Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.2.3
4.2.3 De introductie van de EMU: tegengestelde visies
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tot de oprichting van de EU in het Verdrag van Maastricht werd nog gesproken van de Europese Gemeenschap. Er is veel geschreven over de historie van de EMU vanuit verschillende perspectieven. Hierbij volsta ik met enkele literatuurverwijzingen: Ungerer 1997, Steinherr 1994, Snyder 1999 en Snyder 2011.
Snyder 2011, p. 688.
Zie over de twee tegenovergestelde visies van de ‘monetaristen’ en de ‘economisten’ o.a. Pisany Ferry 2006.
Ungerer 1997, p. 107-108 en p. 166 en Crockett 1994, p. 174-175.
Snyder 2011, p. 690. Zie ook Ungerer 1997, p. 56.
Onder andere de dollarcrisis in de jaren 1970 en 1971 en de oliecrisis in 1973. Zie uitgebreid hierover Ungerer 1997, p. 191-123.
Hiermee werd geprobeerd een multilateraal wisselkoerssysteem tot stand te brengen. Zie o.a Ungerer 1997, p. 119-132.
Het EMS had tot doel het creëren van monetaire stabiliteit in de Europese Gemeenschap. Het EMS bestond uit vaste, maar aanpasbare wisselkoersen die binnen een bepaalde fluctuatiemarge werden gehouden door verplichte interventies. Deze interventies werden gepleegd door de centrale banken: coördinatie tussen de centrale banken was dan ook noodzakelijk. Het EMS nam verschillende operationele kenmerken over van de ‘slang’. Ungerer 1997, p. 158 en Pararella 1994, p. 21-28.
Zie Ungerer 1997, p. 56.
De vraag was dan ook niet meer of er een economische en monetaire unie moest komen, maar hoe deze uiteindelijk tot stand zou moeten worden gebracht. Zie daarvoor Ungerer 1997, p. 200.
Verdrag betreffende de Europese Unie, PbEG 1992, C 191 (Trb. 1992, 74).
Commissie voor de studie naar de Economische en Monetaire Unie, ‘Rapport inzake de Economische en Monetaire Unie in the Europese Gemeenschap’, gepresenteerd tijdens de Europese Raad van 26-27 juni 1989 in Madrid.
Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw zijn er verschillende pogingen gedaan om te komen tot een vorm van monetaire samenwerking binnen de EU.1 De fundamenten voor de EMU zijn terug te vinden in het Verdrag van Rome uit 1957.2 Centraal bij de totstandkoming van de economische en monetaire unie stond de discussie over de route en de snelheid waarmee monetaire integratie zou moeten worden bereikt. Hoewel er geen twijfel bestond over het feit dat monetaire integratie een zekere mate van economische convergentie zou moeten omvatten, was men het er niet over eens wat er eerst moest komen, een monetaire unie of een economische unie.3 Het monetaire kamp, waar Frankrijk, België en de Commissie pleitbezorgers van waren, stelde dat de totstandkoming van een monetaire unie de weg zou vrijmaken voor economische en politieke convergentie. Het opbouwen van instituties zou nagenoeg automatisch moeten leiden tot een hoge mate van convergentie. Vooral Frankrijk was huiverig voor het overdragen van nationale, economische en politieke, bevoegdheden naar het centrale Europees niveau. Het economische kamp daarentegen, waar onder andere Duitsland en Nederland toe behoorden, pleitte er juist voor dat de monetaire unie het resultaat moest zijn van economische en politieke convergentie. Een hoge mate van economische convergentie zou vooraf moeten gaan aan het nemen van institutionele stappen.4 De tegenstelling tussen de monetaire en economische visie op de monetaire integratie heeft de institutionele verankering van de EMU sterk gekleurd.
Het Werner-rapport uit 1970 reflecteerde voor het eerst een gezamenlijk gevoelde noodzaak tussen de lidstaten om een economische en monetaire unie tot stand te brengen. Totstandkoming van de EMU werd voorzien in verschillende fases met uiteindelijk de introductie van één gezamenlijke munt. Er bestond echter nog wel onenigheid tussen de lidstaten over de wij- ze waarop dit moest worden bereikt.5 Veranderende economische omstandigheden in de wereldeconomie maakten echter dat de voortgang om te komen tot nadere monetaire samenwerking werd stopgezet.6 Na verschillende pogingen om te komen tot verdere monetaire integratie – onder andere de oprichting van de ‘slang’ in 19727 en het Europese Monetaire Stelsel (EMS) in 19798 – bleek de weg naar het definitief oprichten van de EMU inmiddels vrij gemaakt te zijn.9 De commissie Delors kreeg de opdracht om een voorstel te doen voor het in fases tot stand brengen van een economische en monetaire unie.10 In het in 1992 ondertekende Verdrag van Maastricht werd de EMU juridisch verankerd11 op basis van de plannen zoals neergelegd in het Delors rapport.12 Het resultaat was een ingewikkeld compromis tussen de twee visies en uiteindelijk een asymmetrische EMU.