslagen voor de behandelingsdimensie dringen niet eenduidig tot deze benadering.33
Een mogelijke verklaring daarvoor is dat een te ruime benadering aan de ‘voorkant’ het risico herbergt dat de onschuldpresumptie haar strafrechtelijke werkingssfeer te buiten gaat. De Commissie wist dat evenwel te vermijden door uitsluitend behandeling als strafrechtelijk schuldige als een schending van de onschuldpresumptie te beschouwen. Een alternatieve verklaring is dat overheidsorganen ten tijde van en na afloop van een charge zich beter ervan kunnen vergewissen dat een uitlating de verdachte bejegent als schuldige aan een strafbaar feit. De grondslagen voor de behandelingsdimensie kunnen een en ander in elk geval niet verklaren. Ook voordat van een charge sprake is, kan de verdachte ernstig nadeel lijden van een bejegening als schuldige, kan het gezag van de procedure daardoor worden ondermijnd en kan de uitkomst van het strafproces worden beïnvloed.