Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/3.3.2.1
3.3.2.1 Voldaan aan zorgplicht
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855417:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4090 (Laudy/Fair Play); HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8254 (Peters/Hofkens); HR 5 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1463 (De Lozerhof/Van Duyvenbode); HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 (Bayar/Wijnen); HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7423 (Lagraauw/Van Schie); HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223 (De Rooyse Wissel); HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 (Pelowski/Vernooy Transport en BTS).
De verzamelde feitenrechtspraak uit bijlage 1 ziet op de periode tussen 23 maart 2012 (de datum van het Davelaar/Allspan-arrest) en 1 januari 2023 en is verzameld via Legal Intelligence, Navigator, Rechtsorde en rechtspraak.nl. Hierbij heb ik (een combinatie van) de volgende zoektermen gebruikt: ‘7:658 lid 4 BW’, ‘7:658 vierde’, ‘ECLI:NL:HR:2012:BV0616’, ‘LJN BV0616’, ‘7:658 zzp’, ‘7:658 zzp’er’, ‘7:658 opdrachtnemer’, ‘7:658 opdrachtgever’, ‘7:658 overeenkomst van opdracht’ en ‘7:658 23 maart 2012’. Hoewel ik heb geprobeerd zoveel mogelijk relevante rechtspraak te verzamelen, wordt volledigheid niet gegarandeerd.
Dit betreffen de volgende dertien arresten: HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4090 (Laudy/Fair Play); HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7000 (Dusarduyn/Du Puy); HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8254 (Peters/Hofkens); HR 5 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1463 (De Lozerhof/Van Duyvenbode); HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 (Bayar/Wijnen); HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6526 (Feenstra/Haije); HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7355 (Van Veghel/Hendriks); HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7423 (Lagraauw/Van Schie); HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9225 (Tarioui/Vendrig); HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf); HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223 (De Rooyse Wissel); HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7590 (Giraldo/Antilles); HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 (Pelowski/Vernooy Transport en BTS). Deze arresten hebben betrekking op de verhouding werkgever-werknemer, maar kunnen m.i. analoog worden toegepast op de relatie opdrachtgever-‘art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer’ (zie par. 3.3.2). Enige nuanceringen op dit uitgangspunt maak ik later in deze paragraaf.
Hiermee doel ik op de voorzichtigheid die in acht moet worden genomen bij het trekken van algemene conclusies op basis van mijn rechtspraakonderzoek, waarin ik in par. 3.3.1 – kort gezegd – als redenen heb aangevoerd dat het louter gepubliceerde rechtspraak betreft en dat de uitkomst van de procedure afhankelijk is van wat partijen in een procedure aanvoeren (art. 24 Rv).
Vanuit het gemene aansprakelijkheidsrecht laat zich dit verklaren door het feit dat het bij art. 7:658 BW draait om een veiligheidsverplichting die beoogt bescherming te bieden tegen letsel en andere gezondheidsschade. Tevens is deze aansprakelijkheid vaak goed te dekken door een verzekering. Vgl. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (Mon. Pr. nr. 13) 2021/3.22.
HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9225 (Tarioui/Vendrig); HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf); HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223 (De Rooyse Wissel); HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 (Pelowski/Vernooy Transport en BTS).
Zie t.a.v. veiligheidsinstructies bijv. rb. Overijssel 26 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2924; rb. Midden-Nederland 26 oktober 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5708, t.a.v. de aard (gevaarlijkheid) van de werkzaamheden bijv. hof ’s-Hertogenbosch 16 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8300; rb. Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8149; rb. Overijssel 26 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2924; rb. Zeeland-West-Brabant 8 maart 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1574; rb. Amsterdam 25 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6804, t.a.v. de aard (eenvoud) van de maatregel bijv. rb. Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8149; rb. Amsterdam 25 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6804.
Bij de geschreven normen wordt m.n. gekeken naar de arboregels (HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7355 (Van Veghel/Hendriks)). Bij de ongeschreven normen gaat het in het bijzonder om (de weging van) de zogenoemde Kelderluik-factoren: de te verwachten oplettendheid en voorzichtigheid van de opdrachtnemer, de hoegrootheid kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 (Bayar/Wijnen), waarin de HR aanknoopte bij HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik)). De HR voegde aan deze factoren één gezichtspunt toe: in hoeverre lag het treffen van een veiligheidsmaatregel voordat het ongeval zich had voorgedaan, al voor de hand. Zie over deze factoren in relatie tot art. 7:658 BW uitgebreid Quist, ArA 2010/1.1; Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (Mon. Pr. nr. 13) 2021/2.26.
De wetgever heeft namelijk voor ogen gehad dat de norm van art. 7:658 BW in materieel opzicht niet verschilt van die van art. 3 lid 1 Arbowet (Kamerstukken II 2005/06, 30 552, 3, p. 30).
Stb. 2012, 270, p. 13-14. Zie over de arboregelgeving die van toepassing is op de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer uitgebreider Bennaars & Popma 2018, p. 79 e.v.
Stb. 2012, 270, p. 14.
Van Drongelen, ArbeidsRecht 2016/45; Van Slooten 2018, p. 49.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7355 (Van Veghel/Hendriks).
Dit sluit aan bij de leidraad van de ACM (ACM 2023, p. 20 in het bijzonder voetnoot 33).
Let op: hieruit kunnen niet te gemakkelijk algemene conclusies worden getrokken. Dat het zelfstandig ondernemerschap bijv. niet expliciet is terug te vinden in de beoordelingen van de rechters, kan ook samenhangen met het feit dat de wijze waarop partijen een procedure voeren en wat zij daarin naar voren brengen, van invloed is op de uitkomst daarvan (art. 24 Rv). Bovendien lag het betrekken van het zelfstandig ondernemerschap ook niet altijd voor de hand, want als bijv. een vloer onveilig is of een doorvalbeveiliging niet goed is bevestigd, maakt het niet uit of de schadelijdende persoon een werknemer of een art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer is (zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8066; rb. Oost-Brabant 16 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3376). Ook kan worden gedacht aan het op geen enkele manier invulling geven van de zorgplicht (zie bijv. rb. Midden-Nederland 26 oktober 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5708), dan wel een te algemene invulling van die zorgplicht (zie bijv. rb. Overijssel 26 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2924).
HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7000 (Dusarduyn/Du Puy).
De eigen verantwoordelijkheid van de werknemer speelt in deze zaak een grotere rol dan in andere arresten (Klaassen, AV&S 2003/6). Toch levert dit arrest naar mijn mening geen daadwerkelijke breuk op met andere jurisprudentie (zie ook Houweling & Schneider, AV&S 2012/11; Houweling, JIN 2012/72; Houweling 2021, p. 822); ook in die zaken wordt immers gekeken naar de omstandigheden van het geval en wordt op basis daarvan bepaald of de werkgever tekort is geschoten in de op hem rustende zorgplicht.
Zie in vergelijkbare zin Houweling & Schneider, AV&S 2012/11; Houweling, JIN 2012/72; Houweling 2021, p. 822.
HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6526 (Feenstra/Haije).
Zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11051.
Zie bijv. rb. Assen 10 september 2008, ECLI:NL:RBASS:2008:BG7281; rb. Middelburg 4 november 2009, ECLI:NL:RBMID:2009:BK2881. Ook in de rechtsliteratuur is hierop gewezen (Quist, ArA 2010/1.1; Gouweloos, JA 2012/110; Kolder & Zwols, MvV 2012/6.2; Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (Mon. Pr. nr. 13) 2021/3.26.3).
Dit element toont een wisselend beeld. Zo dient de opdrachtgever rekening te houden met het feit dat ook ervaring – of misschien zelfs wel juist ervaring (Waterman 2009, p. 113) – mee kan brengen dat ‘wel eens’ wordt nagelaten voorzichtigheid in acht te nemen (HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7590 (Giraldo/Antilles); HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 (Pelowski/Vernooy Transport en BTS)). In mijn rechtspraakonderzoek zijn kennis en ervaring drie keer betrokken in het inhoudelijke oordeel m.b.t. de eventuele zorgplichtschending, maar leidde dit telkens niet tot een ander oordeel dan dat de opdrachtgever tekort was geschoten in zijn zorgplicht (zie hof ’s-Hertogenbosch 16 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8300; rb. Zeeland-West-Brabant 8 maart 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1574; rb. Amsterdam 25 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6804).
Een hoog tarief kan een indicatie geven dat de opdrachtnemer deskundig is. Bij een laag tarief zal de opdrachtnemer doorgaans minder snel worden aangemerkt als deskundig, omdat de werkzaamheden die deze opdrachtnemer verricht, zich meestal zullen karakteriseren door een bepaalde laagdrempeligheid (zie par. 1.1 en 2.1). In de door mij bestudeerde uitspraken is deze omstandigheid niet terug te vinden. Daaruit kan echter niet worden geconcludeerd dat rechters deze omstandigheid in dit kader irrelevant vinden. De reden hiervan kan bijv. ook liggen in het feit dat de wijze waarop partijen een procedure voeren en wat zij daarin naar voren brengen, van invloed is op de uitkomst daarvan (art. 24 Rv).
Vgl. Loos, NTBR 1999/8.
Een lokaal of materiaal zal moeten voldoen aan bepaalde veiligheidseisen (HR 5 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1463 (De Lozerhof/Van Duyvenbode); HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 (Bayar/Wijnen)), ongeacht wie het lokaal betreedt of het materiaal gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden (Kolder & Zwols, MvV 2012/6.2; Zwols, JA 2013/88).
Zie in vergelijkbare zin Hartlief, NJ 2015/182.
De zorgplicht van de opdrachtgever wordt begrensd door wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht (artikel 7:658 lid 1 BW). Uit het woord ‘redelijkerwijs’ is op te maken dat deze aansprakelijkheid een schuldaansprakelijkheid is en geen risicoaansprakelijkheid; de opdrachtgever moet een verwijt kunnen worden gemaakt. De Hoge Raad heeft in dit licht meerdere malen overwogen dat artikel 7:658 BW geen absolute waarborg beoogt te scheppen, ook niet als de werkzaamheden bijzondere risico’s meebrengen.1 Zelfs als in theorie volledige bescherming mogelijk is, wordt dit in de praktijk dus niet gevergd.
Wat redelijkerwijs van de opdrachtgever kan worden verwacht met het oog op veiligheidsinstructies (en waarschuwingen), veiligheidsmaatregelen en toezicht op de naleving daarvan, is telkens afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtspraak op dit gebied is zeer casuïstisch van aard. In dit kader heb ik vijftien feitenuitspraken geanalyseerd (zie bijlage 2 ‘Feitenrechtspraakonderzoek artikel 7:658 lid 4 jo. lid 1 BW’), die bestaan uit de uitspraken waarin is geoordeeld dat aan beide vereisten van artikel 7:658 lid 4 BW is voldaan (zie bijlage 1 ‘Feitenrechtspraakonderzoek artikel 7:658 lid 4 BW’).2 Daarbij heb ik bekeken (A) of de opdrachtgever tekort is geschoten in zijn zorgplicht, (B) of rechters expliciet zijn ingegaan op het feit dat sprake is van zelfstandig ondernemerschap, (C) of een speciale invulling is gegeven aan de zorgplicht van de opdrachtgever vanwege het zelfstandig ondernemerschap en (D) wat de rol in deze kwestie is van de hoedanigheid van partijen, meer specifiek (D1) de hoogte van de beloning en (D2) de economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer. Daarnaast heb ik de ‘standaardarresten’ op dit gebied bestudeerd.3 Op basis van (de combinatie van) mijn rechtspraakonderzoek en de bestudering van de standaardarresten constateer ik – met enige voorzichtigheid4 – dat de zorgplicht van artikel 7:658 BW weliswaar geen absolute waarborg schept, maar dat aan de naleving van deze zorgplicht wel (met de werkgever vergelijkbare) hoge eisen worden gesteld.5 Zo wordt een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen, gereedschappen, kleding en organisatie van de werkzaamheden gevergd.6 Dit geldt op dezelfde voet voor de veiligheidsinstructies (en waarschuwingen), de veiligheidsmaatregelen en het toezicht op de naleving van de eventuele instructies en maatregelen.7 In deze context vallen mij twee elementen in het bijzonder op, die van invloed (kunnen) zijn op het beschermingsniveau van de opdrachtnemer, en verband houden met de omvang van de zorgplicht van de opdrachtgever en een mogelijke nuancering op die zorgplicht.
Ten eerste lijkt het erop dat de zorgplicht van de opdrachtgever omvangrijker is als de opdrachtnemer naast een werknemer zijn werkzaamheden verricht. De reden daarvan is dat de zorg die in de gegeven omstandigheden van de opdrachtgever redelijkerwijs mag worden verwacht, kan worden ingekleurd door zowel geschreven als ongeschreven (zorgvuldigheids- of veiligheids)normen.8 Als uitgangspunt geldt dat de omvang en inhoud van deze zorgplicht allereerst en in elk geval worden bepaald door de regels op het gebied van de werkomstandigheden.9 Een deel van de arboregels is ook van toepassing op de opdrachtnemer, zoals de bepalingen op het terrein van valgevaar, gehoorschade en het werken met gevaarlijke stoffen.10 Deze set regels kan onder omstandigheden worden uitgebreid. De basisgedachte van de arboregelgeving luidt namelijk dat, als de opdrachtnemer en de werknemer op dezelfde arbeidsplaats werkzaamheden verrichten, op hen dezelfde arboregels van kracht zijn.11 Interessant aan die gedachte is dat als de opdrachtgever geen eigen werknemers in dienst heeft, er minder geschreven normen op hem van toepassing zijn die invulling kunnen geven aan zijn zorgplicht.12 De opdrachtnemer komt in dat geval minder snel in aanmerking voor de vergoeding van zijn schade, aangezien een schending van een toepasselijke arbonorm eerder aansprakelijkheid oplevert.13 Anders gezegd: de inhoud en omvang van de zorgplicht van de opdrachtgever worden gedeeltelijk bepaald door het antwoord op de vraag of de opdrachtgever de werkzaamheden uitsluitend laat verrichten door opdrachtnemers of dat hij ook eigen werknemers in dienst heeft. Dit lijkt zich niet goed te verhouden tot de gedachte achter artikel 7:658 lid 4 BW, omdat de keuzevrijheid van de opdrachtgever om het werk te laten verrichten door (eigen) werknemers of door opdrachtnemers, niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt (zie paragraaf 3.3.1).14 Om die reden zou niet alleen moeten worden bekeken of de opdrachtnemer feitelijk naast de werknemer zijn werkzaamheden verricht, maar ook naar een ruimere zij-aan-zij-situatie. Daarmee bedoel ik dat tevens sprake is van het zij-aan-zij-criterium indien de opdrachtnemer nagenoeg dezelfde werkzaamheden verricht als bijvoorbeeld een werknemer van een andere onderneming uit dezelfde branche.15 Ook in dat geval zouden dan de arboregels van toepassing zijn die gelden ten aanzien van de werknemer. Een andere uitleg zou meebrengen dat de keuze om de werkzaamheden uitsluitend te laten verrichten door niet-werknemers, (indirect) gevolgen heeft voor (de omvang van) de zorgplicht van de opdrachtgever en daarmee dus voor de materiële positie van de opdrachtnemer die schade oploopt.
Ten tweede is het denkbaar dat de vergaande zorgplicht van artikel 7:658 BW moet worden genuanceerd ten aanzien van de relatie tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer. Weliswaar kwamen rechters in de door mij geanalyseerde feitenuitspraken steeds tot de conclusie dat de opdrachtgever zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW had geschonden (zie bijlage 2 ‘Feitenrechtspraakonderzoek artikel 7:658 lid 4 jo. lid 1 BW’), waarbij niet één keer expliciet is ingegaan op het zelfstandig ondernemerschap,16 maar een dergelijke nuance lijkt wel degelijk tot de mogelijkheden te behoren, met name als de opdrachtnemer over specialistische kennis beschikt. De Hoge Raad overwoog in het Dusarduyn/Du Puy-arrest dat van een werkgever niet wordt verwacht dat hij zichzelf op de hoogte stelt van de mogelijke risico’s als een ervaren werknemer een eenvoudige opdracht van beperkte omvang gaat uitvoeren, terwijl deze werknemer in het bezit is van een voor de opdracht relevant diploma en aan de opdracht naar redelijke verwachting slechts beperkte veiligheidsrisico’s verbonden zijn.17 Een dergelijke werknemer mag onder deze omstandigheden in staat worden geacht zelf de aan de opdracht verbonden risico’s te beoordelen en daar ook naar te handelen.18 Het voorgaande kan in mijn ogen a fortiori gelden voor de verhouding tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer, aangezien deze factoren soms juist aan de opdrachtnemer worden toegedicht. Op die manier kan de opdrachtgever worden behoed voor een te vergaande zorgplicht.19 Dit betekent niet dat de opdrachtgever per definitie geen zorgplicht heeft zodra de opdrachtnemer over specialistische kennis beschikt. Andere omstandigheden kunnen er namelijk toe leiden dat aan de deskundigheid van de opdrachtnemer minder gewicht wordt toegekend,20 zoals het werk waarbij de kans op het ontstaan van ernstig letsel groot is,21 zeker als de opdrachtgever zelf een deskundige partij is. Wel is het in algemene zin zo dat van de opdrachtgever redelijkerwijs minder mag worden verwacht indien de opdrachtnemer zijn expertise commercieel exploiteert,22 nu hij in dat geval in staat wordt geacht een autonome inschatting te maken van de risico’s die aan de werkzaamheden zijn verbonden. Dat kan onder meer blijken uit het feit dat de opdrachtnemer een goede en voor de opdracht relevante opleiding met succes heeft afgerond, de ervaring van de opdrachtnemer,23 de hoogte van het tarief24 of de eenvoud van de opdracht. Ook zal de zorgplicht van een niet-deskundige opdrachtgever doorgaans minder omvangrijk zijn dan die van een deskundige opdrachtgever.25 Met andere woorden: de zorgplicht van de opdrachtgever is het meest verstrekkend als hij deskundig is en een niet-deskundige opdrachtnemer inschakelt en het minst verstrekkend indien hij niet-deskundig is en de ingeschakelde opdrachtnemer juist wel. Hieruit blijkt mede dat de hoedanigheid van beide partijen kan doorklinken in (de omvang van) de zorgplicht van de opdrachtgever. Daarbij is telkens wel van belang dat de opdrachtnemer ook daadwerkelijk zelf verantwoordelijk is voor en invloed kan uitoefenen op zijn werkomstandigheden.
Al met al blijkt dat de zorgplicht van de opdrachtgever vergaand is. De gedachte dat de opdrachtnemer voor eigen rekening en risico de werkzaamheden verricht en de opdrachtgever daarom geen of slechts een beperkte zorgplicht voor de opdrachtnemer heeft, gaat in de regel niet op. Hoewel het uitgangspunt is dat de opdrachtnemer een lossere band met de opdrachtgever heeft dan de werknemer met de werkgever, kan lang niet altijd worden gezegd dat de opdrachtnemer zich als onafhankelijke entiteit in het maatschappelijk verkeer beweegt. Veel valt en staat in dit verband met de deskundigheid en eigen verantwoordelijkheid van de opdrachtnemer over zijn werkomstandigheden, waaronder over de werkplek, de werktuigen en de uitvoering van de werkzaamheden.26 Het woord ‘redelijkerwijs’ uit artikel 7:658 lid 1 BW toont immers dat de zorgplicht van de opdrachtgever niet verder kan gaan dan de invloed die hij daadwerkelijk heeft op de preventie van de schade. De zorgplicht van de opdrachtgever is zodoende een glijdende schaal, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.27