Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/9.5
9.5 Kwalitatieve verplichting
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491089:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Is de kwalitatieve verplichting bedongen ten aanzien van een beperkt recht en de rechthebbende van het beperkte recht verkrijgt vervolgens de bezwaarde eigendom, dan moet door uitleg van de kwalitatieve verplichting worden bepaald of hij is gebonden aan de kwalitatieve verplichting. In beginsel is hij aan de verplichting gebonden, omdat hij partij is bij de overeenkomst die aan de verplichting ten grondslag ligt. Maar uitleg kan meebrengen dat hij niet meer aan de verplichting is gebonden als het beperkte recht tenietgaat.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 309.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 942; Asser/Sieburgh 6-III 2018/557; Van Velten 2018/14.7; Van Oostrom-Streep 2006, p. 3, 43, 103, 177; Rank-Berenschot 1992, p. 167. Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/51; Asser/Sieburgh 6-I 2020/18; Van Oostrom-Streep 2006, p. 2-4.
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/618-619; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3) 2019/312-314; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/655-657; Van Oostrom-Streep 2006, p. 2-4, 107 e.v., 159 e.v. Vgl. HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2067(Curatoren/Verhuurder); HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424(Credit Suisse/Jongepier q.q.); HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681(ABN Amro/Berzona); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/40, 51; Wibier 2019; Asser/Sieburgh 6-III 2018/555.Art. 3:282 lid 1 BW geldt daarentegen niet voor de kwalitatieve verplichting (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 939, 946). De argumentatie in de parlementaire geschiedenis kan echter niet overtuigen. Zie daarover: Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/751.
Vgl. §6.3.3 over beperkte rechten binnen de huwelijksgemeenschap.
HR 3 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4489(Nationale-Nederlanden/Timmermans). Een vergelijkbare zaak is HR 12 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8585(Holland/Beek). In dat arrest waren de man en de vrouw ten tijde van het ongeval reeds gehuwd. De overwegingen van de Hoge Raad in beide arresten zijn vrijwel identiek. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 593; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019/III.47; Ter Rele 2017, p. 112-114; Asser/Sieburgh 6-II 2017/341; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/308; Kortmann 1988.
Vgl. art. 1349 Cc. Volgens die bepaling gaat een verbintenis door schuldvermenging teniet ‘sous réserve des droits acquis par ou contre des tiers’ (onder voorbehoud van rechten verkregen door of tegen derden). De vordering op de verzekeraar is een recht tegen een derde.
103. Stel dat een telecommaatschappij een kwalitatieve verplichting heeft bedongen van de erfpachter van een stuk grond (art. 6:252 BW). De erfpachter moet dulden dat op de grond die hij in erfpacht heeft, een zendmast staat. De erfpachter draagt zijn beperkte recht over aan de blooteigenaar van de grond. Is de eigenaar gebonden aan de kwalitatieve verplichting? De eigenaar zou kunnen stellen dat de kwalitatieve verplichting is bedongen ten behoeve van de erfpacht. Dat beperkte recht is (in beginsel) door vermenging tenietgegaan toen beperkt recht en moederrecht in één hand kwamen. Dat zou tot gevolg hebben dat de eigenaar niet is gebonden aan de kwalitatieve verplichting.1 Dient in dit geval de eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW analoog toegepast te worden, zodat de eigenaar de kwalitatieve verplichting toch wel moet eerbiedigen?
Een kwalitatieve verplichting is een verbintenisrechtelijke figuur. Volgens de parlementaire geschiedenis geldt de eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW niet voor persoonlijke verplichtingen.2 De bepaling geldt daarom in beginsel niet voor kwalitatieve verplichtingen. Maar omdat een kwalitatieve verplichting veel overeenkomsten vertoont met een beperkt recht, dient de bepaling naar mijn mening desalniettemin analoog toegepast worden. De kwalitatieve verplichting wordt wel een erfdienstbaarheid zonder heersend erf genoemd.3 Een kwalitatieve verplichting heeft op grond van art. 6:252 lid 3 BW en art. 35a Fw rechtsgevolgen die vergelijkbaar zijn met die van beperkte rechten: zaaksgevolg, prioriteit en separatisme.4 Dat rechtvaardigt analoge toepassing van de eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW. Is een kwalitatieve verplichting bedongen ten aanzien van een beperkt recht dat (in beginsel) door vermenging tenietgaat, dan blijft het beperkte recht voortbestaan zolang de kwalitatieve verplichting bestaat.
De tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW dient naar mijn mening eveneens analoog worden toegepast op kwalitatieve verplichtingen. De tweede volzin is niet rechtstreeks van toepassing omdat een kwalitatieve verplichting geen beperkt recht is. Een stuk grond is bezwaard met een recht van erfpacht. Iemand bedingt een kwalitatieve verplichting van de blooteigenaar van de grond. Hij kan zijn kwalitatieve verplichting niet inroepen tegen de erfpachter, omdat de erfpacht eerder was gevestigd (art. 6:252 lid 3, aanhef en onder a BW). De blooteigenaar draagt de eigendom van de grond over aan de erfpachter. De erfpacht gaat (in beginsel) door vermenging teniet. Door analoge toepassing van de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW blijft de erfpacht echter voortbestaan. Dit betekent dat de kwalitatieve verplichting niet kan worden ingeroepen tegen de eigenaar/erfpachter.
In een heel ander soort casus is de Hoge Raad tot een vergelijkbaar resultaat gekomen. Een man en een vrouw rijden samen op een bromfiets. De man als bestuurder en de vrouw achterop. De man veroorzaakt een ongeluk, als gevolg waarvan de vrouw schade lijdt. Na het ongeval huwen zij met elkaar in gemeenschap van goederen. De verzekeraar van de man weigert de schade van de vrouw te vergoeden, omdat haar vordering uit onrechtmatige daad door schuldvermenging teniet zou zijn gegaan.5 Volgens de Hoge Raad is er echter ‘geen redelijke grond (…) om de desbetreffende verbintenis tegenover de verzekeraar als tenietgegaan aan te merken’. De verzekeraar dient wel uit te keren.6 Het tenietgaan door schuldvermenging van de vordering uit onrechtmatige daad werkt met andere woorden niet ten voordele van de verzekeraar.7