Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.4.4
2.4.4 Beraming in groepsverband
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715437:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Strijards 1995, p. 78.
De wetgever meende in eerste instantie dat de intentie van een individuele dader niet objectief vast te stellen was in de fase vóór het begin van uitvoering en stelde voorbereiding daarom enkel in vereniging strafbaar (Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 19-20). Daar is hij overigens later op teruggekomen (Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 5, p. 4; Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 6, p. 1).
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 19-20. Vgl. ook: Rutgers 1992, p. 313.
Rutgers 1992, p. 145.
Van der Wilt 2007, p. 152; Prakken & Roef 2004, p. 213 en 217-219; Rutgers 1992, p. 165-166; Groenhuijsen 1991, p. 423-424; Rutgers 1987, p. 921.
Zie bijvoorbeeld: Mols 2016, p. 7; Verbruggen 2004, p. 72; Rutgers 1992, p. 142-144; Reijntjes 1977, p. 423; Kamerstukken II 1990/91, 22268, A, p. 5. Zie ook voetnoot 862. Vgl. ook: Simester e.a. 2014, p. 337-338.
Kamerstukken II 1990/91, 22268, A, p. 5; Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 9-10. Vgl. Sikkema 2012, p. 3 en 28; Van der Wilt 2007, p. 165; Verbruggen 2004, p. 188-189; Buruma 2002, p. 1502; Rutgers 1992, p. 115, 119-120 en 142-144; De Jong 1989a, p. 3-4; Keijzer 1983, p. 43 en 87; Concl. A-G N. Jörg, ECLI:NL:PHR:2004:AN9358, bij HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358 (Handleiding), par. 17. Dat was ook de reden waarom voorbereiding in eerste instantie alleen strafbaar was als het beoogde delict ‘in vereniging’ zou worden begaan. Het – inmiddels geschrapte (Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 5, p. 4; Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 6, p. 1) – verenigingsvereiste in artikel 46 (oud) Sr zou ervoor zorgen dat het strafrecht niet in een intentiestrafrecht zou veranderen (Sikkema 2012, p. 30).
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 9-10. Zie ook: Lintz 2007, p. 225; Van der Wilt 2007, p. 152 en 165; Rutgers 1992, p. 119; De Jong 1989a, p. 3; Keijzer 1983, p. 43 en 87; Keijzer 1982, p. 88; Reijntjes 1977, p. 423.
Lintz 2007, p. 225; Keijzer 1982, p. 87-88.
Rutgers 1992, p. 146-147. In die lijn betoogde bijvoorbeeld Smith ook om in artikel 46 (oud) Sr het – inmiddels geschrapte (zie: Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 5, p. 4; Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 6, p. 1) – vereiste ‘in vereniging’ te vervangen door het vereiste dat, net als bij samenspanning, een overeenkomst moet bestaan tussen de beoogde plegers, omdat daaruit de intenties en vastbeslotenheid van de samenwerkende daders beter mee tot uitdrukking zou komen en dus beter zou aansluiten bij de gedachte achter de strafbaarstelling (Smith 2003, p. 200).
Rutgers 1992, p. 147.
Rutgers 1992, p. 145-146; Von Liszt 1932, p. 324. Zie ook: Weerman 2001, p. 45.
Keijzer 1983, p. 43; Reijntjes 1977, p. 423.
Verbruggen 2004, p. 72.
Weerman 2001, p. 23. Zie ook: Weerman 2001, p. 58.
Van der Wilt 2007, p. 165; Weerman 2002, p. 21-22; Keijzer 1983, p. 43.
Zie bijvoorbeeld: Mols & De Roos 1992, p. 225; Rutgers 1992, p. 124-125. Schuurman stelt bijvoorbeeld dat terroristische organisaties hun aanhangers aanmoedigen om aanslagen zo eenvoudig (en dus voor wat betreft deelnemers klein) mogelijk te houden (R. Oosterom, ‘Maar het Kalifaat is toch opgedoekt? Vijf vragen over de verijdelde terroristische dreiging’, Trouw.nl 25 september 2021).
Aldus ook: Wall 2007, p. 40.
Levanon 2012, p. 263. Zie ook: Weerman 2001, p. 59.
Weerman 2001, p. 24, 43 en 44.
Weerman 2001, p. 23.
Plaisier verwacht bijvoorbeeld ook dat eenmansacties doorgaans te laat zullen worden ontdekt (Plaisier 2003, p. 470).
Sikkema 2012, p. 30. Zie: Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 4, p. 2; Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 5, p. 4; Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 6, p. 1; Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 14, p. 8, 11 en 26. Wellicht was discussie daarover beter tot stand gekomen als de schrapping van het verenigingsvereiste niet halverwege het wetgevingsproces bij nota van wijziging was geschied. Nu ontbreekt een advies van de Raad van State over deze – toch niet onbelangrijke – wijziging.
Levanon 2012, p. 249-250. Lidmaatschap heeft ook iets weg van een eigenschap of status (daarover §2.4.8).
Wolswijk 2003, p. 46-47.
Dat de wetgever er in eerste instantie voor koos voorbereidingshandelingen alleen in groepsverband strafbaar te stellen, is op het eerste gezicht vanuit functionalistisch oogpunt niet zo vreemd. Een dergelijke ‘planningsfase’ is immers vooral nodig als er moet worden samengewerkt.1 Bovendien maakt de in die fase vereiste afstemming tussen verschillende deelnemers dat het bewijs van een gezamenlijke voorbereiding doorgaans eenvoudiger te verkrijgen zal zijn.2 Omgekeerd vreesde de wetgever dat de intentie van een solistische dader niet zou kunnen worden bewezen vóórdat sprake was van een begin van uitvoering.3 De opspoorbaarheid en bewijsbaarheid van collectieve voorfasedelicten wordt dan ook als belangrijk voordeel van deze delicten gezien. De Franse wetgever heeft ook bijvoorbeeld de strafbaarstelling voor deelname aan een criminele organisatie bewust ruim geformuleerd, zodat deze als vangnetbepaling kan fungeren als bij (voltooide) delicten onduidelijk is welk lid welke bijdrage heeft geleverd.4 De bepaling is daarmee op papier een voorfasedelict, maar dient dus vooral als oplossing voor een bewijsprobleem dat optreedt bij voltooide delicten. Iets vergelijkbaars geldt voor de Nederlandse strafbaarstelling van deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr). Deze werd in de jaren ‘80 van de vorige eeuw herontdekt en ingezet tegen onder meer (drugs)criminaliteit, voetbalhooligans en politiek activisme, met name om zo in een vroeg stadium dwangmiddelen in te kunnen zetten en om bewijsproblemen te omzeilen.5
Een andere belangrijke praktische reden om vooral voorfasehandelingen in groepsverband strafbaar te stellen, berust op de veronderstelling dat met meer deelnemers de kans op een succesvolle voltooiing van het delict groter wordt.6 Zowel in het parlementaire debat als daarbuiten wordt met enige regelmaat de stelling ingenomen dat groepsprocessen het risico verhogen dat de beoogde delicten daadwerkelijk worden voltooid.7 Ook zou de kans op terugtred kleiner zijn als de dader met derden samenwerkt.8 De deelnemers zouden zich gebonden voelen aan hun onderlinge overeenkomst en zich niet vrij voelen om met het delict te stoppen, zo is de gedachte.9 De kans op voltooiing zou bovendien nog groter zijn als er ook in een meer duurzaam verband wordt samengewerkt.10 Dat verklaart volgens Rutgers waarom deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr) ook bij minder ernstige misdrijven strafbaar is, terwijl het bij samenspanning moet gaan om ernstige misdrijven.11 In vergelijkbare zin wordt ook in Duitsland de kriminelle Vereinigung (Bande) als gevaarlijker gezien dan de Verabredung (Komplott), omdat de eerste een grotere mate van duurzaamheid en continuïteit veronderstelt.12 Groepen zouden verder door samen te werken ook lastigere doelen kunnen bereiken dan individuen.13 En Verbruggen meent tot slot zelfs – zonder al teveel toelichting – dat de vorming van een criminele organisatie de pakkans zou verkleinen.14
Opvallend is dat de hiervoor genoemde claims vrijwel nooit van een empirische onderbouwing worden voorzien. Een korte blik in de empirische literatuur leert dat er wel enige voordelen kleven aan het gezamenlijk plegen van delicten. Zo constateert Weerman dat samenwerking de uitvoering van het delict vereenvoudigt, zorgt voor minder angstgevoelens bij de daders en meer vluchtmogelijkheden creëert.15 Ook maakt samenwerking specialisatie en taakverdeling mogelijk.16 Daar staat tegenover dat er ook de nodige risico’s aan samenwerking kleven.17 Zo zal mogelijk – met name bij tweemansacties – het afhaken van één deelnemer mogelijk ook de andere deelnemer(s) de handdoek in de ring doen werpen. Opsporingstechnisch kan ik me bovendien – zoals hiervoor al werd aangestipt – voorstellen dat de pakkans juist groter wordt naarmate er meer betrokkenen zijn.18 Een fout (of bewuste verklikking) van één van de deelnemers kan immers genoeg zijn om de hele groep op het spoor te komen.19 De voorbereiders zullen bovendien met elkaar moeten communiceren, wat ook een mogelijk invalshoek voor de opsporing creëert (zie ook §2.4.5). Ook kunnen deelnemers elkaar opjutten tot het nemen van onverstandige risico’s.20 Weerman wijst ook op onderzoek waaruit blijkt dat samenplegen – in ieder geval bij sommige delicten – samengaat met een hogere kans om te worden opgepakt, zij het dat het effect niet heel groot lijkt.21 Empirisch gezien lijkt de lone wolf dus juist meer kans van slagen te hebben dan de roedel.22 De vermeende gebrekkige bewijsbaarheid van solistische voorbereiding lijkt voor de politiek ook geen doorslaggevend argument te zijn: in 2004 werd met geen woord meer gerept over de in 1992 nog aangevoerde bewijsproblemen die zouden kleven aan het schrappen van het verenigingsvereiste .23
Daarnaast is het tot slot vanuit functionalistisch perspectief zinvol onderscheid te maken tussen een delict als samenspanning (artikel 80 Sr), waarbij het samenkomen van de deelnemers een momentopname betreft, en deelname aan een organisatie (artikel 140 en 140a Sr), wat eerder een duurgedraging is.24 Duurgedragingen brengen door de bank genomen meer problemen met zich dan gedragingen die op één aanwijsbaar, kort moment plaatsvinden. De deelnemingsgedraging van artikel 140 Sr roept zelfs zoveel fundamentele vragen over rechtsmacht op dat Wolswijk zich afvraagt of voor dit delict geen gespecialiseerde locus delicti-regeling moet bestaan.25 De samenspanningsgedraging moet wat dat betreft vanuit praktisch oogpunt de voorkeur hebben boven een gedraging die bestaat uit een voortdurend lidmaatschap.